Het schijnt
zo te zijn dat een man in zijn leven drie belangrijke doelen nastreeft, die
ingebed zijn in drie achtereenvolgende levensfasen: in de eerste fase heeft hij
vurig lief en verwekt een kind; in de tweede fase bouwt hij iets op vanuit zijn
persoonlijke inspiratie en gedrevenheid, of hij doet er in elk geval fanatiek
zijn uiterste best voor; en in de derde fase, de maanfase, schrijft hij een
boek. In die laatste fase gaat hij terug kijken en geeft hij zich rekenschap
van de sporen die hij in het gemeenschappelijke landschap getrokken heeft, en
vraagt zich af of en hoe die verder kunnen lopen de toekomst in. Dan kan zijn
levenservaring uitgroeien en verdiepen tot het wijze inzicht dat alles één is,
en dat het all-een zijn de kern vormt van zijn alleen zijn. Dat kan hem helpen
zijn toenemende aftakeling en groeiende eenzaamheid te accepteren en te
verwerken en in vrede te komen met zichzelf en zijn leven. Dat is geen
zoetsappig proces, integendeel. Mij heeft het in elk geval pittige
confrontaties opgeleverd. Maar daarnaast ook het plezier en de genoegdoening
van het overdenken en opnieuw doorleven en verwerken van opvattingen,
beslissingen, handelingen en lotgevallen, in een bredere werkelijkheid van mens
zijn.
Dit boek is voor een deel biografisch, voor een ander deel autobiografisch:
verschillende verhalen ineen gesmeed. Het lijkt me goed om in deze intro al aan
te geven, hoezeer het leven van Adrie en dat van zijn omgeving, beïnvloed is
door de ziekte hyperthyreoidie, waaraan hij zonder het te weten jarenlang
geleden heeft, met als uiteindelijk gevolg totale lichamelijke uitputting en
ernstige depressie. Een aandoening die een enorme impact heeft gehad op zijn
lichamelijk en psychisch welzijn, en op zijn functioneren als mens, in zijn
gezin, in zijn werk en in de samenleving. Het is voor hem een persoonlijk
drama, dat dit veel en veel te laat is onderkend, en ook nog eens niet door een
zogenaamde deskundige, maar door hemzelf. Hij kwam tenslotte met de juiste
diagnose bij de dokter binnen stappen, die hem lichtelijk verbijsterd
aanhoorde. Ik hoop dat ik met de beschrijving van dit levensverhaal een
waarschuwing kan geven aan degenen die in medisch/psychologische zin in de
samenleving verantwoordelijkheid dragen, en geroepen zijn hun cliënten met raad
en daad ter zijde te staan.
Ik heb hiermee mijn derde-fase-boek geschreven. Nu weet je ook, dat ik niet
alleen versleten sokken heb, ik stop ze nooit, al was ik ze wel, maar dat ik er
ook zelf een aan het worden ben. Ik heb echter gaande de weg over de smalle
paadjes van mijn leven veel van de persoonlijke inspiratie die mijn leven
gemotiveerd heeft, teruggevonden en daar ben ik zeer verheugd over. De wijsheid
in de Yin en Yang paradoxale twee-eenheid is een vertrouwd en existentieel
gegeven geworden, en is doorregen met persoonlijke ervaringen. De oplossing van
de paradox in de vorm van een twee-eenheid is voor mij opgerekt en opgebloeid
naar een drie-eenheid. Veel daarvan is opgedolven in conversaties over het
leven bij sigaar en borrel, al redenerend, luisterend en beluisterend.
Al heeft de inhoud van dit werk een autobiografisch trekje, niets in minder
waar. Het meeste van wat ik vertel is òf verzonnen, of aangedikt, of juist
sterk verzwakt, òf fictie, wat allemaal op hetzelfde neerkomt: elke gelijkenis met
mijzelf of anderen berust op een merkwaardig toeval. Kom eens op de koffie, dan
roken we samen een sigaar.
Vreemd,
om zo opeens haar stem te horen. Rie? Na zo’n lange tijd? Ze klinkt veraf, en
een beetje onderkoeld, maar iets in die stem is onnoemelijk vertrouwd en
dichtbij. Ik zou me eigenlijk aangesproken moeten voelen, maar dat is niet zo.
Het is alsof ik gevoelsmatig in een leegte zit. Eigenaardig, ik hoor haar
jongere zus praten, met dat typische wat lijzige in haar stem. Ik kom terug in
de realiteit door haar vraag:
“Adrie,
mag ik mijn winterkleren? Het wordt koud.”
<Allez,
nou zeg, die durft. Ze wil haar winterkleren. Dat is wel het laatste dat ik
verwacht had. Ze vraagt simpelweg om haar winterkleren, terwijl er momenteel
emotioneel en financieel zo veel op het spel staat. Maar, uiteraard krijgt ze
die. Ben ik haar beul soms, dat ik haar dat zou weigeren?>
<Ho,
ho, denk nou eens even na, niet zo haastig man. Ze wil haar kleren, maar dat is
wel een deel van de inboedel. Ondertussen ligt ze zelf hardnekkig dwars bij de
afwikkeling van de boedelscheiding en heeft ze je door haar getraineer en
weigerachtigheid financieel in de tang, en eigenlijk zit je door haar toedoen
aan de rand van de afgrond. Geef het maar toe, het is toch waar.>
<Ja, dat klopt, het is waar en ook
bitter.>
<En
nu vraagt ze doodleuk haar winterkleren? Staat ze wel met twee benen in de
realiteit? Voor wie ziet ze je eigenlijk aan! Je hebt niet voor niets net
besloten om je harder op te gaan stellen en tussendoor geen enkele toegeving
meer te doen. Hm, pas maar op jij, je
bent er nog niet vriend.>
“Goed,
je winterkleren?”
“Ehh,
ja, het wordt koud.”
“Ja, ik
snap het; nee, oké”…; ja, oké”....
<Snotver,
jij gedraagt je ook werkelijk als een oetlul zeg. Laat je je nu opnieuw in het
pak doen, sukkelaar?>
“Waar
moet ik die winterkleren vandaan halen? Waar liggen die, op zolder? Goed hoor,
ik zal wel kijken voor je.”
<Ik
kan haar toch haar winterkleren niet onthouden. Komaan zeg. God bewaar me, al
had ik het wel moeten doen natuurlijk.“>
“Ja, ik
kom naar de Carrefour. Wat? Ja, hè, hè, natuurlijk, ik laat je echt niet
wachten hoor.”
Als ik
arriveer zit ze toch al een half uur te wachten; in de auto, in de kou. Tedju,
heb ik me toch in de tijd vergist, of is zij er te vroeg? De tent is ook nog
dicht. Wat nu? Naar mijn huis? Het is vlakbij, en waarom niet? Maar de gedachte
verschrompelt, en dwarrelt weg. Nee, liever niet.
“Er zal
best ergens iets open zijn. Wacht eens. Oké, ja, dat café net over de grens,
dat is zeker open.”
“Ik heb
niet zo veel tijd”, zegt ze. “Ik moet om half vijf bij mijn huisarts zijn; op
controle voor mijn borstkanker.”
<Hè,
wat zegt ze nou: haar borstkanker? Is dat dan nog niet genezen verklaard?
Maar, nee, ho, ho, daar sta ik nu buiten. Bovendien, toen ik
haar laatst nog een gemeende zoen gaf, was dat voor haar een ongewenste
intimiteit. Is deze naakte openheid dan geen intimiteit? Ik wil dat niet
meer...>
“Ah, oh
ja, nou oké, dat moet dan maar.”
<Nee,
ik ga niet in op die borstkanker, dat hebben we gehad, en hoe. Maar ze kiest zo
wel voor een gevoelige insteek. Zou ze dat expres doen?”>
<Ze
wil je soft maken, heb je dat niet door jongen? Dat is allemaal vrouwelijk
raffinement.>
“Wel,
hoe maak je het Rie?”
“Oh, ik
maak het wel, naar omstandigheden”.
<Ah.
Naar omstandigheden? Ziezo, alweer zo iets. Ja, ik moet het toegeven, ik
luister begerig achter haar woorden: zou ze soms spijt hebben? >
<Ze wou toch zo graag in de
Hooge Berkt blijven. De omstandigheden daar zijn dus toch niet zo
rooskleurig.>
<Maar
dat weten we toch ook wel. Het was te
voorzien. Gescheiden vrouwen zijn daar niet in tel, net zo min als mensen die
een depressie hebben gehad. Voor hen is er geen verantwoordelijke plek.>
<Hė, ga
nou maar niet zo moeilijk doen. Het is toch zo te zien dat ze het moeilijk
heeft; net als jij trouwens. De scheiding gaat ook haar niet in de kouwe kleren
zitten.>
Mijn
kleine triomf voelt ineens benepen en het beetje troost dat het me bood, smoort
in treurigheid.
Als
twee ontheemden in een hongerwinter zitten we tegenover elkaar aan dit wankele
tafeltje, geconfronteerd met mislukking en vervreemding. Even was er de
hunkering naar wat deze ontmoeting had kunnen geven: charme, liefdevolle
nabijheid, warme gloed op gezichten, glans, tederheid; en vooral een open
oogopslag, met die grote kijkers van haar, die ik zo goed ken, met die
aanwezige glanzende blik. Ja, zo was het vroeger. De herinnering aan onze
eerste echte vrijage dringt zich op; zo lekker krap in mijn eenpersoons
studentenbed. Het grappige van een schuins kijkende, rondborstige hospita met
haar schalkse blik boven dat vrijzwevende
kunstgebit. Vermanend en schalks tegelijk zei ze: “kijk uit hè.” Ach, ja,
toen had het leven een uitdagende en verrukkelijke tinteling. Met haar
zuchtende aaahhh, heeft zij mij zonder meer voor eeuwig aan zich verplicht. Dat
blijft, en dat voelt zelfs nu nog zo, dat gaat niet verloren. Die herinneringen
zijn mijn persoonlijke schat aan levenservaringen. Ooit was zij zelf ook zo vol
kritiekloze toewijding, met een o zo vertederende uitdrukking van: “ahh, ja,
jij bent het, jij bent mijn lief, ik wil jou, ik heb jou; haar mond, met die
volle lippen in verlokkende welvingen, vragend om woordeloze fluistering”. Ik
zwol van trots en plichtsbetrachting. Ze had met haar totale overgave mijn hart
veroverd. De hunkering is intens maar vervaagt tot niks. Was ze maar niet
weggegaan. Dan hadden we hier nu niet zo troosteloos hol en mat tegenover
elkaar gezeten. Maar de scheiding was onvermijdelijk geworden. Ze zag met mij
allang geen toekomst meer, en ik was van haar vervreemd.
Haar
gezicht spreekt geen boekdelen meer, het is eerder een A4tje, vooruit dan, van perkament; van gloed is al helemaal geen
sprake meer. En ik kan die ook niet meer oproepen. De magiër in mij is
verdwenen. Treurige constateringen. Oké, vooruit, inderdaad, eerst het
verplichte drankje dan maar.
Het had
er aanvankelijk toch zo hoopvol uit gezien. Ze hadden besloten om na zijn
pensionering als gevolg van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, naar de Hooge
Berkt in Bergeijk te verhuizen, om te gaan wonen en werken in deze
Leef/Werkgemeenschap, waar ze in een rustgevend en harmonieus klimaat zouden
kunnen leven. Nee, het zou nou eens niet gaan om prestaties, maar primair om
het samenleven, levend op de vier pijlers van de Gemeenschap: werk,
communicatie, studie en gebed. Ze konden zich ook helemaal vinden in het doel
van de HB, namelijk elkaar daarin en daardoor in alle gastvrijheid gelukkig te
maken en elkaars lasten mee te helpen dragen. Dat klonk allemaal heel mooi maar
het had voor hun beiden nog geen echt fundament. Hun enthousiasme was
voornamelijk gebaseerd op kortstondige bezoeken en niet op eigen levenservaring
in het samenleven van alle dag. Dat moest nu worden opgebouwd, een delicaat
ondernemen.
<Ik
zal er maar geen doekjes om draaien: ik ben na een diepingrijpende
ziektegeschiedenis, en de langdurige diepe inzinking die daar het gevolg van
was, volledig afgekeurd en arbeidsongeschikt verklaard. Ik zal dat later nog
wel eens allemaal uitleggen. Naar
maatschappelijke carrièremaatstaven heb ik het dus niet gemaakt, integendeel.
Oh, ik heb desondanks best heel wat opgebouwd: een hoop ervaring, kennis en
inzicht, respect en waardering van mijn studenten en van collega’s. Ik kan
trouwens ook bogen op een schat aan levenservaring, en vooral niet te vergeten
op een goed pensioen. In de HB is dat allemaal wel belangrijk, maar niet van
primair belang. Daar gaat het er om gelijkwaardig samen te leven in het hier en
nu, zonder je te laten voorstaan op titel of inkomen.>
<Je mag er wel bij zeggen, dat je er vrede
mee had dat je afgekeurd werd, en met vervroegd pensioen zou gaan. Je was
immers al meer dan een jaar in de ziektewet. Nee, terugkeren in je functie van
hoofdmedewerker was totaal uitgesloten. Te meer omdat er na de reorganisatie en
inkrimping van de groep nog meer van je gevergd zou gaan worden dan voorheen.
Nee, het was verstandig dat je je niet verzet hebt. Dat je je werk ontzettend
zou gaan missen kon je toen nog niet bevroeden. Ook niet dat je er na een paar
jaar heftig naar zou gaan verlangen weer zelfstandig en los van de HB te gaan leven. De bittere confrontaties met
Rie, waarmee dat groeiende besef gepaard ging, waren een onaangename
toegift.>
Toen
eenmaal duidelijk was dat Adrie blijvend invaliditeitspensioen zou krijgen, en
geen zakjes hoefde te gaan plakken, werd de toekomst voor iedereen toch heel
wat zonniger. Hij was echt blij met de mogelijkheden die de Hooge Berkt hem
bood. Hij verlangde naar rust, maar ook naar de waarachtige spiritualiteit,
waar hij jaren eerder bij een retraite al zo van onder de indruk was geraakt.
De indrukken bij zijn eerste aanwezigheid bij de avonddienst in de rustieke
kleine kapel bezorgden hem kippenvel. Wat wil je, als je onverwacht in een
kleine overvolle kapel gedoopt wordt met de klanken van een overtuigde, sonore
en harmonieuze vierstemmige samenzang, dan moet dat op zo’n gevoelige baas als
hij ook wel een diepe indruk maken. Toen wist hij ook, wat er verder ook zou
gaan gebeuren: “hier ben ik nu tot in mijn diepste wezen geraakt”.
Ook Rie
had ervaren hoezeer de rust en de ordening van het leven in de HB hem goed
deden en had daarom uit volle overtuiging met hem de stap naar de HB gezet. Ze
wilde ook niet wachten tot de afkeuringsprocedure was afgerond en definitief
duidelijk zou zijn geworden waar ze aan toe waren. Ze moesten nu “door de rode
zee heen” voluit kiezen voor leven, vond ze, en leven was er in het Utrechtse
voor hen niet meer te vinden. Financiële zekerheid was zeker belangrijk, maar
kwam voorlopig op de tweede plaats, en zij was er ook nog, vond ze. Ook zij
mocht bovendien ervaren dat ze zich in het sociale en spirituele klimaat van de
HB heel goed thuis voelde. Ze ging gretig in op de mogelijkheden die haar daar
geboden werden en ze bleek binnen die setting ook uitstekend inzetbaar. Al gauw
werd duidelijk dat ze zou gaan toegroeien naar een verantwoordelijke plek.
<En
nu zit jij aan Rie je toekomstplannen voor te houden, alsof het een lekkere worst
is. Wat heeft dat nou voor zin man? Wil je indruk maken? Wil je haar laten
voelen hoe goed je bent; dat ze wel helemaal gek moet zijn geweest om bij je
weg te gaan? Of is het zo dat je nog hunkert naar haar bevestiging? Ja,
inderdaad, geef maar toe, je zou het wat graag uit haar mond horen: ”Adrie,
jongen, wat goed van je, je hebt groot gelijk, en ik sta zoals altijd achter
je, en ik wil je. Ik snap toch dat je je nuttig wil maken, en dat je opnieuw
met je creatieve mogelijkheden aan de slag wil.>
<Ja, ik weet het, zo wàs het,
maar ook zij heeft haar magie verloren. Vroeger zou ik zou haar onmiddellijk
omhelsd hebben; begerig en driftig zou ik haar gekust hebben, tot we er buiten
adem van waren. Ik proef nu nog haar speeksel en ik ruik nog de geur van haar
nabijheid. Ze kon vroeger ook zo zweterig van verlangen zijn.>
<Oké, leuk allemaal, maar dat
is voorbij; dat zal ook nooit meer terug komen.>
“Ik wil
het liefst naar Thorn terugkomen”, zegt ze plompverloren, mij uit mijn
gedachtenstroom terugroepend.
<Oh,
daar heb je het. Godsamme, zou ze dan nu ook nog mijn huisje willen inpikken?
Nog meer strijd? De schrik slaat me om het hart.>
“Is dat
niet te moeilijk voor je?” vraag ik droogjes.
Ze
antwoordt vlot ontkennend, en ik weet het; het klopt. Ze is sociaal ijzersterk
en welke vrouw zou haar veroordelen? Wat wil je, vrouwen zijn altijd onder
elkaar met hun baarmoedergevoel. Dat is een soort collectief orgaan. In of
buiten de HB, het maakt niet uit. Ze kiezen partij voor elkaar. Als man ben je
zowel de boeman als de lul. Eerst is dat je meest aantrekkelijke onderdeel en
dan wordt je het.
“Je
moet wel weten dat ik hier ronduit verteld heb hoe de vork precies aan de steel
zit: dat je er vandoor bent”, zeg ik dapper.
