donderdag 9 augustus 2012

Vrouwelijk Mannelijk

Bij het lezen van dit boek, zou je kunnen gaan denken dat ik vast en zeker een hekel heb gekregen aan vrouwen. Nee hoor, niets is minder waar. Allereerst is daar Clair, met wie ik een hechte en beproefde vriendschapsband heb; een vriendschap die door beproevingen heen aaneengesmeed is. Ik heb zelfs geen hekel aan Rie, mijn ex. Ik heb naar Rie niets meer, en ik wil liever geen contact meer met haar. Als ik aan haar denk, en dat komt nog wel eens voor, dan ben ik gevoelloos, alsof er een niemandsland tussen ons in is, waarin geen leven is. Echt contact kan niet meer, het zou te veel negatieve sentimenten oproepen, en dat heeft uiteraard geen toekomst. Het verrast me soms zelf. Door alle onaangename verwikkelingen heen, die naar mijn inschatting ook minstens voor een deel te maken hebben met onbegrip voor het eigene van de vrouwelijke natuur, ben ik toch nog altijd een bewonderaar van het vrouwelijke. Het uitfilosoferen van wat ik zeg met “het vrouwelijke”, is voor later. Er is een andere, meer directe manier voor me waarop ik het vrouwelijke ken en heb leren kennen. Ik heb immers net als andere mannen een speciale sensor voor het vrouwelijke. Mijn diepste ik, mijn wezen, weet wat het is, het is me ingebakken: dat wat aantrekkelijk voor me is en dat ik als het dichtbij me komt niet afwijs en terugstoot; dat wat me aantrekt, me iets doet in zachtheid en tederheid, waar ik graag op in ga, en waar ik me bij neer wil leggen. Dàt is het. De ene keer is het een ronding, een houding, een gestalte die me aantrekt; een beweging, een manier van kijken, een wijze van spreken die me verrukt, de toonhoogte, de stembuiging. Een andere keer is het meer aard en gedrag: de ontvankelijkheid, het aandachtige luisteren dat me sprakeloos maakt, het mij en geen ander willen toelaten en opnemen, een oproep, een appèl (nee, nee, geen appel) op te gaan in verbondenheid, het verlangen naar mij, het verwachten. Barbara Streisand bezingt het in Guilty, woman in love: "...to get you into my world and hold you within ...". Daar sta je dan als man en je wilt daar maar al te graag ja op zeggen. Eerlijk is eerlijk, en "hont soit qui mal y pense". Gelukkigmakend is het als je als mens, man of vrouw, zo het vrouwelijke tegen mag komen. Dat zijn allemaal aspecten van het vrouwelijke, die ik moeiteloos als zodanig herken, en waardoor ik me aangetrokken weet. Er is ook een heel andere kant. Ik ervaar dat ik in contact met vrouwen mijn gevoelens laat spreken, en creatief wordt. Ik weet me gewekt, en wil me inzetten, waarmaken, vruchtbaar zijn (tegenwoordig, gezien mijn leeftijd, figuurlijk).

Hoe dan ook, ik ben er eigenlijk steeds op uit om er contact mee maken, er op in gaan, met zorg te omgeven, er een liefdescocon mee te maken en te verwachten in het onvermoede. Ik heb eigenlijk best een aardig onlogisch besef van waar het om draait, namelijk om datgene waar het mij in mijn leven om te doen is, ontdekken wat het is in het vrouwelijke dat mij zo raakt en aantrekt, en er antwoord op te geven. Dat is wat er gebeurt als ik een vrouw echt ontmoet, in dat tegenover, oog in oog, van pupil naar pupil. Dus liefst in het echt natuurlijk (en dat is wat anders dan dè echt), maar het kan ook in een gedicht, in een verhaal, zelfs in e-mail communicatie.