<Adriaan,
jongen, je beseft blijkbaar nog niet dat je tegenspeelster veel troeven in
handen heeft. En bovendien wie heeft er in feite de eerste stappen naar een
scheiding gezet? Was jij dat eigenlijk zelf niet? Maar ik weet ook, je gunt
haar toch het beste, al heeft zij tenslotte de definitieve stap gezet door
je in de steek te laten.>
<Nee
hoor, ik heb nooit vanuit mezelf aangestuurd op een scheiding, daar ben ik veel
te trouw voor. Maar ik had wel begrepen dat zij het niet meer zag zitten, en
lijdzaam afwachten was mijn eer te na.>
< Je hebt haar niet de
veiligheid en rustige zekerheid kunnen bieden waar ze naar verlangde, en die ze
ook nodig had. Jij had voor haar ook steeds de touwtjes in handen. Ze zei niet
voor niets dat ze zich voelde als “een puppet on a string”; als een
marionet.>
<En dat is nou juist
zo’n onrechtvaardig beeld. “Moet je eens goed luisteren jongens, het is dus nu
allemaal heel duidelijk: Adrie is de grote manipulator van haar leven. En zij,
het arme schaap, had maar naar zijn pijpen te dansen.” Wie gelooft er nu zo
iets? Zij een puppet on a string? Laat me niet lachen zeg. Best mooi gevonden,
maar dan was ik toch zeker “een boksbal in the ring”.
Heb ik immers niet steeds
de kastanjes uit het vuur moeten halen? Oké, vooruit, ik had het geluk en het
voorrecht van een interessante baan. Maar wat moest ik er niet voor doen om me
waar te maken; ja, op eigen kracht, en in stresserende omstandigheden. Maar,
daar had ik haar niet voor nodig. Zij zal overigens na de scheiding van mijn
inzet wel degelijk de vruchten blijven plukken. Dat vindt zij “naar recht en
rede” en maar heel gewoon. Wat zeg ik? Ze vindt zelfs dat ze daar recht op
heeft. Niks dank je wel zeggen, niks dankbaarheid. Zelfrechtvaardiging heeft ze
in overvloed.>
<Ah,
rustig, rustig, wacht nou eens even jij. Ze heeft je toch zeker ook altijd door
dik en dun gesteund, of niet soms? >
<O ja hoor, wel, wel, vertel
eens Muze; we zijn een en al oor.>
<Ahh,
ja, wel, hmm, heeft ze dan niet steeds je handje vast moeten houden? Ja, ja,
zelfs bij je colleges en practica? Wat raar man, dat je daar nooit iets van
gemerkt hebt. Kijk, Adrianus, als ze naast en met jou zoveel voor de kost
gedaan heeft; nou, wat lul je dan? Ze zou eigenlijk meer dan de helft van je
inkomen moeten krijgen, hahahaha!” >
<Hou eens even op ja en maak
daar nou eens geen grapjes over. Daar is dit te belangrijk voor, en te pijnlijk
bovendien al dat gelul over rechten en plichten.>
<Je kunt toch wel snappen
waar zij die zucht om te analyseren naar rechten en plichten vandaan heeft? Jullie zijn opgegroeid in totaal
verschillende milieus. Jij komt uit een arbeidersgezin, met een
arbeiderscultuur. Zij is opgegroeid in een middenstand gezin met een
werkgeverscultuur, in een heel ander klimaat dus. Nee, ho, nou even niet kwaad
worden. Zo is het nou eenmaal. Bij haar thuis stond alles in dienst van de
eigen zaak aan huis; de wasserij.>
De zaak
was een soort kapstok voor hun normen en waarden. Eigenlijk ergens nogal
zielig. Ze moesten de vuile was doen van menig arbeidersgezin, maar dat deed er
voor hen niet toe. Ze waren zelfstandig en hadden niemand boven zich; behalve
dan OnzeLievenHeer. Dat was minstens voor haar Vader een belangrijke waarde.
Het hele huiselijke gebeuren was eraan opgehangen, maar was er ook door
gekleurd en getekend; gevormd en ja, hier en daar ook wel een beetje misvormd.
Hoe dan ook, haar vader was dan toch maar een zelfstandige, een vrije
ondernemer, al was hij met handen en voeten gebonden en had hij in feite geen
greintje vrijheid. Hij had zich met die wasserij eigenhandig de handboeien om gedaan.
Zijn enige vrijheid was, dat hij er in vrijheid voor gekozen had. De was móest
immers klaar, en de overhemden móesten gestreken. Er was daardoor in het gezin
best ook veel saamhorigheid, maar die droeg wel zwaar de stempel van een eerder
rechtvaardige dan zachtzinnige, van een karaktervolle, rationele,
weledelgestrenge vaderfiguur.
<Ja, haar Vader was zo iemand
die op zondag in de hoogmis met nog een paar notabelen met de collecteschaal
rond mocht gaan en die er als eerste, maar toch in alle bescheidenheid, een
donatie op mocht deponeren, uiteraard geen ordinair muntstuk. Boze tongen
beweren, dat zo’n papieren flapje alleen
diende als stimulans en dat het na de collecte altijd weer terug in de
portefeuille gestoken werd.>
<Je
bent weer eens behoorlijk cynisch aan het doen, hè, klojo. Nee, niks grapje. Je
moet hem niet zo kleineren. Het collecteren was nou eenmaal voorbehouden aan de
notabelen van de parochie, waaronder ook de klein-industriëlen. Dat waren echt
wel belangrijke lui voor de gemeenschap, want die brachten werkgelegenheid.
Ach, ik mocht haar Vader best, en ik weet dat hij ook respect voor mij had:
voor mijn scherpzinnigheid, moed en durf. Ik was in feite ook een kleine
zelfstandige. We hebben met genoegen menige sigaar samen gerookt en menig
cognacje samen gedronken. Ik had met hem al met al een betere band dan met mijn
eigen Pa. Inderdaad, ik heb een Pa en geen Vader zoals zij.>
Haar
Vader stamt uit de Betuwe, dat land tussen Maas en Waal. Hij komt van tussen de
appels en de kersen; van dat land met zijn prachtkleed van bloesems. Dat land
waar meer dan elders de voortdurende afhankelijkheid van de natuur gevoeld
werd, waar de vorst gehaat werd, en waar men een hekel had aan de hongerige,
maar in de ogen van de boeren hebberige spreeuwen; zeg maar van dat “dorp aan
de rivier”. “Goei mense” maar wel gezegend met een op natuurlijk instinct
gebaseerd besef van het Goede en het Kwade; een van “zo is het, zo hoort het en
zo zou het altijd moeten blijven”, want er is nu eenmaal niets aan te doen, en
Hij van boven heeft het zo beschikt. Maar wel de handen uit de mouwen en
aanpakken. Ziek zijn past niet in die mentaliteit; dat zit tussen de oren, was
het motto. Dat kon ook moeilijk anders, want de kersen moesten geplukt, het
brood moest gebakken, de klanten moesten bediend worden en ook thuis moest er
brood op de plank komen, liefst met iets meer dan kersen er op, en oh ja, ook
de was moest nog gedaan en gestreken worden.
Adrie
kreeg met die oerdegelijke ingebakken cultuur van “brood op de plank” en werken
voor de kost als achtergrond af te rekenen met de gevolgen van een
levensbedreigende en diep ingrijpende hyperthyreoidie. Een ziekte die leidt tot
een totale overactiviteit, zowel lichamelijk als psychisch en die een enorme
aanslag pleegt op je lichamelijke conditie, je psychisch welzijn, en zelfs op
je sociale functioneren als mens. Helaas heeft dus in feite zijn hele gezin
daaronder te lijden gehad.
Adrie
moet daar al sinds zijn pubertijd aan geleden hebben. Achteraf bezien is het
onbegrijpelijk dat nooit iemand verband heeft gelegd tussen zijn vaak
overdreven ageren en reageren en een mogelijke schildklieraandoening, ook de
zogenaamde deskundigen niet: noch de huisarts, noch de psycholoog, bij wie hij
wegens overspannenheid op advies van de huisarts in therapie was gegaan. Dat is
opmerkelijk eigenlijk, want de symptomen waren achteraf bezien overduidelijk.
Adrie had een dubbel gevecht te leveren, tegen zichzelf, om zichzelf onder
controle te houden, en met zichzelf om zijn werk naar behoren te doen.
Het was
voor Rie maar moeilijk te accepteren dat haar man met zijn energie en
gezondheid zo kwakkelde. In feite heeft hij er toch van alles voor gedaan om
zicht te krijgen op zijn lichamelijke maar ook geestelijke instabiliteit. Hij
rolde van de ene therapie in de andere, ook voor zichzelf hoe langer hoe meer
een vraagteken. Langzaam maar zeker groeide in hem de overtuiging dat er geen
psychische oorzaak was. Zijn depressieve buien moesten een gevolg zijn en geen
oorzaak. Het heeft echter jaren geduurd voordat Adrie werkelijk door kreeg wat
er aan de hand was. Intussen had al dat getob een enorme impact, natuurlijk ook
financieel. Waar ze het heel goed hadden kunnen hebben, moest er veel van het
inkomen naar de psycholoog, die een waanzinnige bijdrage verlangde per man per
uur zelfs voor een groepsbijeenkomst.
Rie heeft altijd het standpunt gehuldigd, dat
een man zijn mannetje moet staan, en zijn eigen boontjes moet doppen; daar moet
hij zijn vrouw niet bij nodig hebben. Ze zei dat niet zo duidelijk, maar liet
het wel merken. Comfortabel geredeneerd: natuurlijk, ieder zijn job. Ze had
voor zichzelf helder gemaakt dat de klussen in huis voor Adrie waren. Hij moest
maar zien hoe hij het voor mekaar kreeg. Zij deed immers het huishouden. Die
overtuiging kwam haar ook wel goed uit, want zij is gevoelsmatig van nature,
ronduit gezegd, nogal koeltjes. Dat is een familietrek vanuit de Bosch-kant. Ze
kan zich in haar persoonlijke gevoelens maar moeilijk uiten. Ook daarin is het
ieder zijn job. Zij houdt zich graag aan de boekjes waarin de vrouw veelal
wordt afgeschilderd als sexueel passief, maar waarin het klinkt dat zij de man
in het gareel moet houden. Haar vader heeft er haar ook nog eens mee doorkneed:
“Kijk uit, want een man heeft zichzelf niet in de hand, en daarom moet de
vrouw, dus jij, dat doen.” Ze heeft inderdaad nooit enig initiatief ontplooid
om hun intimiteit tot bloei te brengen. Maar om nou te zeggen dat hun sexleven
onbevredigend was, is ook bezijden de waarheid.
Haar
Vader is er later als “natuurmens” indringend achter gekomen wat ziek zijn
betekent, toen zijn vrouw kanker kreeg; ellendig genoeg, aan een eileider, en
dat is echt kwaadaardig. Haar einde kwam na een lange tijd van tobben en
therapieën tenslotte onverwacht snel in zicht. Wat een ellendig einde heeft zij
moeten mee maken, en zijn geloof werd zwaar op de proef gesteld. Moeder Anna
heeft moedig afgezien; die heeft een pijn moeten verdragen, met de dood in
zicht. Haar buik stond strak als een trommel gespannen, letterlijk tot berstens
toe gevuld met kankereiwit en vastgehouden
vocht. Vader deed zijn best om
haar nabij te blijven en troost te bieden. Maar het viel hem zwaar; hij trok
zich met grote schrikogen terug en liet het verder aan zijn kinderen over. Hij
en zij hadden alles al gezegd en hadden
al afscheid van elkaar genomen. Heel anders waren de kinderen. Die
hebben het hele proces bijna onnatuurlijk accepterend en kalm doorstaan, en
hebben haar in het laatste uur figuurlijk de hemel in gejonast. In die laatste
momenten, trok het hele gebeuren zich samen op het gezin, en werden zelfs de
aangetrouwden, waaronder ik, buitenstaander. Het had er overigens de schijn van
dat de aangetrouwden meer onder de indruk van het naderende einde waren dan de
eigen kinderen. Het was onthutsend te zien dat hoe mijn schoonvader zich tegen
het einde zelfs van haar af leek te keren. Was hij bang dat hij het over zou
kunnen krijgen? Ben dan nog maar eens liefhebbend nabij; voor hem blijkbaar een
te grote opgave. Arie vertelde dat hij eens tranen in zijn ogen kreeg van
verontwaardiging toen moeder Annie hem zwak fluisterend had toevertrouwd: “Jij
bent tenminste niet vies van me, hè Adrie”. “O, nee hoor, moeder, Annie”, had
hij geantwoord zich geschokt en verontwaardigd de reikwijdte van haar woorden
realiserend, onderwijl haar spontaan en vol op de mond kussend.
Rie is
doorregen spek van de levenslessen van haar vader. Ook zij kon ziek zijn niet
hanteren. Ziekte bestond niet, die werd ontkend of genegeerd. Ziek zijn
betekende dat je je rug extra moest rechten, en moest doorgaan, dan ging het
vanzelf over. Dat staalde je karakter. Die houding was er bij hun thuis met de
paplepel ingegeven. Vader Wim en het hele gezin in zijn kielzog, kwam daarmee
heel zelfbewust en soms ook wel eens hautain over. Mijn zus kent haar al van de
lagere school, en heeft herhaaldelijk verteld dat ze zich zo gestoord had aan
die air van superioriteit die ze om zich had. Ik kan me daar nu wel iets bij
voorstellen. Maar toch, ik denk dat mijn zus het vreemde andere ook maar
moeilijk kon verwerken.
Rie is een
studiefreak. Ze werkte aan haar eigen universitaire doelstellingen, en ze was
daarvoor veel buitenshuis actief. Tussen de teksten en boeken, maar vooral in
werkgroepen tussen de mensen floreerde ze, en genoot ze ook expliciet waardering;
binnenshuis kreeg ze meer en meer iets van een grijze mus. Het verschil tussen
Rie en Adrie was dan ook markant. Het had er de schijn van dat hij haar
domineerde, maar in werkelijkheid trok zij zich terug op zichzelf, en was zoals
Adrie het aanvoelde, vaak wrokkig en ontevreden. Er waren vaak
meningsverschillen over opvoedkundige kwesties, hoewel zij daarin van hem het
voortouw kreeg. Het was hem wel een doorn in het oog dat ze over actuele
onderwerpen van religieuze, politieke of maatschappelijke aard zo conservatief
kon denken. Zo was zij in het conflict tussen Israel en de Palestijnen
kritiekloos op de hand van de Joden, vreemd eigenlijk want haar Vader was
uitgesproken anti-Joods. Adrie was, uiteraard kun je wel zeggen, een
voorvechter voor de Palestijnse zaak, hoewel hij wel gruwde van het politieke
gestoethaspel. Stof te over om met regelmaat tot fikse discussies te komen.
Discussies die voor hem door haar hardnekkige toch wel aan geborneerdheid
grenzende mededogen voor de naaste vaak een nagel voor zijn doodskist waren.
Onthutsend is haar pleidooi voor Hitler, die ze bij herhaling serieus en met
overtuiging durfde te verdedigen als iemand die toch ook een mens was, en
daarom vergeving en begrip verdiende.
Rie was
geen partij voor zijn scherpzinnige en geladen flux de bouche. Ze
ging wel telkens de discussie met hem aan, maar
moest misschien wel te vaak accepteren dat ze hem niet kon volgen, en
ook niet echt aan de bak kwam. Hij had onvoldoende in de gaten dat het geen zin
heeft om je woede over het onrecht in de wereld te beargumenteren en te
becommentariëren naar je vrouw, temeer omdat je er ondanks al je woordenbrij
toch niets aan kunt veranderen. In dat opzicht waren de vrouwen om hem heen een
beetje wijzer, maar in zijn ogen ook opportunistischer en onverschilliger. Met
vrouwen kun je niet praten, kon je hem wel eens wat bitter horen zeggen; je
kunt er mee samenleven en vrijen, maar als man zinnig met haar praten? Nou nee.
Kort en goed, Rie liet de wereldproblematiek aan hem over en richtte zich op
het leven van dichtbij, de peuterspeelzaal, de parochie, de lagere school,
samen met al die andere moeders. Ze kreeg al gauw de credits van haar
intellectuele vorming en van de vaardigheid waarin ze onder andere in de
discussies met Adrie was gescherpt. Ze kwam er overigens al snel achter dat op
het vlak van de wijk en het dorp in principe dezelfde zaken spelen als op het
politieke toneel van het stadje; en daar kreeg zij het op haar beurt dus
moeilijk mee. Ze was in die setting wel zeer geëngageerd, toonde een hoop inzet
en durf. Adrie liet ze echter niet toe in die besognes, maar die had er ook
geen zin in, uit ervaring wijs geworden. Buitenshuis bloeide ze dus, en ze
oogstte bewondering om haar inzet en standvastigheid; ja, toegegeven, ook van
Adrie. Geen wonder dat ze veel weg was. Hij daarentegen trok zich terug in zijn
stapels literatuur en kwam voor de buitenwacht meer en meer te boek te staan
als een scherpzinnige, maar ook wat dominante, man, die soms ronduit
recalcitrant en ongenietbaar was.
<Ik
wil niet klagen, maar ik had het ook niet gemakkelijk. Ik wist toen nog niet
wat me in mijn lichaam zo “dwars zat”, namelijk een ontregelde en overactieve
schildklier. Nee, nee, hier gold zeker niet “Mijn schild ende Betrouwe”.
Jarenlang heeft dat dwarsliggende orgaan, dat daar achter dat kuiltje onder in
je hals zit, me dwars gezeten met zijn fysiologische instabiliteit. Dat
vertaalde zich in telkens terugkerende perioden van fysieke en mentale
overactiviteit en onevenwichtige prikkelbaarheid, in onverklaarbare spanningen
en in psychisch onbehagen. Die kwetsbaarheid is tenslotte doorgebrand in een
definitieve en permanente hyperfunctie, een blijvende overactiviteit, die me
fysiologisch enorm opjoeg, met uiteindelijk bijna fatale gevolgen. Die
doorwoekerende ziekte had me zo zwaar belast en uitgeput, dat ik, wat
onvermijdelijk was, finaal en totaal instortte en als neveneffect zwaar
depressief werd. Ik moest tenminste tijdelijk de strijd opgeven, ten prooi aan
wanhoop omdat ik het maar niet voor mekaar kon krijgen om redelijk in evenwicht
en ontspannen te leven en te werken. Binnen mijn werk aan de Universiteit
functioneerde ik uiteraard ook al lang niet meer optimaal. Voor mijn
universitaire carrière, die er in het begin zo veelbelovend had uitgezien, ik
was cum laude afgestudeerd, was dat het begin van het einde. Ik geef
onmiddellijk toe dat ook de groeiende onvrede in mezelf over mijn functioneren
daarin nog eens werkte als een vliegwiel. “Aardige jongen hoor, die Adriaan,
heel getalenteerd en zo, zeer te bewonderen om zijn oprechtheid en scherpte, en
te prijzen om zijn inzet en betrokkenheid, maar soms toch ook wel wat moeilijk
als vriend of collega.” Och, ik kon me sociaal en maatschappelijk best wel
invoegen, maar belandde vaak in confrontaties uitgerekend om mijn scherpte en
radicaliteit.
Rie
kreeg, voor zichzelf althans, de bevestiging dat haar visie over mij gegrond
was, bij een onderhoud met psycholoog BernardB. Deze man kwam bij een gesprek
over weer een nieuwe psychische terugval tot de diagnose dat er meer aan de
hand moest zijn, en dat Adrie naar alle waarschijnlijkheid leed aan een
bipolaire reactiestoornis, dus manisch-depressief zou zijn; behept zou zijn met
deze genetisch bepaalde aandoening. Zoo! Als je die aandoening hebt, dan ben je
kenmerkend afwisselend “Himmelhoch jauchzend en buitensporig creatief“ en dan
"zum Tode betrübt en futloos”. Een erg vervelende aandoening met enorme
impact. Als je die diagnose van deskundige zijde over je heen krijgt, dan ben
je wel gezegend, en dan krijg je het voor je kiezen.
Deze
man was er jammer genoeg kennelijk niet van op de hoogte, dat na een depressie
die behandeld wordt met remmers, zoals bij Adrie gebeurd was, bij afbouw van de
behandeling met de remmers, na verloop van een paar maanden als regel een periode
volgt van hypomanie. Dat is een biologisch bepaald overreageren, waarin de
persoon in kwestie wederom, en nu gestuurd vanuit een gedecompenseerd
neurologisch ontregeld gestel overmatig actief wordt. Een conditie die opnieuw
kan leiden tot uitputting, en psychische malaise. Dit leidt dan onvermijdelijk
tot een nieuwe inzinking en een volgende depressie. Daarmee kan de patiënt
jammerlijk in een vicieuze cirkel terecht komen. Adriaan overkwam exact dat. De
oorzaak daarvan is dus decompensatie door het moeten ontwennen van de remmers.
Gebruik daarvan moet daarom heel geleidelijk afgebouwd en zorgvuldig begeleid
worden en meestal gebeurt dat niet. Ook niet in zijn geval. Adrie heeft dat
allemaal zelf leren inzien, heeft uiteindelijk zijn eigen conclusies getrokken
en heeft nu al jaren nergens meer last van. Dat sluit een genetische bepaalde
polaire stemmingswisseling de facto uit.
Maar er is meer. De psycholoog had schandelijk verzuimd Adrie door te verwijzen
naar een internist voor een schildklieronderzoek.
De
manisch-depressieve aandoening staat te boek als erfelijk bepaald en
ongeneeslijk; een ernstige aandoening, me dunkt. Ja, dank u, dank u, ik hoor
het Adrie maar ook zijn kinderen al zeggen. Maar hier zijn oorzaak en gevolg
weer eens door elkaar gestoethaspeld. De stoornis kan hem immers zitten in een
slecht functionerende overgevoelige schildklier, waarvan psychische rust en
stabiliteit als regel een afgeleide zijn. Het is een zekerheid, dat inderdaad
de kwaliteit en stabiliteit van de schildklier genetisch bepaald zijn. Achteraf
is ook heel onthutsend gebleken dat schildklierlijden binnen zijn familie wijd
verbreid is. Zijn zus, die een jaar boven hem kwam, heeft na jaren sukkelen
inmiddels op zijn aanraden ook de schildklier volledig weg laten nemen. Ze is
nu net als hij heel gelukkig met het verkregen resultaat: rust en stabiliteit.
Gelukkig
was Adrie nog altijd zelfbewust genoeg om de konsekwenties van die
diagnostische prietpraat van Bremer & Co niet zo maar te accepteren.
Nochtans werd er ook door Rie, confronterend genoeg, stevig op hem in gepraat
om gehoor te geven aan wat psychoshrink Bremer zei. Ze nam hem dat niet in dank
af trouwens. Maar nogmaals: gelukkig bleef hij trouw aan zichzelf, anders was
hij nu veranderd in een Lithiumzoutpop. Later heeft Adrie volkomen gelijk
gekregen. Hij is nu zo stabiel als een betonnen peiler. De enige konsekwentie
is dat hij dagelijks zijn vaste dosis hormoon moet slikken. Dat hij psychisch
best wat gevoeliger is dan menig ander is daarmee trouwens niet ontkend. Adrie
heeft een hoge zintuiglijke en emotionele gevoeligheid die de grond vormen van
zijn vermogen om intens te kunnen genieten van natuur en cultuur. Menige
droogstoppel, zoals bijvoorbeeld ook Rie vaak was, kon hem daarin niet volgen
en kan daar alleen maar jaloers om zijn.
De
behandeling van schildklierlijden is een van de mooiste triomfen van de
medisch-biologische wetenschap, waar de biologie een hoofdrol in heeft
gespeeld. Niet verwonderlijk dat hij er als bioloog ten slotte zelf achter is
gekomen dat hij met een op hol geslagen schildklier behept was.
De druk
die Rie op mij legde om die diagnose manisch-depressief toch vooral aan te
nemen, kwam destijds bij mij nogal ondermijnend over. Ook zij had met haar
beginnende psychologische vorming beter kunnen weten. Ach, wat stompzinnig
eigenlijk. FC Knudde had mij natuurlijk ook allereerst voor een totale
biomedische check up naar een internist moeten sturen, op de eerste plaats voor
een integraal biologisch schildklieronderzoek. In elk psychologisch handboek
staat dat ook, zo ongeveer op het voorblad; ook in de boeken van Rie. Ik heb
het daar zelf in zien staan. Wat is de zin van boeken als ze niet ingekeken en
niet gelezen worden?
Het is
in feite ongehoord, dat Adrie er tenslotte zelf achter is moeten komen dat hij
leed aan hyperthyreoidie, en sorry hoor, dat is echt om je plaatsvervangend rot
te schamen. Tot zijn geluk is Adrie behept met een scherp en gescherpt,
wetenschappelijk getraind, waarnemingsvermogen en met een onafhankelijke
onderzoekende geest. Anders had hij nooit tot die conclusie kunnen komen, en
dan had hij nu waarschijnlijk al lang onder de groene zoden gelegen, gevloerd
door een hartfibrillatie, onder een bosje bloemen van zijn Rietepetiet, met een
traan om zijn vergane glorie. Want ik zeg het je, zijn hart kreeg het zwaar te
verduren. Onvoorstelbaar, maar hij heeft me eens toevertrouwd, dat hij
verschillende keren ‘s nachts wakker geworden was van de opgefokte onrust in
zijn lijf, en paniekerig tastend naar zijn pols moest vaststellen dat hij in
bed lag met een hartfrequentie van ruw geschat maar liefst 160. Dat is de
frekwentie van een topsporter in de eindsprint. Dat je zo opgejaagd kunt worden
door een ontregelde schildklier meer dan onthutsend.
<Het
hoeft geen betoog dat ik in botsing móest komen met de betweterige
gezondheidscultuur van Rie en de familieB. Zij liet me na dat gesprek met
Bremer in kou staan met mijn “samsara”. Het meest pijnlijk bleek dat later toen
ik na een reeks behandelingen tenslotte een radiotherapie moest ondergaan, die
erop gericht was mijn schildklier, of wat er na de eerdere chirurgische ingreep
nog van restte, totaal te vernietigen. Ik moest na het drinken van een cocktail
radioactief Iodium voor drie dagen de isoleercel in. Dat Rie me daar niet op
kwam zoeken kan ik me nog voorstellen, ik zat tenslotte in quarantaine, maar
dat er zelfs geen telefoontje af kon was voor mij een teleurstelling. Ze liet
het voorkomen dat ze me met rust wilde laten, en ik ben er van overtuigd dat ze
dat ook zelf geloofde. Alsof zij zo’n onruststoker was. Allez! “Weird” zeggen de Engelsen tegen zo’n
houding. Met zo’n instelling ben je niet echt medemens Rie, en zo ben je al
zeker geen vrouw naast me; dat ben je pas als je op de een of andere manier met
eigen inzet de last mee helpt dragen, en daarbij volop aanwezig bent. Dat is
wat anders dan die te ontkennen of te negeren. Je kon een voorbeeld nemen aan
Rita, dat was een echte volwassen vrouw en een waarachtige vriendin. Terwijl de
verpleegsters de met lood afgeschermde deur niet verder open durfden te doen
dan op een kier, uit schrik voor de straling, kwam zij zo maar doodgemoedereerd
langs het kiertje binnen glippen. Vrank en vrij; “Wat? Dat beetje straling?”,
zei ze. “Flauwe kul. En jij dan?” Dat was andere koek, vrouw en trouw door dik
en dun. Die afstandelijkheid van mijn vrouw bij iets wat toch zo ingrijpend was
en me ook behoorlijk aangreep, was fnuikend. In feite was het kasteel van onze
relatie toen al als los zand uiteen aan het vallen.>
<Nu de hyperthyreoidie eenmaal klinisch was
vastgesteld en behandeld, was het predicaat manisch-depressief toch zeker mag
ik hopen wel de wereld uit geholpen? >
<Oh, nee kom aan zeg, zo
naïef ben je niet. Als je dat denkt, dan vergis je je deerlijk; dan heb je
buiten de waard gerekend. De “diagnose” van FC Knudde had zich verlossend in
Rie vastgezet en die zou er niet meer uitgaan. Ik ben er van overtuigd dat ze
nu na zoveel jaren nog stelliger die mening is toegedaan. Waarom? Oh nee, niet
op grond van nieuw feitenmateriaal, maar omdat ze nu afgestudeerd
psychotherapeut is, en die weten zoiets nu eenmaal beter. Die “diagnose” komt
haar ook wel erg voordelig uit. Ze had daarmee immers een instrument in handen
om mij in te kaderen tot een: “arme Rie toch, je zou er maar mee moeten leven”.
Ik was nu een verklaard geval, waar je eigenlijk geen gelijkwaardige relatie
mee kón hebben: “Adrie moest ontzien
worden en met verstand en begrip, ja, eigenlijk professioneel, benaderd worden.
Vooral geen te hoge verwachtingen van hem hebben.
<Ho, ho, wacht, was
je emotioneel dan zo labiel? Was je agressief of zo? Ik ken je zo in elk geval
niet. Ik vind je wel vaak scherp, soms ook driftig, vooral als je op een van je
stokpaardjes zit en uiterst betrokken, maar agressief? Nee, zelden. Maar weet
je, tussen de luiers valt de pamper behoorlijk op.>
<Voor
sommigen, en ik denk o.a. voor Rie was jouw manier van doen soms wel degelijk
verontrustend. Jouw karaktereigenschappen, gecombineerd met een bovenmodale
intelligentie, plus nogal wat creatieve geldingsdrang vormen werkelijk een
indringende mix. Hartstikke jammer van al dat potentieel, Adrie, maar er was en
is weinig aan te doen. Rie en jij zaten samen op de wip, maar zij ging alsmaar
omhoog en jij ging omlaag; zij voelde zich als een vis in het water en jij lag op
apegapen op het droge.>
<Weet
je wat in die hele ellendige ziektegeschiedenis voor mij het ergste was? De
niet aflatende gedachtenstroom in mijn geest. Je kunt je moeilijk voorstellen
wat het betekent als je meteen `smorgens, als je wakker wordt, door de reacties
van je partner moet constateren dat je geest kennelijk al weer op het circuit
van Zandfoort rondraast; als je de dag door voortdurend aan het analyseren
bent, loopt te redeneren, te wikken en te wegen. Mijn omgeving kreeg net zo min rust als ikzelf, en raakte net als
ik opgejut en opgejaagd. Ja achteraf bezien is het allemaal wel te begrijpen.
Ik liet me ook weinig of niets gezeggen, had overal een scherpe, flitsende
reactie op, en overstelpte iedereen met een niet aflatende flux de bouche. Nee,
Rie was toen al zeker niet tegen me opgewassen. Ik denk dat ze er zelfs vaak
ongelukkig onder was dat ze geen passend antwoord op mij had. Ik moet dat maar
eens onder ogen zien.
Ik heb
laatst een fotonegatief ingescand, van een opname op een familiefeest. Tot mijn
verrassing zie ik dat Rie die toevallig close in beeld is, loopt te huilen. Ze
voelt zich overduidelijk niet thuis. De foto laat zien dat voor haar het
verschil in milieu tussen onze families te groot is. Dat was eigenlijk haar
persoonlijke drama: ik kon haar niet bieden wat ze nodig had. En ik van mijn
kant was teleurgesteld dat ze als vrouw niet present was. Nee, ze hoefde heus
mijn handje niet vast te komen houden, maar een blijk van waardering met een
spontane hartelijke knuffel als uiting van “ik zie je graag”, zou zeer welkom
zijn geweest. Welke man is daar niet gevoelig voor? Ik ben uiteindelijk tot de
slotsom gekomen dat ze het doodgewoon niet in zich had. Dat zal ook wel
kloppen, al weet ik niet of ze naar anderen wel meer haar gevoel kon uiten. Ik
denk echter dat het gewoon haar natuur is. Misschien heeft ze ook wel een of
andere botterik nodig, iemand die zich niet constant af loopt te vragen of zijn
vrouw wel aan haar trekken komt. Misschien was een “eeuwig zingen de bossen”
figuur, of een Betuwe-kersenjam protagonist met kippenstront onder zijn
klompen voor haar beter geweest?
In mijn beleving is Rie altijd wat koeltjes
geweest. Misschien met uitzondering van de eerste paar keer dat we vrijden, ah,
ja, toen in mijn studentenbed. Toen heeft ze volgens mij ook van ons samenzijn
kunnen genieten. Dat was dan tevens ook de laatste keer, op één na, om precies
te zijn. Dat ik haar die vreugdevolle ontlading niet kon geven, was voor mij
behoorlijk teleurstellend, en moet voor haar lichamelijk een ware belasting
zijn geweest. Als je niet klaar kunt komen dan blijven je organen aandringen,
strevend naar verlossing. Ik voelde me tekortschieten en ik begon daarover te
piekeren. Het heeft me moeite gekost om dat tenslotte maar te accepteren. Ik kon
er ook niets aan doen. Ik heb me ermee verzoend, en besloot maar gewoon door te
leven. Ik ben er zeker van dat ze om de een of andere reden emotioneel geremd
is. Misschien was ik toch niet de prins van haar dromen? Ik heb nooit zeker geweten of haar ook echt
iets dwars zat. Dat emotioneel geremde zit ook immers ook wel in haar familie,
met name in de Bosch kant: dat zijn allemaal wat koele, starre, bleekscheterige
en vooral ook berekende mensen, met kleinbankier broer Piet voorop: lieden met
een rechte rug, maar ook met een winderige dikke darm; mensen met vierkante
koppen, plichtsgetrouw, en vooral traditiegevoelig. Dat het dus niet
noodzakelijk met mij te maken moest hebben was een opluchtende gedachte.>
<Het
klopt wat je zegt. Ze vond jouw behoefte aan knuffelen eigenlijk maar
kinderspel. Ze verwachtte van je dat je er als man zou staan, nee niet zoals je
penis, die stond er vaak genoeg en overtuigend rechtop, maar zoals haar vader.
Dat knuffelen kon dan ook nog wel ergens een plek krijgen, maar dat was voor
haar na de eerste paar jaar van huwelijksleven zeker geen hoofdzaak meer.
Haar
vader is voor haar misschien wel altijd nummer een gebleven. Die positie had
hij sowieso in zijn gezin. En tot op hoge leeftijd wilde hij als een echt
haantje de voorste alle aandacht.>
<Hij
kon die positie ook maar moeilijk afgeven, zoals onthutsend is gebleken op onze
trouwdag. Is het niet een charmante gewoonte dat ter opening van de feestavond,
bruid en bruidegom de dans openen en dat de bruidegom zijn bruid ten dans voert?
Overal toch zeker. Oh ja, hier niet dus. Het was eigenlijk choquerend om te
zien.>
<
Inderdaad, te gek om los te lopen: jij gaat als bruidegom, naar je kersverse
vrouw toe om haar ten dans te vragen, en wie snelt er je voorbij en kaapt als
het ware de bruid voor je neus weg? Juist, godvaderB. Ik zie hem mij
voorbijschieten en werkelijk, ik ben perplex. Het meest confronterende voor mij
was nog om te zien hoe Rie zich direct vol overgave op hem richtte, en met hem
mijn dans danste. Mijn hemel, daar sta ik dan. Hoe kon ik dit over mijn kant
laten gaan?>
<Nee, dat kon jij ook niet.