O zeker, het heeft alles met vrouwen te maken, maar vrouwelijk en vrouw zijn is voor mij niet hetzelfde. Ik meen dat ik niets te veel zeg, als ik constateer dat ikzelf er ook een toffe dosis van in huis heb als enig tegenwicht voor mijn mannelijke rationele inborst al staat daar niet zo heel veel haar op. Inderdaad, het is ook niet mijn slechtste kant. Soms beleef ik dat ook, en zaligmakend intens, met een gevoel van eenheid en verbondenheid in mezelf. Dat overkwam me toen ik samen met Salu een gedichtje schreef, ieder voor zich hoor, bij het schilderij Galathea van de sferen van grootmeester Dali. Ik heb nog nooit met zoveel gevoel en plezier en zo stromend een gedichtje geschreven. Het staat hier op de Verhalensite. Iemand zag er terecht een liefdesgedichtje in. Voortreffelijk aangevoeld, ik was verliefd op het leven in het kosmisch perspectief van Dali, en zeg me nou niet dat zoiets onmogelijk is. Opmerkelijk trouwens, dat de paar mannen die ik hier wat ken, het maar een kwezelverhaaltje vonden, maar dat de vrouwen er door ontroerd waren. Ik zelf ook nog steeds trouwens; ik herlees het af en toe. Het gedichtje wordt dus verschillend ervaren. De ene helft vindt het slecht, de andere helft vindt het mooi, lief, enz. Hm, opvallend niet?

Ja hoor, ik ben eigenlijk een echte softie. Maar ho, ik ben geen mietje, al heb ik daar vroeger wel eens zwaar over in de rats gezeten, zo ergens in mijn puberale bekommernissen. "Wie ben ik nou eigenlijk", was toen het angstige en nare besef van de leegte in me. Die is al levend, belevend in vraag en antwoord, in actie en reactie, in doen, voelen, er aan zitten en eraf blijven, in verwondering, adoratie en ontzag, in aantrekken en afstoten, en ah ja, in de reeks verrukkelijke verliefdheden op de mooiste meisjes, geleidelijk aan in- en opgevuld met wat mijn schat, mijn ik, mijn identiteit is geworden. Een verrukkelijke identiteit, waarmee ik bij herhaling een verstolen lach tevoorschijn tover, bijvoorbeeld op het gezicht van dat aandoenlijk vrouwelijke wezen achter het stuur dat voor me stopt als ik, zo met mijn petje op, `smorgens vroeg de zebra over flaneer. Het is om de senioren-ochtendstijfheid te doorbreken, maar het belet me niet om welwillend en met verve mijn snor in een krul te draaien voor die schone blom achter het stuur die tot mijn genoegen meestal reageert met een glimlach. Dat is puur genieten want dan besef ik, ah ja, ik voel me een geliefd mens en ik mag gezien worden. En is dat niet wat ons mensen ten diepste bevredigt? Dat weten geeft het antwoord op die hunkering naar erkenning die ook mijn wezen doortrekt: ik kan mens zijn als een ander mij wil en kan zien. Dat heb ik gaandeweg bij het overdenken van mijn leven weer opnieuw mogen ervaren in de persoon van Clair, iemand die clare wijn schenkt en gezegend is met een heldere blik. Zonder haar was het project Adrie wellicht volkomen mislukt.

Ik ben blij geworden met de mannelijk-vrouwelijk dualiteit in mijn ik, die nog immer enerverende paradox in mijn zelluf, in mijn alles en niks. Die gaat met me mee en die zal ik uiteindelijk weer moeten laten gaan, en vrij geven aan de ruimte. Ik heb ook weer intens het creatieve elan mogen ervaren van de mannelijk-vrouwellijke dualiteit, in de aanvullende toenadering met een echte vrouw. Daarvoor ben ik dankbaar.

toedeloe

menslief

In de Bijbel, meer specifiek in het Oude testament, kunnen we  lezen in het scheppingsverhaal, het boek Genesis, dat God, YHWH, de wereld geschapen heeft in 6 dagen. Tussen de regels door op het wit van de bladzijden zeg maar, kunnen we ook lezen hoe precies en zorgvuldig hij daarbij te werk  ging. Volgens het bijbelverhaal heeft de Almachtige die klus geklaard in zes volle dagen, en dat is bepaald snel te  noemen. Niet voor niets dat hij op de zevende dag echt een dagje moest rusten. Nou dat heeft hij wel geweten, een rustdag is het namelijk niet geworden. Hij was toen, afgezien van zijn Engelen,  immers niet meer alleen, want de mens was er, en die keek hem scherp op de vingers. Zes dagen lang hebben die trouwe vazallen, de Engelen, hem bewonderend gadegeslagen. En toen God zag dat het goed was, hebben ze luid geapplaudisseerd.