Je bent nu eenmaal geen watje. Je voelde je verneukt, hoewel dat misschien wel
wat overdreven was. Maar, oké, je kon het niet opbrengen om te blijven staan
wachten tot het hem behaagde zijn dochter eens los te laten, en tot het haar
behaagde om eindelijk eens naar jou te kijken. Maar alles wat je deed in die
situatie zou verkeerd zijn geweest, en dat ligt niet aan jou. Je had hem na een
paar walsrondjes op zijn schouder kunnen tikken en zeggen, “mag ik nu eindelijk
mijn eens vrouw terug?” Dat was sterk geweest, en dan was je ook echt de
situatie meester gebleven. In elk geval zou dat wel wat charmanter zijn geweest
ten opzichte van je kersverse vrouw. Wat jij toen niet door had, was dat zijn
dochter enorm veel voor hem betekende, en daar ging jij nu mee aan de haal.
Voor hem was het een soort afscheidsritueel. Niet hij, maar jij had haar
weggekaapt. En vertel Muze, wat had jij al helemaal gedaan om haar zover te
krijgen? Vrijwel niets. Zij was voor jou een volbloed geschenk uit de hemel,
waar je dankbaar voor mocht zijn. En was je dat? Nou, wees eens eerlijk.
Je
reageerde, in een reflex, flitsend en direct, eigenlijk zonder gevoel voor haar
en zonder respect voor haar Vader, en je draaide door naar Marij, de vrouw van
je studievriend, om haar ten dans te vragen, alsof je duidelijk wilde maken dat
er meer te koop was. Oei, man, je wist goed wat je deed. Dat was hard tegen het
zere been. En je wist het, want je ego was als een TGV op topsnelheid. Even
langzaam terugdraaien? Je wist dat het niet zo boterde tussen die twee. Je
bruid Rie kon gewoon niet met haar overweg. Was ze beducht voor haar of was ze
om de een of andere reden jaloers op haar? In elk geval, het zijn twee heel
verschillende karakters. Als er jaloezie in het spel was, dan werd die nu in de
spanning van het moment in elk geval op scherp gezet en de verzamelde gasten
hielden voelbaar de adem in; alsof er een emotionele implosie had plaats
gevonden.>
<Dit
was werkelijk een vreemd begin voor een goed huwelijk. Wat een verrukkelijk
intiem moment had kunnen zijn, werd een demonstratie van trots en eigenwaan.
Jij voelde je te kijk gezet, terecht of niet, en daar kon je weinig aan doen.
Je hebt het ook nooit kunnen vergeten, daarvoor had het te veel indruk op je
gemaakt. Maar, je hebt het háár ook nooit kunnen vergeven. Je bent er overheen
gestapt, dat wel. Maar hoe kun je ook iets vergeven wat een karaktertrek is:
een vaderskindje te zijn. Je had het maar gewoon te accepteren. Leefden jullie
eigenlijk niet al vanaf het allereerste begin langs elkaar heen? Als waren
jullie twee potten snoepgoed in een kruidenierszaak, zo een van vroeger, met
allerlei soorten snoepgoed mooi apart in van die grote glazen potten; stonden
wij zo netjes op orde naast elkaar op de plank? Ah, dat snoepgoed zag er best
lekker uit hoor, met een mooi papiertje erom; en lekker waren ze, maar wel
slecht voor je tanden.>
Een
totaal engagement met de HB was voor Adrie niet weggelegd. Voor Rie wel, maar
voor hem niet. Hij had teveel in zich van Goldmund uit dat prachtige en wijze
boek Narziss en Goldmund, van Herman Hesse. Voor zo’n stap moest hij te veel
van zijn eigenheid inleveren. Hij was en is nou eenmaal te zeer gewend om
zelfstandig zijn leven in te richten en zijn eigen boontjes te doppen.
Hij
wilde opnieuw wat opbouwen en zich waar maken. Alleen maar meelopen, dat kon
hij niet opbrengen. Hij moest ruimte kunnen geven aan zijn eigen creativiteit,
daarin verantwoordelijkheid kunnen dragen; niet om met afgodsbeelden bezig te
zijn, maar om nieuwe beelden te scheppen. Zijn verlangen naar kunstzinnig bezig
zijn, wat opgeborgen was gebleven in de diepte van zijn persoonlijkheid, begon
zich te manifesteren. Op zich een goed teken, al had hij daarin een hele weg te
gaan. Eerst en vooral was het voor hem
een levensvoorwaarde om zijn zelfrespect en de waardering van zijn omgeving te
herwinnen. Daarom keek hij uit naar een mogelijkheid om zich als vrijwilliger
in te gaan zetten, naast zijn beschikbaarheid voor de HB. Dat die twee
intenties elkaar zouden kunnen gaan bijten, moest hij maar voor lief nemen. Hij
kon alleen als vrijwilliger aan de slag gaan, om elk risico van een herkeuring
te vermijden. De Universiteit had hem wel beloofd dat er in geen geval nog een herkeuring
zou komen, maar de tijden waren veranderd. Mensen die in de WAO “zaten”, werden
scheef aangekeken. Waren dat geen profiteurs? Feit was dat door de
bezuinigingsdrift van mensen als Elco Brinkman, er een hervormingsklimaat
ontstond waarin mensen met een uitkering het ergste te vrezen hadden. Dat was
een tijd waarop Adrie gespannen en bezorgd het nieuws volgde. Nada, de
eindverantwoordelijke van de HB, had nog zo’n mooie plannen gekoesterd voor met
hem: een opleiding kerkelijke journalistiek in Brussel. Ze vertelde het hem
toen ze gezellig bij elkaar zaten op het riante terras op de Wijngaard. De
toekomst zag er even heel rooskleurig uit. Wat een kans! Adrie voelde zich
helemaal open gaan toen ze met haar voorstel voor de dag kwam. Precies in de
roos, want hij wilde eigenlijk niets liever dan op dat nivo aan het werk gaan.
Na de eerste euforie daar op het terras, lekker in de zon, drong langzaam de
realiteit door. Kon je wel beginnen aan zoiets als je volledig afgekeurd was?
Was dat niet te hoog gegrepen? En, wat hield de status van afgekeurd zijn
eigenlijk precies in? Sloeg dat alleen op zijn verantwoordelijke functie aan de
Universiteit, of lagen de implicaties veel breder. Een opleiding kon bovendien
in principe alleen met instemming van het ABP. Het idee van Nada was dan wel
buitengewoon aantrekkelijk, echt een tweede kans, maar zou een hoop onzekerheid
met zich mee brengen en mogelijk ten koste gaan van hun financiële zekerheid.
Het ABP zou het ongetwijfeld goed vinden, maar zou mogelijk een herkeuring
verlangen, die zou kunnen leiden tot aanpassing van de invaliditeitsuitkering.
Kon Rie dan misschien voor inkomen gaan zorgen? Ah jawel, op termijn
ongetwijfeld, maar zij kon vooralsnog niet meer dan een fractie inbrengen van
wat ze nu hadden en ook nodig dachten te hebben. Dus, exit Brussel; er bleef
dus toch alleen over vrijwilligerswerk te gaan doen. Dat was een veilige en ook
eerlijke weg. Adrie voelde zich daarmee ook volkomen in zijn recht staan, want
hem was immers toegezegd dat hij blijvend invaliditeitspensioen zou krijgen en
ook niet meer herkeurd zou gaan worden. Later bleek die toezegging een wassen
neus. Het was destijds namelijk nog niet doorgedrongen dat de universiteit
daarover in feite geen snars te vertellen had. Dat zou later wel heel pijnlijk
gaan blijken.
Een
vrijwillig engagement op het bejaardenhuis in het dorp was een voor de hand
liggende optie. Adrie had aan zijn eigen ouders kunnen zien hoe groot de nood
kan zijn onder bejaarden, lichamelijk, en vooral ook geestelijk. Velen waren
alleen komen te staan, door overlijden van hun partner, waar ze jaren en jaren
mee geleefd hadden. Maar niet zelden ook omdat er in de relatie dusdanige
spanningen ontstaan dat ze niet bij elkaar kunnen blijven, soms veroorzaakt
door dementie. Een noodoplossing en een ramp natuurlijk. Dan snakken ze pas
echt naar een vriendelijk woord en een hartelijk gesprek. Adrie zag dat ook als
kerkopbouw, en wilde aansluiting zoeken bij het parochiële welzijnswerk. Het
was natuurlijk niet precies in de lijn van de HB, maar Adrie had de openheid
van een parochieel engagement broodnodig.
Er was
er een die deze ontwikkelingen met argusogen volgde, bang voor initiatieven die
niet strookten met de bedoeling van de verhuizing, en ook wel bang dat het
opnieuw mis zou gaan lopen. Ja, Rie kijk maar goed. De vraag was inderdaad of
Adrie als hoog gekwalificeerde op een plek zou kunnen komen die voor hem
bevredigend was. Hij moest minstens ook het gevoel hebben dat zijn inzet zin
had. Elke ontwikkeling moest tegemoet komen aan zijn behoefte aan
zelfwaardering. Geen zoethoudertjes, en geen bezigheidstherapie. Liever geen
werkbladvulling om mij, net als de weekend gasten maar bezig te houden in de
werkpeiler van het samenleven. Het was echter wel duidelijk dat Adrie zich
sowieso gigantisch aan zou moeten passen. En daar begon een ware zwerftocht.
Zeker,
verstandelijk wist hij echt wel dat het bepaald niet dienstig zou zijn voor
zijn psychisch welzijn, als hij zijn gevoel voor eigenwaarde zou gaan afmeten
aan maatschappelijk succes en aanzien. Dat was echter een theoretisch,
verstandelijk weten. De praktijk werkt anders, daar heb je ook met gevoelens te
maken. Je kunt je misschien voorstellen hoe hij zich voelde als er op de
tekenclub tijdens de pauze door de mannen gepraat werd over hun werk, en over
de inzet die dat vroeg. Zijn tekenvaardigheid kon dan bewondering afdwingen, en
wel wat tegenwicht bieden, maar dat zette geen zoden aan de dijk. In de
werkelijkheid van alle dag knaagde het gevoel van tekort schieten voortdurend
aan zijn zelfzekerheid. Op de vraag of hij misschien echt arbeidsongeschikt was
kreeg had hij nooit eenduidig antwoord gekregen. In elk geval was het duidelijk
dat hij na deze totale inzinking zijn taken als hoofdmedewerker aan de
Universiteit, en ik schrijf het in vol ornaat neer, in de in toenemende mate
stresserende omstandigheden van de werkgroep, niet langer kon vervullen. Maar
hoever die arbeidsongeschiktheid verder reikte moest hij zelf uit eigen
ervaring in het hier en nu maar zien uit te knobbelen. Zonneklaar was dat hij
een heleboel kon, maar kon hij dat ook in arbeidsomstandigheden waarmaken met
een chagrijnige baas boven zich bijvoorbeeld? Een functie met autonomie en
zelfstandigheid was na zijn ziekte, mede gelet op zijn leeftijd, onhaalbaar
geworden. En dus bleef de twijfel knagen. Hij was en bleef een vrijwilliger,
iemand die bijspringt, als hij daartoe geroepen wordt. Adrie werd gewaardeerd
om zijn soepele natuurlijke omgang met de mensen, zijn inzet èn zijn inzicht.
Maar het was niet gauw goed genoeg voor hem. Hij had honger naar meer. Ja, hij,
eerzuchtig ventje, kon maar moeilijk verkroppen, dat hij geen baan meer had met
eigen verantwoordelijkheid, en ook nooit meer zou krijgen ook. Voor menigeen en
eigenlijk ook voor hemzelf was dat niet “werken” gevoelsmatig synoniem met klaplopen. Je zou
zeggen dat hij toch alle tijd aan zichzelf had en kon doen wat hij wou. Mooi
niet dus. Hij had naast het vrijwilliger zijn maar weinig ruimte. Kon hij zijn
uitkering op het spel zetten voor een onzeker avontuur? Er waren mensen van hem
afhankelijk. Rie zou dat zeker niet zomaar accepteren. Ze heeft zelfs overwogen
om hem via het ABP de wacht aan te zeggen.
Het
werd een repeterende breuk: dat “hoe kan ik me nog waar maken?” In de HB zag
hij eigenlijk geen mogelijkheden. De verantwoordelijke plekken waren bezet door
religieuzen en nieuwkomers die zich totaal hadden weten te engageren. Hij kon
ook niet zo maar gaan meedraaien binnen wat er allemaal al gaande was. Op het
kantoor gaan werken? Waaraan dan? Nee, hij zou eerst zijn sporen van
betrouwbaarheid moeten verdienen.
Nada
moet erg met hem begaan zijn geweest; iemand met zoveel mogelijkheden als hij
moet toch inzetbaar zijn. Zij heeft hem best goed begrepen en ze wilde hem met
een reële taak terug in het zadel helpen. Haar idee om hem te vragen een boek
over het Judaïsme vanuit het Frans te vertalen, was een geniale ingeving. Hij
heeft het met graagte en met beide handen aangepakt. Het was een taak waarin
niet alleen zijn intellectuele vermogens maar ook zijn creatieve mogelijkheden
aangesproken konden worden. Het Frans is bovendien zijn lievelingstaal. Het
boekje staat ook nog eens vol met aardige stripachtige tekeningen van de hand
van de auteur zelf. Kortom het vormde vanuit verschillende invalshoeken een
buitengewoon positieve opzet; het enthousiasmeerde hem enorm en alleen al
daarom was het idee geslaagd. Voorlopig kon hij zich daarop uitleven. Leefde
Nada nu nog maar, dan kon hij haar alsnog eens uitvoerig bedanken. Dat zou haar
goed gedaan hebben. Zij kon tussen die dominante, verschraalde paters en
zusters af en toe ook best wel een warme spirituele knuffel gebruiken.
Dominante religieuzen? Ja zeker. Verschillende onder hen voelden zich
buitensporig verantwoordelijk, kickten daar ook op, voelden zich eigenlijk ook
wel wat verheven boven het gewone volk, omdat ze toch maar leefden volgens hun
roeping en wijding. Dat ze dat laatste
nu lekker veilig onder de warme vleugels van Nada waar konden maken,
werd gemakkelijk vergeten.
Maar
met al haar bonhomie kon Nada ook realistisch en scherp zijn. Ze had het niet
zo op die zustersmentaliteit van toegewijd beter weten. Zo sprak ze eens naar
Adrie haar bedenkingen uit over de
atmosfeer die ze vermoedde onder dat lichaamsbedekkende kleed, dat ze vroeger
toch de hele dag droegen. “Dat moest toch wel een weeë zure lucht zijn geweest,
daaronder”, veronderstelde ze retorisch en bloedserieus, onderwijl hem
onderzoekend aankijkend. Adrie ook niet voor de poes antwoordde dat hij dat
niet kon beamen; het was te lang geleden dat hij daar nog onder gezeten had.
Feit is dat er besmuikt gelachen werd. Nada was me er eentje. Met haar had het
best iets kunnen worden; Adrie mocht haar, en dat was wederkerig. Ze zijn
elkaar te weinig tegengekomen om echt in gesprek te kunnen komen en elkaar
werkelijk te leren kennen. Nu moest ze het zien te stellen met armzalige
AntoineBodar-aftreksels.
Adrie
nam de vertaalhandschoen met graagte op en heeft tot verwondering en
bewondering van de kantoormedewerkers, met voorbeeldige ijver, tekst en
tekeningen integraal overgezet in een Nederlandse bewerking: de tekst vertaald,
de tekeningen opnieuw gemaakt en vaak ook enigermate naar zijn eigen hand
gezet. We moeten onze Adri eens vragen hoe het daar nu mee staat en of er niet
toch een publicatie kan volgen. Er is namelijk nadat het werk klaar was nooit
verder iets mee gedaan. Nada voelde zich daar destijds ongemakkelijk over, maar
toch heeft hij haar met begrip voor haar positie, verzekerd dat het goed was en
zeker geen verspilde energie. Ze was hem werkelijk dankbaar, toen Adrie
opmerkte hoezeer hij ook van het werk genoten had. Deze klus had bovendien als
belangrijk maar zeer welkom neveneffect dat het hem naar zijn zeggen enorm had
gestimuleerd. Het wekte het verlangen in hem om met zijn kunstzinnige vaardigheid,
echt wel een talent, eens iets serieus te gaan doen. HB-kunst produceren? Veel
later zijn ze dat daar ook gaan doen, in het voetspoor van de geestelijke
broederschap in Taisé (Frankrijk).
Toen
kwam er die ware cultuurshock. Adri assisteerde bij een van de frekwente
verhuizingen binnen de HB. Zuster Els trof hem aan toen hij in de gang van een
nieuw aangekocht bestaand pand verbijsterd naar een kinderportretje stond te
staren, dat de vorige bewoner van het huis, kunstschilder en begenadigd
portrettist Frans van den Berg, zoals veel later bleek, had laten hangen. Adrie
was zwaar onder de indruk. Onvoorstelbaar dat hij dit zomaar achter gelaten
had. Dit prachtige olieverf schilderijtje, met zijn sprekende stil-makende
uitdrukking, was nog niet meer dan een onderschildering, maar volgens Adrie
werkelijk een aansprekend en teder kunstwerk. Het zou nooit mooier kunnen
worden dan het nu al was. Oh, wat zou hij dat schilderij graag meegenomen
hebben, maar niks hoor, geen kans, het moest daar blijven hangen als een
eerbetoon aan de maker en vorige bewoner. Er restte hem niets anders dan het
schilderijtje voor de toekomstige gastvrouw van dit huis, van alle kanten toe
te lichten en de schoonheid ervan te bejubelen, tot hij de verzekering had
gekregen dat het niet door de een of andere minkukel per ongeluk op de
vuilnisbelt terecht zou komen. Het bleef inderdaad daar hangen, maar Adrie
heeft het al spoedig uit het oog verloren. Het zal toch wel ergens privé
terecht gekomen zijn, vermoedelijk bij Els, iemand met een kustzinnig hart.
Waar het nu is, mag Joost weten. Els is inmiddels overleden, en het huis is na
een paar jaar alweer verkocht.
In het apart gelegen atelier achter in de tuin
stonden nog veel meer doeken. Wat had de maker bezield, hij leek wel hals over kop
vertrokken te zijn. Adrie zou er later uitvoerig over geïnformeerd worden, want
hij en Frans waren voorbestemd om elkaar een paar jaar later te ontmoeten.
Uitgerekend op het bejaardenhuis, waar hij was gaan vrijwilligen, en waar Frans
met zijn Truuke een aanleunwoning had betrokken. Hoe merkwaardig kunnen de
draden van het lot dooreen geweven zijn.
Frans
is een paar jaar later aan zijn eind gekomen als gevolg van een opengebarsten
aneurisma in de aorta, vlak bij het hart. Hij zat nota bene gezeten voor het
buro bij de specialist in het ziekenhuis zijn verhaal te doen toen hem dat
gebeurde. Hup, daar ging hij. Hulp kon niet meer baten. Daar waren echter een
aantal jaren van intens contact tussen Adrie en Frans aan voorafgegaan, in een
soort haat/liefde relatie. Wat wil je: twee gevoelige mensen, alletwee
getalenteerd. Ja, ik zeg het maar ronduit. Adrie had een hoop van Frans geleerd
en er had nog veel meer kunnen gebeuren.
Ik was
op bezoek bij een van mijn kennissen toen ik het hoorde: “Frans van de Berg is
ook terug, weet je dat?” Mijn verrassing was overduidelijk. Ik was dat
schilderijtje nooit vergeten, en ik moest hem gaan opzoeken. Dat was een paar
jaar na het voorval met het schilderijtje.
Ik wist niets van de lotgevallen van Frans.
Nou ik kwam erachter, die waren dramatisch te noemen. Hem was door de
gemeentesecretaris van Thorn de toegang tot nota bene zijn eigenste “Portret
van Thorn”, ontzegd; een naar zijn ideeën gemaakte grote maquette, precies op
schaal van de Thoearse binnenstad. Zo’n project is alleen aan te pakken, vol te
houden en tot een goed einde te brengen als je echt van zo’n stadje als Thorn
houdt, en dat deed hij. Voor hem was hij bezig met een portret van een
geliefde. Frans, toch al niet gemakkelijk in zijn ijver voor het volmaakte, had
zich vervelend uitgelaten over de naamsverandering van “Portret van Thorn” naar
“Panorama van Thorn”. Dat klonk in de oren van een bureaucratische minkukel op
het stadskantoor toeristisch beter, natuurlijk denkend aan het Panorama Mesdag.
De heftige protesten van Frans, een begenadigd portrettist, leidden tenslotte
tot zijn verbanning; hij mocht niet meer bij zijn eigen kunstwerk. Zo, dat was
dus de reden voor zijn “overhaaste” ongetwijfeld ziedende vertrek. Dat kun je
wel nagaan. Nu is hij terug, en ik wil hem ontmoeten. Een gedenkwaardig bezoek
zou dat worden. Het begin van een gecompliceerde haat/liefde verhouding op
basis van zijn creativiteit en kunstzinnigheid en mijn hunkering naar
inspiratie door een meester.
Toen
eenmaal het vertaalproject voltooid was, was er op het kantoor geen werk meer.
Er waren er daar toch al te veel, en de kans was groot dat Adrie er met zijn
werktempo met glans nog een paar uit zou werken. Dat was de bedoeling niet
natuurlijk. Daarom werd Adrie uitgenodigd om in de TD te gaan werken en
onderhoudswerkjes te gaan doen. Er was altijd wel wat zinnigs te doen, en
bovendien was het er gezellig werken, want je kwam als TD-er in alle huizen en
je was uiteraard atijd meer dan welkom. Hij was bovendien de enige die in Thorn
voor de TD beschikbaar was en hij is er handig genoeg voor. Met daarnaast zijn
bezigheden op het bejaardenhuis had Adrie een welbestede weekinvulling. Was het
maar zo rustig gebleven.
In zijn
zucht naar compensatie en vervulling deed hij heel begrijpelijk, maar ook
jammer genoeg wat te verwachten was: hij trok te veel naar zich toe,
manifesteerde zich vaak te nadrukkelijk en had voortdurend de neiging om zijn
activiteiten en bemoeienissen uit te breiden. Hij legde overal contacten, ging
samenwerking aan met verschillende instanties, en vond mensen die met hem mee
wilden werken, niet zelden geïmponeerd door zijn enthousiaste flux de bouche.
Feit is, dat hij in zijn "Sturm und Drang" soms ook verantwoordelijke
ambtenaren en andere functionarissen op de tenen ging staan. Desondanks werd
hij best gewaardeerd en door sommigen zelfs bewonderd om zijn dadendrang en
zijn sociale souplesse. Hij werd in elk geval door de dorpelingen gezien als
een gewaardeerde intermediair tussen de HB en de Thornse gemeenschap. Hoe en waar
ging het dan fout? Want fout ging het.
<Het
heeft me moeite gekost om me te realiseren dat ik te zeer geneigd was om mijn
zelfwaardering als mens af te meten aan het maatschappelijk succes in mijn
functioneren. Ik wilde trots kunnen zijn op mijn creatieve prestaties. Dat
maakt je als mens kwetsbaar. Ik begon te beseffen dat ik alleen een redelijk
nivo in wat dan ook zou kunnen bereiken als ik me zou focussen op één doel, en
me daar intensief mee zou gaan bezig houden. Ik had nu teveel opties: kunstbeoefening,
schilderen of beeldhouwen, of fotografie/video. Alleen als ik me zou kunnen
concentreren op één van die opties, zou ik de situatie van mijn
invaliditeitspensioen kunnen vertalen in een reële nieuwe kans. Zo zou ik
wellicht dat gat in mijn identiteitsbeleving kunnen opvullen.
Afbreken
en puin ruimen is één ding, zelfstandig op eigen kracht een nieuw leven
opbouwen is nog wat anders. Maar als mens heb je geen keus, je moet wel. Een
man in de bloei van zijn leven kan niet gaan klaplopen, kan geen genadebrood
gaan eten, kan niet teren op zoethoudertjes in de TD met allerlei overbodige
klussen. Ik zou daarom "va banc"
moeten gaan spelen, echt op mezelf moeten gaan vertrouwen, en rustig,
weloverwogen en beslist op weg moeten gaan.>
<Misschien
had je toch wat beter naar Zr Annunciata moeten luisteren jongen. Die had het
goed met je voor. Ik hoor het haar nog zeggen: “Jij gaat altijd weer alleen
staan”. Dat klopt dus ook wel. Maar dat is op zich ook niet erg, sterker nog,
het is een teken van volwassenheid. Maar jij schoot er in door, en je kwam
daarmee tenslotte in een isolement
terecht.>
<Ja,
oké, maar moest ik dat risico niet
durven lopen? Hoe kun je anders als man ooit slagen en je doel bereiken: iemand
te worden en te zijn. Is dat niet het universele verhaal van de Held, zo mooi
verhaald door Joseph Campbell, mijn grote idool. Ik was zo goed begonnen zoveel
jaren terug. Nu, op het punt van oogsten gekomen, had het noodlot toegeslagen.
Ziekte, tegenslag in mijn onderzoek, reorganisatieperikelen en de daarmee
samenhangende stress en onzekerheid, zelfmoord van mijn oudere zus,
echtscheiding met de financiële perikelen van dien. Stuk voor stuk emotioneel
zwaar belastende ervaringen.>
<Ja,
maar nu is het tijd, jouw tijd, om het verhaal weer eens verder te gaan
schrijven en tot leven te brengen. Ach, het wordt zo prachtig verteld in dat
major epos van de mens “ De Mahabaratha, echte levenswijsheid aangereikt vanuit
het Hindoeïsme. Ik besefte maar al te goed, dat ik over de verslagenheid heen
moest stappen, uit het verborgene tevoorschijn moest komen en het gevecht van
het leven opnieuw moest aangaan, zoals “de Pandava’s” na afloop van hun
ballingschap. Als ik dat niet zou gaan doen, zou ik nooit meer iemand, en zeker
niet mezelf, worden.>
<Je
moet de levenswijsheid van de Mahabaratha wel in zijn geheel tot je laten
doordringen en er niet alleen de dingen uithalen die in je kraam passen. Zeker, je moet je weg
zelf gaan, maar je kunt die queeste alleen tot vervulling brengen, als je onderweg ook alle hulp die zich
aandient kunt toelaten, opnemen, integreren en die weet te gebruiken. Ook dat
heeft Joseph Campbell je toch
voorgehouden; ook dat leert de tocht van Arjuna in de Mahabaratha!
<Oké, maar ik heb
niet alleen met de gasten maar ook met de waard te maken. Dit alles was
namelijk zeer tegen de goesting van Rie. Ik vond met dit alles bij haar geen
gehoor. Daar waren we in haar ogen niet voor gaan verhuizen. Ze wilde zelf ook
niet langer gebonden zijn door mijn pogingen alsnog te slagen; ze wilde ruimte
voor een eigen carrière. Daar stond ik helemaal achter, dat was het punt niet,
maar wel dat ze totaal ongeïnteresseerd was in wat ik dacht en deed. Dat droeg
immers niets bij aan een gezamenlijke toekomst. Wat ook niet bijdroeg was dat
door die houding van een ontspannen sfeer geen sprake meer was. Integendeel, er
groeide spanning tussen ons en naarmate zij stelliger werd, werd ik in wezen
onzekerder. Tot mijn eigen irritatie durfde ik nog geen beslissing meer te
nemen over iets onbenulligs als de
aankoop van een fiets. Ik voelde me als het ware opnieuw afgekeurd, en nu door
haar. Oude herinneringen kwamen met volle kracht terug en nu met de lading van
een ontevreden vrouw. Dat was pittig, we hadden naast elkaar moeten kunnen
opstomen. In plaats van elkaars steunpilaar werden we elkaars concurrenten.>
<Voor
jou voldoende reden om te beseffen dat je zo zoetjes aan de kneus aan het
worden was die je zo verafschuwde.>
Binnen
de HB werd Rie op handen gedragen, omdat ze rustig en sterk overkwam en daarbij
beschikbaar was. De volgende belangrijke stap in haar HB-carrière was dat ze
gevraagd werd om naast Zr Monique te gaan staan, in de hoop dat deze ex-non aan
haar vriendschap steun zou mogen ervaren. Voor ons was dit achteraf bezien een
desastreuze ontwikkeling. Monique was jarenlang slotzuster geweest en was in
haar gevoelsleven zwaar tekort gekomen. Dat haal je niet zo maar in. Ze was
tevens een wat hoogmoedig mens, verwend door haar afkomst; iemand die haar
omgeving sterk domineerde. Eigenlijk was ze er psychisch beroerd aan toe, maar
ze moest en ze zou op haar verantwoordelijke zetel blijven naast Br Niek. Op
karakter zeg maar, en dat is meestal de dood in de pot. De achterliggende
motivatie van de HB was dat de man naast zich de aanvulling van een vrouw nodig
heeft. Alles moest gebeuren op haar wilskracht en dat haalt het niet, want het
leidt tot verkramping en schaadt de communicatie in het samenleven. Ze stelde
veel te hoge eisen aan zichzelf, en was drammerig naar anderen, bij het
intolerante af. Je kunt proberen je kwetsbaarheid te verbergen achter stoerheid
en bitsheid jegens anderen, maar dat wordt dan ook trefzeker je Achilleshiel.
Dat werd overduidelijk toen er, zoals ieder jaar in de aanbrekende Lente, zich
groepen vakantiegangers gingen formeren en zij door de groep van haar keuze
botweg werd teruggewezen. Men wilde een ontspannen vakantie en er werd gevreesd
voor een continuering van bazigheid en regelneukerij tijdens de vakantie. Ze
kwam er dus achter dat ze minder geliefd was dan ze gewenst had en dat ze om
haar persoonlijke eigenschappen en gedrag niet voor een vakantie geaccepteerd
werd. Ze was, zeg maar daardoor werkelijk in haar ziel getroffen. En dat komt
aan als een mokerslag. Ze was in haar diepste wezen
geschokt, was zeer aangeslagen en werd ernstig depressief. Ze was zeg maar door
haar eigen ijzigheid heen gezakt. Maar deze vakantieperikelen waren niet het
enige, want in feite stond ze al zwak. Wat zou ze zich graag het intellectueel
nivo van Br Niek hebben willen aanmeten.
Maar ze moest herhaaldelijk in het Leerhuis en ten overstaan van het “voetvolk”
constateren dat ze daarvoor intellectueel gewoon te min was; te weinig creatief
in haar denken. Religieuze nonnen hebben sowieso nooit geleerd zelfstandig te
denken, maar waren getraind en zeer bedreven in het memoriseren, herkauwen,
rangschikken en ordenen van overgeleverde geloofswaarheden. Het was soms
pijnlijk om te zien, hoe Monique net als Rie bij het intellectualistisch
geredeneer van Niek geen eigen inbreng kon geven. Ze konden aan de straffe hand
van Niek gewoon niet in het bijbelverhaal binnen komen. Voor Rie was dat nog te
hebben, voor een eerzuchtig iemand als Monique was dat echter moeilijk te
verteren. Ze zou van de weeromstuit dan ook iedereen proberen te tackelen die
in het intellectuele discours wel met een originele insteek durfde te komen.
Soms deed ze dat met een venijnige opmerking, wat kon neigen naar puur giftig
dédain. De vrouwen konden überhaupt niet gemakkelijk in het verhaal van Niek
binnen komen en van samen met hem oplopen was meestal ook geen sprake. Niek had
als leider van het Leerhuis didactisch in feite ook de verkeerde benadering.
Hij deed zijn best om in het Leerhuis de vrouwen op te wekken met hun specifiek
eigen inbreng voor de dag te komen, met als enige resultaat dat hij hen met
zijn rationele insteek volslagen monddood maakte, zeer tot zijn eigen
teleurstelling. Maar vrouwen leven nu eenmaal in een andere ruimte, waarin
andere levenswaarden van belang zijn. Ze kijken en voelen anders, en stellen
andere prioriteiten. Niek moest andere speelkameraadjes zoeken voor zijn
mannelijke bijbelspelletjes. Het frustrerende voor hemzelf was, dat waar hij in
feite hunkerde naar de inbreng van de vrouw in zijn leerhuis, hij ze zelf met
zijn stelligheden en zijn kennis massief de toegang blokkeerde, zelfs al hield
hij zijn mond. Er was ook nog zo iets als lichaamstaal, en die was niet echt
uitnodigend. Niek kromp tot niek. Die door hem zo ontbeerde vrouw zou met haar
eigenheid heus wel present zijn als het er op aan zou komen, maar niet op het
speelveldje van NW. In feite had een vrouw de leiding moeten krijgen van het
leerhuis. Maar ja, dan moest hij zelf terug gaan staan, en was hij daarvoor uit
zijn kluizenaarsbestaan gekomen?
Wat je
vaak ziet bij emotioneel wat gedepriveerden is, dat ze onverzadigbaar aandacht
vragen. Daarin ligt dan voor hen ook weer de zelfhaat op de loer, want
dergelijke mensen kunnen maar moeilijk de afhankelijkheid van anderen toelaten.
Ze willen ook op hun verantwoordelijke positie aangesproken worden. Toch waren
noch Rie, noch Monique de Mega Mindy voor wie ze door velen, in elk geval de
weekendgasten, werden aangezien. Nee hoor, integendeel. Eerder zochten ze steun
bij elkaar. De HB juichte die ontwikkeling toe, hopend dat Monique in Rie
inderdaad een hechte vriendin zou krijgen, waar ze op zou kunnen steunen. Adrie
zag dat, en diep in hem vrat de wanhoop. Hij wist dat Rie hierdoor nog meer van
hem weg dreef en dat hij op het punt stond nu echt te verliezen wat hij nooit
bezeten had. Hij werd bespeeld door allerlei ondermijnende gedachten. Het leven
liep hem in alle opzichten uit de hand. Voor de derde keer overkwam hem een
periode van diepe neerslachtigheid. Alle zekerheden die in het hier en nu al
stonden te wankelen, waren aan het verbrokkelen en storten in; hij zat wederom
als Jonah in de buik van de walvis en het stonk er meer dan verschrikkelijk.
Een periode van rustige bezinning was meer dan noodzakelijk. Hij zou zich
moeten heroriënteren rekening houdend met zijn eigen wensen en met het oog op
al de verwikkelingen om hem heen. Hij zou zichzelf opnieuw moeten uitvinden;
zich weer eens aan zijn haren omhoog moeten gaan trekken. Alles had nu voor hem
een negatieve klankkleur gekregen: te zeer was hij overstelpt door de Hooge
Berkt, overspoeld door alleswetende virtuele krachtpatsers; er was voor hem van
alles teveel: teveel mensen, te veel bemoeizucht, te veel gezag, teveel
belangen, te veel meningen en daartegenover te weinig ik, te weinig tedere
nabijheid en intimiteit, te weinig vertrouwvolle tevredenheid en te veel
onvermogen. Rie was geëvolueerd tot een plichtsgetrouwe, ijverige HB-vrouw, en
wie was hij? Een NN, een Niemand en Nergens. Waar was die getalenteerde
enthousiaste weldenkende jongeling gebleven die ooit cum laude was
afgestudeerd, en waar hij heimwee naar had? Hij was uitgegleden op het
oppervlak en de oppervlakkigheid van al te veel vrouwelijkheid en te veel
gefrustreerde mannelijkheid om hem heen, waarin zijn eigenheid geen kansen
kreeg om zich te ontplooien en hij niet meer voor vol werd aangezien. Zijn
grootste verdienste voor de HB leek wel te zijn, dat hij niet dwars ging liggen
bij de toenadering tussen Monique en Rie. Nee, maar wat kon hij er ook aan
doen? Rie werd een soort gemeenschapsgoed. Aan de buitenkant leek het net alsof
hij er om het algemene belang te dienen mee instemde. In feite had hij echter
geen keus.