De mens echter kwam direct met allerlei vragen, om niet te zeggen dat hij overal kritiek op had. Aanvankelijk stoorde zich daar niemand aan. Dat komt  omdat de Engelen zich nogal uitsloofden met allerlei soms nogal breedsprakerige en zelfs luidruchtige loftuitingen, zoals deze bijvoorbeeld: "Verrukkelijk is het Heer, geprezen zij Uw naam, om alles wat U geschapen heeft te mogen aanschouwen. Wat een pracht aan kleuren, wat een rijkdom aan vormen, en wat heeft de vrouw een natuurlijke gratie en souplesse. En dat is dan nog alleen maar de buitenkant". Een andere Engel, inmiddels ook op temperatuur gekomen, viel direct de eerste bij: : "Hartverwarmend is het Heer, geprezen zij Uw naam, om de rijkdom van de binnenkant van al wat U geschapen heeft te mogen aanschouwen en aanvoelen. Wat een verrassende diepgang. De Heer fronst zijn wenkbrauwen bij het woord "verrassend", maar krijgt de tijd niet om een terechtwijzing te geven, want een derde Engel,  valt hem bij: "Wat een wijze tegenoverstelling Heer, geprezen zij Uw naam. Het mooie zal pas echt in volle glorie doorbreken als de mens harmonie weet te brengen tussen de binnenkant en de buitenkant. Maar dat vraagt om tederheid en veel goede wil en heeft de mens dat wel?," voegt hij eraan toe. Dit soort wijsneuzerij is een ongewoon geluid in de hemel. Het was niet echt overdreven kritisch, maar het getuigt ook niet van die blindelingse, volgzame toewijding en overgave die God normaliter in de hemel ten deel vallen. O jé, de pief, hij doet er nog eens even een schepje bovenop ook: "Die mens lijkt trouwens voor zover ik het zie, alleen maar oog te hebben voor de buitenkant", zegt hij, doelend op Adam die intussen al naast Eva zat en haar nieuwsgierig zat op te nemen. Eva van haar kant liet zich trouwens ook niet onbetuigd, en keek een beetje ongerust naar dat eigenaardige knakworstje waarmee Adam was toegerust, en dat een eigen leven aan het leiden was. "Je stelt vragen jongen en erger nog je geeft ook nog  zelf de antwoorden", zegt God. Ik zal je mijn scheppingsverhaal nog maar eens moeten vertellen. Luister nou eens goed, en stel je open voor mijn antwoorden.
" Allez dan, zes dagen lang ben ik met scheppen bezig geweest, terwijl jullie alleen maar toekeken. Ik heb de mens geschapen op de zesde dag; hij is bijzonder, ik sta hem ter zijde, en hij mij. Ik heb hem ter linker en ter rechter zijde uiteengelegd, opdat ze als man en vrouw in een tegenover maar tevens in harmonie samen de toekomst zouden kunnen dragen, in een omhelzing van waarheid en vrede elkaar zouden kunnen ontmoeten en zo samen, met hun beiden en dus zeker niet alleen, vruchtbaar zouden kunnen worden." Gods stem,  die toch al helder en sonoor klonk, werd nog wat  krachtiger en indringender toen hij sprak: "Ik heb hem bovendien als toemaatje mijn licht ingestort. Dat wisten jullie nog niet of wel? Maar geloof me, de mens, die man en vrouw is, zal het doen. Misschien met een beetje vallen en opstaan, oké. Maar daarvoor staan jullie hem terzijde, en heeft hij mij als voorbeeld, want in mij wordt en is alles één; voor mij bestaat er geen verschil tussen binnen- en buitenkant, tussen verleden heden en toekomst. Nee, en ja, Ik verenig het strand en de zee, de deining en de glooiing. Luister, dat van die twijfel zal ik nu maar even door de vingers zien", ging God verder. "Heb je het nou door jongen?", spreekt God tot de engel, "of wil je liever nog wat tegensputteren? Dat wilde  de derde engel wel, en dat deed hij stiekempjes, langs zijn neus weg.  Later is de eigenwijzigerd dan ook gevallen.
God is inmiddels met zijn aandacht alweer beneden bij zijn schepping, en zijn hele wezen gloeit van tederheid en doet zijn aangezicht stralen en glanzen. En de afstraling daarvan verlicht en verheldert heel de schepping, en al wat daar in is, inclusief de mens. De derde engel kijkt met verbazing naar de mens daar beneden, getroffen als hij is door de verandering die hij ziet voltrekken. "Zie je dat" spreekt God, "zo is het goed, heel goed". Beneden kijken enkele mensen ineens verwonderd op, geraakt door iets wat ze  niet eerder zagen, maar dat hun gevoelig treft.