<Ik
heb werkelijk geprobeerd om van harte “Rie vrij te geven”. Ik merkte echter dat
ik daarbij mijn adem inhield, vaak letterlijk, en zuurstofschuld opbouwde. Een
confrontatie was onvermijdelijk. Het voorjaar brak aan en daarmee kwam ook weer
het moment waarop ook wij vakantieplannen moesten gaan maken. Voor mij was het
inmiddels volkomen duidelijk: ik wilde dit jaar persé alleen met mijn vrouw op
vakantie; ik wilde de verschralende intimiteit tussen ons aanhalen en eerlijk
is eerlijk, ik had geen zin meer in het strakke samenzijn met de twee
religieuzen van vorig jaar: Pr Koos en Zuster Monique.>
<Allez,
zeg, heel voorstelbaar allemaal. Je had door je ervaringen van vorig jaar maar
al te goed begrepen wat anderen ertoe gebracht had hen voor een gezamenlijke
vakantie te weigeren. Nu moet je wel toegeven dat je er ook wel een halszaak
van maakte; een test case: je wilde weten waar jullie beiden ergens t.o.v.
elkaar stonden. Nou, dat zou je snel overduidelijk worden. Waar ik al bang voor
was gebeurde, Rie koos op de eerste plaats voor Koos en Monique. Ze gunde hen
een goede vakantie en wilde zich in feite als een soort dienstmeid voor hen
inzetten. Die twee hadden een fijne vakantie verdiend, en ze hadden ook een
goede vakantie nodig was haar redenering. Idioot natuurlijk dat Rie min of meer
als een reddende engel, en tegelijk als full time keukenmeid met die twee op
vakantie wilde.>
<Ik
had mijn lesje geleerd. Rie was vorig jaar in de bek van de draak gesprongen.
Ze deed met werkelijk voorbeeldige, maar ook zwaar overdreven toewijding,
vrijwillig en uit een vreemd soort liefdebesef precies al die dingen waar de
anderen bezwaar tegen gemaakt hadden. Ze speelde de voortreffelijke huishoudster
die er genoegen in schepte het Mevrouw en Mijnheer naar de zin te maken. De
bazigheid van Monique werd daarmee feitelijk zachtjes gesmoord, en de
lulligheid van Koos transformeerde in adoratie. Ik werd er dat alles ziende
niet goed van. Rie was werkelijk bij het ridicule af in alles totaal
beschikbaar, en sloofde zich met een onderdanig slaafs aandoende blijmoedig uit
om het die twee naar de zin te maken, als een ware dienstmaagd van de Heer. Die
twee waren er aanvankelijk confuus van, er daarna dankbaar om, en tenslotte
vonden ze het passen in de natuurlijke orde der dingen. Ze waren dat eigenlijk
al sinds lang gewend. Koos in Indonesië en Monique in het slotklooster en
daarna ook in de Hooge Berkt.>
<Jij
speelde vorig jaar trouwens geen enkele rol, hoewel je toch ook je aandeel in
het geheel leverde, maar je werd in de hiërarchie van het geheel gewoon niet
gezien. Rie werd later ook door hen beide uitvoerig bedankt. Het was om
kotsmisselijk van te worden. Wat een akelige fuckmentaliteit. Ik heb me aangepast en ben er voor een keer in meegegaan. Waarom? Ik ben tot het
uiterste gegaan om me in de gemeenschap in te voegen, en impliciet mijn
huwelijk weer stromend te krijgen. Niet door er over te denken maar door te
doen en te ervaren.>
<Ja, maar er werd je weinig respijt
gegeven, want al op de terugweg tijdens een koffiestop kwam de retorische
vraag: “en wat doen we het volgend jaar”. Nee, dat was me toch echt te vroeg.
Daar wilde ik nog even geen antwoord op geven. Maar mijn pleidooi om die vraag
even te laten rusten viel overduidelijk niet in goede aarde, ook niet bij Rie.
Sterker het was tegen het zere been, want daarmee kwam er weer te veel
onzekerheid bij onze religieuzen. Ik hield desondanks voet bij stuk. Maar
eerlijk is eerlijk ik wist toen al, dat ik geen tweede vakantie met hen meer
wilde mee maken.>
Het
jaar daarop ontstond er tussen hen een hoogoplopend meningsverschil, maar Rie
gaf geen krimp en ze ging in haar eentje mee met de twee
vakantiebrokkenpiloten. Voor die twee was het overigens volmaakt onbelangrijk
dat Adrie niet meeging, het maakte het voor hen in wezen nog gemakkelijker.
Maar toch, het had nooit mogen gebeuren. Het is moeilijk voorstelbaar dat het
duo M&K die stap met Rie hadden gezet als ze problemen hadden vermoed. Dat
zou wel zeer tegen de geest zijn geweest. Nee, Rie heeft vast en zeker verteld
dat Adrie er geen bezwaar tegen zou hebben als ze met hun drieën op vakantie
gingen. Nou, ze heeft het geweten, en dat is maar goed ook. Wat een dwaze
eigengereide lichtzinnigheid, wat een miskenning van mijn eigenheid. Ze koos
opnieuw de verkeerde danspartner.
<Ik
was bang dat we voor deze vakantieperikelen een hoge prijs zouden moeten gaan
betalen; in mijn beleving waren we met ons beiden het “point of no return”
gepasseerd. Kun je die twee daarvan de schuld geven? Ja en nee.>
<Ze
liepen eigenlijk toch onwaardig te profiteren van de gewilligheid van Rie.
Erger nog, ze oefenden vooral via
gewillig het lam Rie druk uit. Kun je het ze kwalijk nemen? Ja, dat denk ik
wel. Maar ze waren niet anders gewend; zeg maar gerust: dat ze door en door vèrwend waren. Scheterige
Koos zowel als freackige Monique. Het had zo leuk kunnen zijn, juist als Koos
resp. Monique met een van ons beiden
gekookt zou hebben. Maar dat avontuur was ze een brug te ver. Ze hadden er geen
zin in. Bang om af te gaan? Was ze keuken hen gewoon te min? Of waren ze bang
dat ze zouden moeten volgen? Dat ze nou eens een keertje niet de leiding konden
nemen.>
<Natuurlijk
kan iedereen een bijdrage geven in de keuken, als hij maar echt wil. Maar nee, daar was al fluks de handig
omsluierde bazigheid van het stel met het gewiekste voorstel: jullie koken en
wij wassen af, goed? Ja, goed, was Rie me voor. Daarmee kwam voor twee weken iedere
dag het hele keukengebeuren op onze nek. Zeg maar op de nek van Rie, want die
was zo ijverig dat ze ook mij er totaal uitspeelde. Ik mocht aan tafel
bedienen. Godverdomme toch, dat zou ze ook nog gedaan hebben. Die twee leken
wel een gehandicapt koningspaar.>
Het was
duidelijk dat Monique zich voor huishoudelijk werk in de keuken doodgewoon te
goed vond, dat was beneden haar stand, en ze zei dat ook. Ze probeerde haar
arrogantie met eerlijke openhartigheid weg te wassen, maar dat werkt uiteraard
niet. Rie bedekte echter alles met de mantel der liefde. In feite zette ze met
haar allesoverweldigende behulpzaamheid de hele scene naar haar hand, zeer uit
het evenwicht uiteraard, en werd alles geofferd op het altaar van haar eigen
beschikbaarheid. Rie was op haar manier gigantisch aan het ego-trippen.
Waar in
de HB op verschillende manieren getracht werd ons vieren aan elkaar te
koppelen, bereikten ze precies het omgekeerde; het denderde noodlottig op een
scheiding af. Rie, stomme koe, met je HB-verdwazing. Je bent je eerste liefde
ontrouw geworden. Ik weet het, we zijn zelf verantwoordelijk voor de chaos die
ontstond in ons privéleven. Maar ik durf te stellen dat ons huwelijk en onze
intimiteit door de HB is ondermijnd door als maar een beroep te doen op haar
bereidwilligheid. Nu na zoveel jaar kan
ik zeggen: het zij zo. Rie zou haar bestemming bereiken, die van overijverig en
op haar manier zeer dominant tante nonneke.
<Ik
was intussen aan het watertrappelen in de zalvende woordenstroom van
theologische betweterij zonder veel originaliteit, vrijblijvend en feitelijk
ook zonder veel praktisch belang. En
alles werd altijd maar weer in dat bekende paradigma geperst van “op zoek naar
de Alef”. “En…” wat dan nog. De setting van de Hooge Berkt, hoe mooi ook, bleek
dodelijk voor mijn en in feite ieders eigenheid. Die dreigde ten onder te gaan
in de geestdrift en bij gelegenheden geestkracht van enkele voorgangers. Ik heb
mijn best gedaan om me aan te passen. Maar ik viel stil, het ging niet, ik kon
het niet. De spirituele kant was me te centralistisch en het leven was te
oubollig. Ik kaatste terug op een mentaliteit waar PrGr een prototype van was;
een boerse, zalvende, geestelijk wat gemakzuchtige maar net iets te slimme, en
vooral vredelievende dorpspastoor, opgekweekt tussen de boertjes van buuten.>
<Je
bent daar nou wel alsmaar stevig aan het afgeven op de HB, maar in feite heb je
wel je leven aan de HB te danken. besef je dat nog wel eigenlijk?>
<Hoe,
wat bedoel je?>
Het
klopt, en wel letterlijk. De open vertrouwvolle communicatie binnen de Hooge Berkt,
in het bijzonder ook de kringgesprekken in aanwezigheid van de weekendgasten
heeft er zeer aan bijgedragen dat ik tot het inzicht kwam hyperthyreood te
zijn. Die constatering was niet zo maar uit de lucht komen vallen, daar ging
als het ware een heel rijpingsproces aan vooraf. Het kan merkwaardigerwijs zo
gaan in een mensen leven dat zich een knooppunt van ontwikkelingen voordoet,
dat er een soort rattenkoning van gebeurtenissen ontstaat, waarbij
onverbiddelijk en onherroepelijk bepaalde belangrijke conclusies eruit geperst
worden. Je kunt natuurlijk ook zeggen “door een samenloop van omstandigheden,
maar dat klinkt me toch een beetje te emotieloos. De tijd was rijp geworden,
zeg maar.
Ja, er gebeuren zeer zeker goede dingen in de
HB. En dat heeft voor mij persoonlijk alles te maken met juist het
gemeenschapsleven, waarin tussen mensen vertrouwvol persoonlijke en soms ook
intieme ervaringen uitgewisseld worden. Op de eerste plaats was er die
groepsbespreking waarin Zr Ignatia plots zo maar begon te vertellen over haar
schildklieraandoening waar ze eerder buitengewoon succesvol voor behandeld was.
Waarom
ik zo gebiologeerd naar haar verhaal zat te luisteren? Door de parallellen met
mijn eigen ervaringen. Bij haar was tijdens haar ziekte net als bij mij sprake
van ernstige psychische onevenwichtigheid en mentale spanningen. Hoe zeer ze
daar aan geleden had, vertelde ze, en hoe ze na de behandeling een heel ander
mens was geworden. Voorwaar, het leek wel of ze dat speciaal voor mij daar
allemaal zat te vertellen; een zeer confronterende openbaring was dat, en die
zou niet zonder gevolgen blijven...
<Zou
ik…? Nee, het moment dat de franc moest vallen, was nog niet aangebroken. Het
is niet gemakkelijk om in jezelf te kijken en tot ingrijpende conclusies over
jezelf te komen. Toch was er wel degelijk iets in mij aangeraakt. Ik
constateerde met nog meer verontrusting mijn gedresseerde lichamelijkheid en
realiseerde me nog eens duidelijk hoe mager ik was geworden; hoe zwaar ik bij
de minste inspanning kon transpireren tot het zweet me werkelijk in straaltjes
van het voorhoofd liep; hoe ik voortdurend een onaangename spanning in mijn
lichaam ervoer; hoe fel en explosief ik kon zijn, hoezeer ik gebukt ging onder
psychische opgejaagdheid. Nee, niet normaal. Ik heb ZrIgn later nog eens
aangesproken maar er kwam niet veel nieuws meer uit. Ze wilde er eigenlijk
liever niet meer over praten. Waarschijnlijk was de herinnering aan de
doorstane ellende voor haar te moeilijk. Vooral was duidelijk dat ze psychisch
extreem te lijden had gehad.>
<Vertel
over je verblijf in Utrecht.>
<Ja,
oké, inderdaad, daar viel eindelijk de frank.
Rie was
“in exodus”, die woonde voor drie maanden in de HB. In feite was ze drie
maanden van me aan het wegdrijven, en dat was pijnlijk merkbaar. Maar goed daar
gaat het nu even niet om. Afgesproken was dat ik die tijd in het huis van de
familie Van Thiel zou gaan logeren. Wel,
je kent de bedrijvigheid van een bever in een beek. Hij bouwt een dam,
het water blijft er achter staan, en vormt een vennetje. Breekt die dam, dan
krijg je een heuse vloed golf. Nou, in mijn beleving verging het mij net zo. Ik
had zelf een dam opgeworpen om maar niet toe te hoeven geven dat er iets goed
mis zat. De dam werd poreus door hetgeen Ignatia allemaal verteld had. Een
echte doorbraak kwam hier in het echtelijke bed van onze HB-vrienden.
Ik
mocht, naar het mij voorkwam, als teken van extreme gastvrijheid in mijn eentje
in het echtelijk bed slapen. Ik had me al lekker genesteld, toen ik dacht “He,
Wim is huisarts en hij heeft vast medische literatuur op zijn nachtkastje
liggen, voor als hij niet kan slapen. Dat was ook bij mij het geval, en ik
wilde nog wel wat in aanverwante literatuur bladeren. Inderdaad, en je gelooft
het niet: bovenop het keurige stapeltje ligt een verhandeling over
hyperthyreoidie. Verrek, dat is toch wel een heel opmerkelijk staaltje van
voorzienigheid. Mijn blik zoog zich vast op de pagina’s, zo begerig keek ik het
boekje door. Mijn nakende inzicht werd al snel een zekerheid. Er was een herkennen
als van een sleutel op een slot. Verdomme, ik heb dat ook, ik ben zo hyper als
de pest. Ik besloot om de volgende dag direct naar mijn huisarts te gaan voor
een afspraak met een internist.
Mijn
huisarts, reageerde vreemd genoeg terughoudend. “Jij, hyperthyreood? Kom aan
zeg. Nou, dat zal toch wel meevallen”. Hij wilde me al weer naar een psycholoog
sturen. Mooi niet, op mijn aandringen werd er eerst een klinische test gedaan.
Drie dagen later: telefoon, of ik met spoed eens wilde komen praten, “We hebben
prijs hoor”. Je gelooft het niet, maar ik was ineens een model voor de
collegebanken. De schellen waren plots van zijn ogen gevallen. De piemel.
Toen
begon de gang naar Canossa. De internist begroette me vriendelijk: “Ah, U bent
toch die man die met zijn eigen diagnose bij de huisarts kwam binnenwandelen?
Dat is toch wel de wereld op zijn kop vindt U niet?” Een rare split second
dacht ik dat de man me op mijn donder gaf. Maar nee, hij ging heel
belangstellend op me in. Vanaf dat
moment was hij de deskundige. Mijn weerstand brak toen ik bibberend en met aan
fibrillatie grenzende hartkloppingen op de onderzoekstafel lag, en hij me vroeg
“Maar kerel, hoe lang loop jij hier al mee rond?” De vriendelijke, begripvolle
toon was er te veel aan. De dam brak door en mijn emoties baanden zich met
geweld een weg. Ik was in no time een zielige hoop wrakhout. Al te lang had ik
als een insect met een uitwendig pantser rondgelopen om de als maar meer
kwetsbare grijze massa van mijn ego bij elkaar te houden. Nu brokkelde alles af
en was ik nergens meer. Ik moest me vasthouden aan zijn stellige belofte dat
het nu snel heel veel beter zou gaan worden. Ik kreeg schildklierremmers
voorgeschreven en die zouden me met een dag of tien al een enorme verlichting
van mijn kwalen geven. Later zou er dan mogelijk een operatie op moeten volgen.
Dat gebeurde ook en toen ook dat niet definitief hielp, en alles weer terug
kwam, werd mijn schildklier op mijn nadrukkelijke aandringen totaal
weggestraald met radioactief Iodium. Ik had er genoeg van, ik wilde er van af,
van al het jarenlange gepruts en dat werd begripvol door de radioloog
gehonoreerd. We hebben samen de benodigde dosis Iodium beredeneerd. Ik wilde de
maximum dosis: “weg met hem”; met de schildkier bedoel ik.
Adrie
had het soms moeilijk om het strikt individuele en het spirituele met elkaar te
verbinden, laat staan ze te verenigen. Voor het individuele was in de HB
sowieso weinig belangstelling. Dat is ook het beste. De HB mocht geen “hart op
de tong club worden”. Zat iemand ergens over in, dan was er altijd een
gesprekje mogelijk met Zr Ann, maar niet met de hele gemeenschap.. Maar Adrie
is in die zin geen prater, en nog minder een klager. Er is waarschijnlijk in de
HB dan ook niemand die precies weet wat hem allemaal overkomen is, en waarom
hij lange tijd zo instabiel was. Ook Ann
niet. Ze had hem eigenlijk ook teruggestoten toen hij weer eens met een
depressie aan de grond dreigde te lopen: “Alweer?”, zei ze. Daarmee werd hij
argwanend naar haar als vriendin en als mens. Ze was nota bene psychiatrisch
verpleegkundige geweest, en ook zij was nooit op het idee gekomen dat er bij
hem wel eens organisch iets mis kon zijn. Nee, ze dachten allemaal in de
richting van een verworven psychische aandoening, waarvoor alleen medicatie en geduldig
samenleven een remedie was. Zelfs zijn eigen vrouw wist het fijne niet van wat
er in hem speelde. Zij had er trouwens nauwelijks nog belangstelling voor. Ze
had het druk en die Adrie ook altijd met zijn moeilijkheden, die wist toch waar
hij terecht kon! Zij zelf was in zijn kritisch toekijkende ogen aan het
verwateren in de gemeenschapszee, waarin ze tenslotte wel helemaal zou
oplossen.
<Ach,
Rie zal ook wel een moeilijke tijd gehad hebben, al vertelde ze me daar niet
veel van. Het gemeenschapsleven was haar troost en vertroosting. Maar ik
vreesde het inzicht dat groeide en de beslissingen die daar de onvermijdelijke
consequentie van zouden gaan worden. Intuïtief wist ik: geen Hooge Berkt, dan
ook geen Rie.>
<Als
jij uit de HB weg zou willen, dan zou dat het einde van ons huwelijk worden.
Zij zou nooit meer voor jou kiezen. Zij had gekozen voor de HB en dat zou
weldra ook glashelder duidelijk worden. Want daar was plots die uitval van je
naar JR.>
JR, hij
weigerde om mijn verzoek om voor de bejaarden in Thorn af en toe de mis op te
dragen zelfs maar in overweging te nemen. Dat was de druppel die plots de emmer
deed overlopen. Was dit godverdomme nou een priester? “Nee, mijnheer kon daar
niet achter staan.” Nota Bene op het bejaardenhuis. Dat was in zijn ogen een
stokoude vorm van kerk-zijn en daar kon en wou hij zich niet meer aan geven,
liever gezegd “niet meer voor lenen”.
De
confrontatie was direct messcherp, en Adrie was resoluut en zelfzeker. Zijn
aversie tegen de zelfverheerlijking en de zelfvoldaanheid waar hij zich al vaak
aan geërgerd had, kreeg plotseling de ruimte; Adrie was door de dampkring
heengeschoten. Ineens was pastor Jan niet meer dan een uit de “Stille Kracht”
weggelopen begerige “spelletjesboer” die schaamteloos tripte op zijn liefhebberijen.
De bevoorrechte organisatie van de HB kwam plotseling genadeloos scherp in het
licht. Waar overal in de parochies een noodsituatie is, zwemmen ze hier in de
Hooge Berkt in de priesters die zich uit onmin, uit onwil, uit onkunde, of uit
eigen kleinheid uit de kerk hadden teruggetrokken en die nu hier prinsheerlijk
en van de prins wel degelijk kwaad wetend, wat liepen rond te kwezelen in een
oase van goodwill en rust. Waar overal gewerkt moet worden voor de kost,
dikwijls in zorgelijke omstandigheden, lopen ze hier te freewheelen met een
gespreid bedje, dat ze nog niet eens zelf behoeven op te maken en een altijd
gedekte tafel, en altijd maar vriendelijke aandacht. Er was ook nooit “een man
overboord”, want er waren er toch genoeg.
Die
oude Kerk, het wilde niet meer lukken. Niet noodzakelijk omdat ze het hier met
de traditionele vorm van parochieel kerk -zijn principieel oneens waren. Dat
zou te idealistisch klinken, want we moeten niet vergeten er bij te zeggen dat
ze het in de parochies domweg vaak niet langer konden bolwerken, omdat ze
stikten van de eenzaamheid, leden aan demotivatie en vooral aan het gebrek aan
intimiteit. De meesten waren er gewoon onder door gegaan. Maar ho, er waren er
nog genoeg die wel doorgingen, die niet bij de pakken gingen neerzitten en van
de nood een deugd maakten. Die priesters en religieuzen hadden ook hier in de
HB een boodschap voor de geachte confraters die hier hun diensten aanboden.
Deze hadden bij Nada een warm nest gevonden om te herstellen van de stress en
iets van het voor hen fnuikende gemis aan intimiteit te kunnen recupereren.
Intimiteit die ze niet zelf konden leven en geven, maar die in de persoon en de
afstraling van Nada, ja en werkelijk in de geest, ruimschoots aanwezig was. Zij
deelde ruimhartig en rondborstig, menselijk vooral, maar ook altijd
geïnspireerd en tegen beter weten in, met al deze behoeftigen, haar “lammen en
blinden” zoals ze niet kon laten te herhalen.
Van daaruit hadden ze in dit dorp toch
minstens al was het maar uit dankbaarheid, tot een nieuwe vorm van parochiële
dienstbaarheid moeten kunnen komen. Maar een geïnspireerde en inspirerende mis
met enige eenvoudige omkleding voor de ouderen in het bejaardenhuis, die de
Kerk toch zoveel jaren trouw gebleven waren, was toch wel het minste wat ze
hadden kunnen bieden. En ze hoefden ook niet alleen te staan, ik zou er bij
zijn en wilde zelfs graag mee assisteren. Nee, mijnheer JanR haalde daar zijn
neus voor op. “Op het bejaardenhuis, god bewaar me”. Zelfs GradG kon het niet
laten zijn onvrede voor een assistentie in de parochie te ventileren. Maar die
kreeg eenvoudigweg van Nada de opdracht om zo nu en dan de mis te doen in de
parochiekerk, en daarmee basta. Hij kreeg wel een paar HB’s als mentale
ondersteuning met zich mee. Ook daar moest de visie van Nada de inspiratie en
motivatie geven aan een stel minkukels. Maar daar bleek dat ook Nada zelf zich
overgaf aan politiek gemanoeuvreer. Ook voor het driemanschap van de kern Nada,
JanB en Ann was een bejaarde god-zoeker minder interessant. Dat ze ook zelf al
op leeftijd begonnen te komen, werd wel eens vergeten. Kijk daar heb je het
politieke geredeneer ten voeten uit. Een goede relatie met de parochiekerk, met
de deken, was voor de HB belangrijk; het bejaardenhuis met de ouden van dagen,
was voor hen eigenlijk afgeschreven. Over medemenselijkheid gesproken. Met het
overlijden van Pr Jan Berger en later van Nada zijn er hoe dan ook toch
bijzondere mensen heengegaan, en is er heel wat priesterlijk onbenul,
spirituele luiheid en demotivatie achtergebleven.
De
mannen broeders hechten ondertussen, ja het heeft iets erotisch, wel aan de
kerkelijke opsmuk van de nadrukkelijke eenvoud en van de gepolijste levensstijl
en geinspireerdheid van de HB, waarin ze als geweid priester met name in de
eucharistie altijd nog een bijzondere plek kunnen innemen. Nog meer hechtte
JanR echter aan zijn spelletjes als Go, waarin hij zich had weten te bekwamen
in de lege uren in dat land van “De Stille Kracht”. Zo hechtte op zijn beurt Pr
Grad aan zijn moestuin en zijn bietjes, en vermoordde hij met het grootste
gemak de mollen die op zijn grasland wat molshopen produceerden. Ach, d’accord,
ze waren net als ik afgeknapt, maar levend in de HB kon er toch met wederzijdse
ondersteuning wel wat meer dankbare inzet gegeven worden.
Grad en
Jan waren na deze gebeurtenis instantaan voor mij gedevalueerd tot een wrat aan
de HB, die zich in hen abusievelijk profileerde als een zichzelf
verheerlijkende, jazeker, comfortabele en risicoloze oase in de spirituele
woestijn. En dat kon Adrie ineens niet meer verteren, gesensibiliseerd als hij
was door de verwikkelingen op persoonlijk vlak. “Als je er echt zo over denkt
JR, dan kom je er hier niet meer in. Eruit.” had hij hem tot schrik van JR en
tot verontwaardiging van Rie toegevoegd. Het ontbrak er maar aan dat ze gezegd
had “maar ik ben er ook nog”, of nog erger: “ dan ga ik mee”. Ze heeft het vast
even gedacht.
Vanzelfsprekend
volgde er met Rie een discussie, op leven en dood; Rie die hij al bij voorbaat
niet langer aan zijn zijde wist. Adrie was opnieuw een point of no return gepasseerd.
En ja, als er geen verbondenheid meer voelbaar is, kun je nog wel blijven
praten, maar dan nader je elkaar toch niet meer, en het bezoek van Niek en Grad
was dan ook vruchteloos. Ze hebben waarschijnlijk nooit begrepen wat er precies
speelde. De ene niet omdat het zijn begrip te boven ging, de andere niet omdat
het hem niet echt interesseerde. Dan rest er slechts terechtwijzing en
afwijzing, en valt het hele clubje terug in de routine van alledag.
En dan
wringt zich midden in de discussie plots Barbara Streisand tussen hen in met
haar “Quilty, Its over…”. Flitsend had Adrie in een impuls van helder inzicht
die plaat opgezet. Waar was die CD ineens vandaan gekomen? Bizar, zo scherp en
resoluut hij ineens was, en wat een snijdende swing. Het was ook over, alles
was in een keer duidelijk, apocalyptisch helder. Weg HB, weg relatie, weg Rie,
weg liefde, niks was er nog van over, en wat er over was dat was een farce; een
zwart gat was al wat er restte.
<Ik
realiseerde me niet hoeveel misère deze crash me zou gaan geven. Ik wist wel,
ik sta nu helemaal alleen, maar wel op mijn eigen benen. Chapeau om mijn
eerlijkheid en oprechtheid. Een dikke min voor sociale gevoeligheid en voor
tact en beleid, zeker, dat ook. Ik zou op een andere toekomst moeten gaan
koersen.>
<Wees
eens duidelijker, er speelde toch al lang veel meer; die confrontatie met JR
was slechts de kurk op de fles. Toen die eraf knalde was er geen houden meer
aan. De explosieve lading van je uitval naar JR was op de eerste plaats de
voortwoekerende vervreemding tussen jou en Rie, waarbij jij de Hooge Berkt
ervoer als een existentiële splijtzwam, een scheurmaker, door wat je voelde als
een gebrek aan eerbied voor de verbondenheid tussen jullie als man en
vrouw.>
<Dat
klopt, wij tweeën werden ook niet meer beroepen als eenheid. Dat krijg je met
religieuzen, dat zijn mensen die in individuen denken en als individuen
handelen, hoezeer ze ook hunkeren naar gemeenschap en hoezeer ze ook
gemeenschap proberen te stichten. Ze mislukken daarin vroeg of laat, omdat ze
geen intimiteit kunnen beleven, waar dan nog eens de celibaatverplichting als
plastiekhardener bij komt. En dan is de hartelijke vriendelijkheid van een
warmvoelend kerkmens als MevrK, later Nada voor intimi, als de warmte van de
moedermelk. Dan kunnen ze zich een tijdlang in het verband van de Gemeenschap
onderdompelen en zich laven aan menselijke nabijheid. Dit zijn toch aspecten
van leven die geen mens kan missen; en die de Achilleshiel is van de religieuze
menswording. Laten we het dus verder maar niet over de botsing met JR hebben;
dat voorval is niet meer dan een uitgeknepen luis in een afgestroopte pels. Het
geeft echter wel overduidelijk aan waar bij mij het schoentje wrong.>
<Het
is moeilijk te accepteren dat niet iedereen begaan is met het lot van de
bejaarde medemens. Jij wilde je inzetten, maar je was net als iedereen,
afhankelijk van de medewerking van anderen. Die konden zich vaak niet verstaan
met jouw idealisme en jouw inzet. Ze hadden, niet onbelangrijk, ook minder tijd
dan jij. Dat bleek het duidelijkst bij je plannen voor de opzet van een lokale
omroep, waar je zoveel in geïnvesteerd hebt. Die pogingen vielen in duigen door
gebrek aan medestanders.>.
<Ah,
maar we hadden mijn plannen best kunnen realiseren hoor. Die waren voldoende
uitgekristalliseerd en beproefd: kerkelijke diensten verzorgen voor het
bejaardenhuis en voor de minder mobielen in Thorn en omgeving. Het sprong
alleen af omdat de basis te smal was en er al een regionale omroep actief was,
die dit dorp en de daarbij behorende subsidie graag wilde inlijven. Ik kreeg
geen medewerking, sterker nog, ik kreeg uit die hoek tegenwerking. De een na de
ander uit mijn naaste omgeving schrok terug omdat ze niet mee konden komen met
mijn creatieve elan. En gelijk hadden ze, moet ik nu achteraf toegeven. Ik had
het best allemaal goed voor, en ik werd er om gewaardeerd, maar ik had in hun
ogen toch net iets te weinig realiteitszin en teveel idealisme. Ik moet
toegeven dat ik door het gebrek aan daadkrachtige medewerking vaak ook wel
langs het randje van geïrriteerdheid liep, bijv. in de samenwerking met ChritL.
Met hem wist ik nooit waar ik aan toe was. Als ik hem opzocht had hij direct
een mondvol aan commentaren, en moest het meer eerst weer eens leeglopen, maar
zich aan afspraken houden en echt iets uitvoeren, ho maar. Als hij nou maar
gewoon aangaf waar zijn grenzen lagen, dan had ik daar rekening mee kunnen
houden, maar dat deed hij telkens achteraf. In die zin wilde ik te veel, ik
verwachtte meer van mensen dan ze konden waarmaken. Ik stootte hen daardoor
tegen de borst en raakte geleidelijk aan langer hoe meer in een isolement. Daar
speelde ook jaloezie best een woordje in mee hoor. Kortom, ik werd tenslotte
een reïncarnatie van Job. Al mijn activiteiten, het filmen, het
vrijwilligerswerk op het bejaardenhuis, mijn opleiding als parochieassistent,
het streven naar een lokale omroep, mijn betrokkenheid op de HB, en mijn
huwelijk, het begon stuk voor stuk af te brokkelen en in elkaar te zakken. Ik
moest toegeven dat ik wederom, ondanks al mijn inzet, nu echt totaal alleen was
komen te staan. Mijn fundament bleek het rulle zand van wat eens een prachtig
zandkasteel was. Wat? Ja, leuk is anders.>
<Tja,
je was als een kat in het nauw. In je nood sprong je de draak in de bek, en
ging dan maar ook echt alles alleen doen. Je begon die eenmanszaak StudioKa,
photovideo, maar geef toe, dat was eigenlijk een gedoemd te mislukken. Het idee
om desnoods je uitkering er maar aan te geven was werkelijk niet reëel, vooral
ook omdat je een alimentatieverplichting had. Die poging is gelukkig ook nooit
serieus van de grond gekomen. Je durfde tenslotte zelf het financiële risico
niet aan. Terwijl je maar al te graag een hoop wilde doen, moest je nu bij het
ABP met de billen bloot en moest je trachten de indruk weg te nemen dat je
inderdaad nog een hoop kon. Je moest tegen je wil in gaan beargumenteren dat
Studio Ka een door manie gedicteerde vergissing was, en dat die eenmanszaak in
feite nooit een serieuze onderneming
was. Zij accepteerden je verhaal, en je pensioen veranderde niet, maar je hebt
daarbij wel ontzettend afgezien. Ik zal in elk geval altijd voor je pleiten,
want ik weet dat je goudeerlijk bent geweest, en dat je met hart en ziel
geprobeerd hebt je in te zetten. Je probeerde er ook in de HB echt wel het
beste van te maken, vanuit je trouw aan je engagement, en vanuit hart voor je
vrouw, en je kinderen, maar je werd daarin jezelf meer en meer ontrouw en
daarmee kwam je in de klem te zitten. In zo’n paradoxale situatie waarin trouw
en eigenheid botsen, ligt een volgende depressie op de loer, zeker als je geen
toekomst meer ziet. Maar je was nog niet aan het eind van je beproeving; er
zouden weldra nog een paar zweren bij komen.
Het is
in de HB het grondpatroon dat het denkwerk gedaan wordt door de leden van de
kern, de eindverantwoordelijken en dan nog alleen in “communio”: De Chassidiem.
Zij zijn met en naast Nada de grondleggers van de HB. De benaming Chassidiem is
eigenlijk nogal pretentieus, en “geleend” van de Chassidische Joden met hun
rijke traditie van eeuwen, maar goed, zij zetten de grote lijnen dus uit. Wij,
de volgelingen behoefden dus maar te volgen. Ieders ik was daarbij
ondergeschikt aan het geheel. Voor Adrie kwam het er op neer dat hij die cum
laude was afgestudeerd aan een universiteit, met een 10 en een 9 voor zijn
hoofdvakken, verwerd tot een soort verstandelijk geremde, cerebraal aarzelende
hansworst. Om niet al te zeer uitgedaagd te worden, zocht hij het gezelschap
van de eenvoudigen van geest en ging in de keuken werken, omdat hij de onrust
en de confrontaties in de TD wilde vermijden. Hij begon de betrekkelijkheid van
al dat vruchteloos proberen hoe langer hoe meer in te zien en hij wilde niets
liever dan rust. Met mensen als pater Arnold, een bescheiden en eenvoudig man,
had hij het graag te doen. Adrie had natuurlijk ook wel in de gaten dat zijn
eigen schaduw tussen hem en zijn geluk in stond; hij was de doorn in zijn eigen
vlees. Het resultaat is voorspelbaar. Hij werd steeds kritischer en scherper,
een Archie Bunker in het klein. Niek met zijn niet aflatende woordenstroom
prikkelde hem enorm. Hij, de kluizenaar had hier zijn bestemming wel gevonden.
Van een zwijgzame aard, toch de natuur van de ware kluizenaar, was niet veel te
merken. Nee, naast Niek was er maar weinig plaats, hij creëerde waarschijnlijk
zonder het te willen een krachtig veld om zich heen, waardoor iedereen die ook
maar een beetje positief geladen was en hem aan zijn positieve pool wilde benaderen, teruggestoten
werd en vanzelf op afstand bleef.