"Kijk", zegt God tegen zijn hofhouding, "sommige mensen heb ik uitzonderlijk toegerust en belast met een zesde zintuig. De engelen kijken hem bewonderend aan, getuigend van hun adoratie. "Ah, ho, maar wacht even. Een paar van mijn schepsels heb ik extra belast met een zevende zintuig: gevoel voor schoonheid." "Oh, wat heerlijk", roept een al te jeugdige engel. Hij zakt in onder de terechtwijzende blikken van zijn kompanen, die hem tot stilte manen. "Geeft niks hoor jong", zegt God met een knipoog naar Gabriel, zijn rechterhand. "Spontaniteit is echt geen zonde. Inderdaad, heerlijk is het om dat zintuig te hebben. Ik kan het weten want ik heb er natuurlijk zelf ook een, maar vergis je niet, het heeft de vorm van een kruis. Je  moet er echt wel mee om leren gaan. Want al vervult het gevoel voor schoonheid je dan wel met verrukking, het maakt je ook pijnlijk  bewust van het onvolmaakte; het maakt woorden tot lege vehikels, gebaren tot loze uitingen; het baart pijn in de verwondering, brengt je tot eenzaamheid, en zelfs vervreemding. Kortom, dat zevende zintuig is een groot voorrecht, maar het is tevens een kruis, en het is dan ook zeker niet voor iedereen weggelegd. Het zou niet te dragen zijn voor een normale sterveling, ware het niet dat jullie er zijn om die paar mensen die het  betreft tot mij te brengen, en dat ik hem dan meer dan genezing zal geven. De derde engel slikt, en zegt zachtjes:" maar kunt u dat die mens wel aandoen?" "Dat is een pijnlijke vraag, jongen. Ik zal maar weer eens…". Hij ziet hoe de engel, met deemoed het hoofd buigt, en God slikt zijn reprimande in. "Die mens heb ik nodig jongen", zegt hij dan zacht, "om mijn schepping met mijn liefde te doordrenken, en verder te brengen. Hij kijkt inmiddels weer goed gemutst naar beneden, waar de mens intussen, of liever ondertussen, het "Gaat en vermenigvuldig u", voortvarend in praktijk aan het brengen is. "Zie je jongens, en de Engelen kijken bevreemd met hem mee. Het "Ik " scheiden" en weer "een laten worden", dat is het idee. Het werkt. Ik heb de mens nodig om zo mijn diepste ik aan het licht te brengen: :de liefde als kern van mijn creativiteit". Ik zal die mens een merkteken geven zodat we hem direct kunnen herkennen: een stille glimlach; de glimlach van "een hart dat weet heeft van smart". Zo, en dat is het dan wel voorlopig. Zo is het goed, prima geregeld, en laat het nu maar maandag worden."
En zo is het dus gekomen dat er mensen zijn die niet slechts gevoel hebben voor schoonheid, maar die dieper nog het vermogen hebben om subtiel en teder  om te gaan met al wat kwetsbaar is, met dat wat gemakkelijker te grijpen is dan te begrijpen; dat wat niet diect nuttig is, niet meteen wat opbrengt, en zich maar moeilijk kan verdedigen tegen de neiging van de mens tot analyseren, tot onderwerpen en uitbuiten vooral van zijn medemens. Velen kunnen  zich niet te weer stellen tegen de snelle rechtlijnige conclusies over oorzaken en gevolgen van enkelen, die anderen en het anders zijn ontleden op de pijnbank van het laatste vooroordeel. Al datgene waar uit blijkt dat er ook nog iets is dat de schone schijn  van de buitenkant overstijgt, dat het vergankelijke en het onvergankelijke, het tijdelijke en het eeuwige bij elkaar brengt en ons zo brengt tot het bewust worden van wat ware schoonheid is, kijkend in jouw ogen als je binnenkant door je oppervlak heen straalt en je ego transformeert tot een  ik met de ware charme van Gij en Ik.
Ik ga wandelen, langs het hemeltje, waar deze bespiegelingen tot mij  kwamen.


noot: in hemelse sferen  is er geen verschil tussen verleden, tegenwoordige en toekomstige tijd, daar is er maar een tijd, de altijd.