Voor
Adrie was Niek de incarnatie van theologisch napraten en herkauwen, zoals dat
aan de theologie eigen is. Theologie is dan ook geen een academische wetenschap
te noemen. Net als iedereen in de HB
belijdde hij fanatiek het goede en verwierp hij het kwade, alsof dat kan.
Immers, wat zo vaak als het kwade gezien wordt is in feite slechts de andere
kant van het goede, als voor- en achterkant van dezelfde medaille, de
werkelijkheid. Er kan alleen sprake zijn van kwaad als iemand zich verheft,
zich in de hoogte steekt, en een of ander aspect van mens-zijn door hem of haar
wordt opgehemeld en uitverkoren en dat de rest wordt afgewezen en verworpen.
Die rest heet in een andere context dan weer heilig te zijn. Er is sprake van
kwaad als er met andere woorden bewust onderscheid gemaakt wordt, het geheel
uiteen wordt gesplitst en een aspect eruit wordt gelicht en verabsoluteerd; als
er sprake is van discriminatie. Dat is dan onderscheiden in de zin van verschil
maken, en niet in de zin van waarnemen. Voor Adrie was NW een
ADHD-"virus". Hij activeerde hem, zette hem zelfs op scherp, maar hij
kon er geen kant mee uit, met chaos als resultaat. Adrie werd meer en meer
onvrij bij zijn manier van benaderen en denken; een uitgesproken vorm van
traditioneel tunneldenken. NW denkt en leeft tweedimensionaal binnen zijn
theologisch A4-raamwerk namelijk, en Adrie, ja sorry dat ik het zeg, leeft
driedimensionaal met de ruimte van een vrije individuele academische visie,
tegen de achtergrond van de hele werkelijkheid van nu. Voor Adrie was de
verrijzenis niet letterlijk te nemen, dat was denken in de oude mens. Voor hem
was de getuigenis van de Apostelen een empatisch gebeuren, een ervaren van
binnen uit, niet een constateren van buitenaf. Precies als de Emmaüsgangers was
overkomen: voelden wij niet dat…
Adri
moest proberen zich in de leerhuizen en bij de gesprekken telkens in het
tweedimensionaal korset van een A4-tje te persen en dat ging niet. Gevolg? Hij
leek wel monddood te worden. Onvrij, ook door de kritiekloze adoratie van de
weekendgasten, mensen als Gerard, de slippendragen van Niek, die zich laafden
en vergaapten aan zijn “Mozes-personificaties”. Heet pleit voor hem, dat de
geëxalteerde waardering voor zijn persoon ook hemzelf soms zichtbaar
irriteerde. Al kan dat ook een houding zijn geweest, om zichzelf in een
positief daglicht te zetten. Hij zocht naar zijn zeggen, en ik geloof hem
daarin, geen adoratie, en de duiding van zijn persoon als de nieuwe Mozes door
een van de ex-nonnen, shockeerde hem zichtbaar. Toch een kritisch iemand als
Adrie, zag hem desondanks voor elk leerhuis de berg Tabor afdalen met onder
zijn arm een xeroxkopie van de Thora, terwijl Adrie ondertussen als Goldmund
alweer het gouden kalf bereden had.
<Nu
ik dit allemaal zo door me heen laat gaan, wordt het me duidelijk dat ik in
feite enorm jaloers was. Ik wilde ook
wel eens wat aandacht, jaah gek hè, en inderdaad die kreeg ik van de
eenvoudigen onder ons. Bij hen kon ik ook rustig mezelf zijn, kon ik iets van
mijn innerlijke rijkdom tonen; en kon net als bij ET mijn hart gaan gloeien: “
Home…”.
Kom
maar eens thuis. Ja, ja. Onthutsend en onthullend was het te ervaren dat er bij
het HB-volk zo weinig belangstelling was voor het verschijnen van een heuse
komeet aan de nachtelijke hemel, compleet met prachtige staart, nota bene op
Kerstavond. Wat is dit voor armzalige betrokkenheid op het kosmische gebeuren.
Wat een eng inlevingsvermogen. En dat
terwijl het kerstverhaal er juist gewag van maakt, en ze in hun leven nooit
meer de kans zouden krijgen een echte komeet te zien.
Komeet,
kom en eet met ons. Het doet me denken aan de appreciatie van Rie voor de
kunst. Als ze de mensen haar boeien dan vindt ze hun creaties prachtig. Van een
authentieke belangstelling voor het fenomeen kunst op zich is bij haar geen
sprake. Als ze Nada enthousiast hadden gezien voor de komeet dan hadden ze er
nog weken over gesproken. Wat een klootjesvolk
mentaliteit. Vade retro.
Uiteraard
moesty Monique ondanks haar “feilen en falen” in het zadel gehouden worden,
want ze was in Thorn naast Niek een van de twee eindverantwoordelijken, en oh
wee, werd gevreesd, als zij zou sneven, dan zou Niek wel eens een ongeleid
projectiel kunnen worden? Ze dacht er minstens zelf zo over. Hij liet zo nu en
dan al doorschemeren dat hij terugverlangde naar de eenzaamheid van de
kluizenaar. Hem verliezen, werd algemeen gedacht, zou een ramp zijn voor de
spiritualiteit in de HB. Persoonlijk denk ik, dat hij wat koketteerde met de
mogelijkheid van vertrek, maar dat niet zo gauw zou doen. Hier kreeg hij veel
aandacht, had hij leerlingen, en dat is wat een filosofisch georiënteerd iemand
als hij, broodnodig heeft. Moest Monique dan voor alle zekerheid toch maar
pillen blijven slikken en moest ze proberen door te gaan? Een
eindverantwoordelijke, kon in het licht van haar beleidenis toch niet
depressief zijn! Wat een afgang zou dat zijn. Voor de HB is het geloof genoeg om je te behoeden
voor geestelijike instabiliteit. Dat depressie een ziekte is werd daar niet ingezien.
Maar
bij Monique groeide de wanhoop. Ze kon toch ook niet opgeven, dan was ze haar
positie kwijt. Maar wat zou het mooi zijn als haar leven bij alle zwaarte ook
wat gelukkiger kon zijn door de troost van vriendschappelijke nabijheid.
Misschien kon Rie, mede als aankomend therapeute in die zin inderdaad wel iets
voor haar gaan betekenen. Rie was sowieso op haar gesteld; had zij immers niet
heel veel voor onze dochter Maud gedaan en hield zij niet ontzaglijk veel van
kinderen, meer nog zelfs dan hun eigen ouders? Ja, volgens Rie wel, maar Maud
heeft een heel ander verhaal. Zij heeft geleden onder de niet aflatende druk
van een stel begeleidsters om toch vooral een braaf, volgzaam en zedig
modelmeisje te worden. Maar goed, het emotionele maanlandschap Monique, altijd
op de rand van overspannen, zou mogelijk in Rie een echte en hechte vriendin
kunnen vinden en weer was Rie present, weer was ze het meest beschikbare meisje
van de klas. Weer koos ze met toewijding en overgave voor haar nieuwe roeping,
nog voordat ze nee had kunnen zeggen. Het leek wel een lesbisch stel. En Adrie
dan, wat vond die daarvan? Adrie had die ontwikkeling zeer wel in de gaten, hij
mocht zelfs een enkele keer aanwezig zijn “aan het hof” in de privé huiskamer
van de “Kern-leden”, een kamer waarin de vrouwelijke geur en grandeur van de
oude adel nog voelbaar was, waarin iemand als Moniek zich, gezien haar afkomst,
uitnemend thuis voelde. Hij zag het zich aan, begreep maar al te goed wat er
gaande was, en liet het "gewaehren”. Rie zou toch niet af te remmen zijn.
Of ze in de gaten had dat een dergelijke gearrangeerde toenadering tussen
mensen ook complicaties zou kunnen geven, is voor mij een vraag. Al die
vrouwelijkheid bij elkaar, met de figurerende verlangens en verliefdheden; het
had wel iets van het overspelige hof van Queen Victoria. Niek, die zelf wel
sexloos leek te zijn, moet er toch af en toe zeer zijn buik van vol hebben
gehad als er weer eens iemand kwam klagen over verliefdheden en andere
emotionele complicaties. Voor Adri hoorde dat eenvoudig bij het even. Goed, die
sfeer dreef Rie dus binnen. De lange jurken en kapjes waren uit. Iedereen wilde
ruimte voor een persoonlijke beleving van vriendschap en intimiteit, en wilde
op de een of andere manier het baarmoedergevoel waar maken. Dat kan ook
gemakkelijk ontsporen natuurlijk, zoals we konden zien aan de problemen bij
twee andere communiteiten. Maar naarmate Rie meer gericht was op het
overgevoelige, geëmotioneerde woelige leven aan “Het Hof” verschaalde haar
eigen huwelijksleven. Daar was eenvoudig geen tijd, geen ruimte en geen animo
meer voor.
<Maar hoe kan dat vraag ik me af. Rie was in het
begin toch smoorverliefd op jou; jullie waren toch pas zestien toen jullie
elkaar al kenden? Voor haar was dat echt sweet sixteen, ze was toch helemaal
idolaat van je. Ik zie ze nog bij jou aan de deur staan met haar vriendin,
helemaal hotel de botel. Dat gevoel voor jou bleef ook zo, terwijl het voor jou
een tijd was van twijfelend tasten en zoeken. Dat scheen haar echter niet te deren.
Zij was zeker van haar gevoelens voor jou, en bleef op je wachten als het
prinsesje in de toren. En dan nu deze verwijdering? Hoe is het mogelijk.>
<Voor
mij was dat toen niet zo duidelijk hoor. Ik vond haar wel aardig, daar niet
van, maar dat ik van haar ondersteboven was, nee, dat kan ik niet zeggen. Maar
pas op, ik was zo’n aankomende student, kritisch en rationeel.>
Adrie
had een hele moeilijke pubertijd. Hij zat in zijn jonge jaren geïsoleerd in een
vrouwenhuishouden, tot over zijn oren in de onzekerheid en hij worstelde met
angstige vragen over zijn onluikende mannelijkheid en over de driften die hem
gingen beheersen. De schrik dat hij gezien zijn masturbatiepraktijken misschien
wel eens homo zou kunnen zijn, een aangeprate associatie, was hem als een
duivel uit het doosje naar de keel gesprongen. De schrik abnormaal te zijn en
te worden verworpen, opgeklopt door de intolerante afkeer, vooral van zijn Pa,
voor deze in zijn ogen vieze vuilakkerij, mede opgedrongen door een intolerante
kerk, werd een obsessieve angst, die hem jarenlang gemarteld heeft. De
overtuigende aanwezigheid van zijn jeugdige, zelfzekere Rie, en de registratie
van zijn eigen lichamelijke reacties op haar vrouwelijkheid daarbij, is voor
hem een enorme steun geweest. Sensitief en intelligent als hij was, werd hij
meer dan gemiddeld geconfronteerd met indringende levensvraagstukken als
lijden, sterven en dood. Het leven drong zich overweldigend aan hem op met de
scherpe opmerkingsgave van zijn oplettende geest, die zich zeer bewust werd van
de broeierige en begerige zompigheid en ontluikende lichamelijkheid bij zijn
vrouwelijke speelkameraadjes, waarbij hij als jonge knaap, zich bewust wordend
van zijn mogelijkheden, in zijn eentje zijn weg maar moest zoeken. Of hij ook
ooit echt verliefd op Rie was? Het was voor hem niet mogelijk om daar in deze
fase van pubertijd helder in te zijn. Zijn turbulente gevoelsleven had veel weg
van een heksenketel. Dat hij daar toch nog redelijk onbeschadigd doorheen
gekomen is, mag welhaast een wonder heten. Rie heeft later door haar
natuurlijke zelfzekerheid veel van de zwaarte die hij ervaren heeft woordeloos
mee helpen dragen, al heeft ze nooit begrepen wat hem in de diepte van zijn
gemoed allemaal terroriseerde. Zo is toch via haar heel veel goeds van de
landsaard van de Betuwe ook bij hem terecht gekomen. Och, hoe dan ook, door de
jaren heen is hij echt wel van haar gaan houden.
De
schitterende Japanse film “Vrouw in het zand”, van Hiroshi Teshigahara vertelt
precies hun verhaal: Een man gaat zich hechten aan een vrouw voor wie hij in
eerste begin niet heeft gekozen, maar bij wie hij opgesloten wordt in een diepe
kuil. Hij blijft bij haar en blijft haar trouw in haar lot: te leven in de
diepte, daar zand te winnen en omhoog te takelen. Toen ze beiden door een ramp,
die het dorp trof, hadden kunnen vluchten, bleven ze alle twee op hun plek. De
dorpsgemeenschap heeft ze daar nodig. Dat geeft hun leven zin, en dus blijven
ze. Kijk, dat is dus levensechte trouw, al is het zonder vrije keuze. De keuze
bestaat slechts in het bevestigend ja zeggen op wat er is: vrouw, kinderen,
baan, milieu, omgeving.
<Dat
is dan wel echt op het randje van meelopen, vind ik? Dat lijkt nou typisch zo’n
Oosterse opvatting van hoe een mensenleven verloopt. Er is geen Amerikaan, noch
Europeaan die zich in zo’n lijdzaam verhaal zou kunnen vinden. En jij ook
niet.>
<Behalve
als er liefde in het spel is; dan toch wel? En dat was zo, ook van mijn kant.
Ik moet alleen onder ogen zien dat ik in mijn liefdesuitingen misschien niet
altijd even overtuigend ben geweest. Maar toch, Rie heeft van mij aandacht
genoeg gehad, meer dan omgekeerd. Ik vond ons huwelijk een gecompliceerde
onderneming die in zichzelf een hoop spanning genereerde. Maar toch, nee ik zou
nooit weggelopen zijn, zoals zij tenslotte wel deed. Waarom ze dat deed? Ze
wilde met mij gewoon niet oud worden. Ze was als de dood dat wij tweeën hoe
langer hoe meer op elkaar gefixeerd zouden raken, zoals dat gebeurde tussen
mijn pa en ma. Ze gruwde, bij de gedachte alleen al, met mij, een mini-Archie
Bunker, opgezadeld te moeten zitten. Omgekeerd ook trouwens; mijn interesse
voor haar als mens en als vrouw kon ook wel eens een opsteker gebruiken.>
<Ik
kan me daar wel iets bij voorstellen hoor. Zo gaat het vaak tussen ouder
wordende echtparen. Haar eigen Vader en moeder hadden elkaar ook niets meer te
bieden. Je ziet zo vaak dat man en vrouw de interesse in elkaar verliezen en
erger nog met elkaar in competitie komen, op de eerste plaats al over het
gespreksonderwerp, en dan elkaar gaan bestrijden over de inhoud. Vrouwen gaan
zich plots bemoeien en druk maken over
voetballen en politiek. Ze zien niet in dat ze het man-zijn aan het kopiëren zijn, wellicht omdat ze
beseffen dat hun rol als vrouw is uitgespeeld. Ze hadden toch altijd andere
interesses, andere verlangens en ook andere kwaliteiten. Waarom vallen zoveel
vrouwen op latere leeftijd stil? Een vrouw moet niet gaan meelullen over de
beslissing van de scheidsrechter, maar gewoon die man naast haar even zijn gang
laten gaan. Maar nee, let maar eens op in een café of restaurant of liever nog
op een terrasje: je hoort het maar al te snel, “ach, man, maak je toch niet zo
druk”. Maar zelf zijn ze stil gevallen en hebben geen in breng meer in de
conversatie. Zou hij doen wat zij vraagt, dan zou de conversatie al gauw
uitdoven.>
<In
de laatste fase van je leven heb je als man een vrouw nodig met wie je in
wederzijdse aanvulling kunt praten; iemand die haar eigen levenservaring, visie
op het leven, en kennis, met zelfzekerheid en overtuiging in kan brengen in het
leven met elkaar, als vorm van leven delen. In het samen met zo’n vrouw, zou
iemand als ik gemakkelijker kunnen accepteren dat het leven geleidelijk stiller
wordt, èn transparanter, ook in de onvolkomenheden.>
<Jij
denkt nu zeker aan de drie fasen uit het leven van de man waarbij hij telkens
als partner een ander type vrouw nodig heeft?>
<Ja,
eerst de hartstochtelijke minnares, dan de liefhebbende moeder en tenslotte de
wijze vriendin en levensgezellin. Ik weet alleen niet meer waar ik dat vandaan
heb. Ja, wacht van sociologe en schrijfster Margareth Mead.>
<Bij
mij heeft Rie zich dus niet voorbij het beeld van minnares en moeder kunnen
ontwikkelen?>
<Nee,
en, dat “dankt me de stoep”, ze kon zich met al haar studie als gesprekspartner
bij jou niet staande houden. Maar jijzelf wilde haar misschien ook te veel
blijven zien als minnares, wilde je met haar alleen maar vrijen en nam je de
moeder op de koop toe. Zit het zo?>
<Zij
was wel degelijk gericht op totale levensvervulling en sex was voor haar een
vluchtige beleving geworden, eigenlijk zonde van tijd en energie, iets waar ze
eigenlijk ook geen tijd meer voor wilde uittrekken. Ja, zei ze wel eens: als we
lichamelijk iets gaan mankeren en we niet meer kunnen vrijen, dan moeten we toch
ook nog verder willen en kunnen. Maar waarom zou je daar nu al in je leven al
rekening mee gaan houden, in plaats van dankbaar te zijn voor wat er nog is?
Als het zover was, dan was het nog tijd genoeg om dat probleem aan te kijken.
De HB
was haar knollentuin. Ze greep niet hoog, geen theorieën rondom het woordje
“En” (.. God sprak…), maar ze was wel zeer grondig en waarachtig: ze had zo op
haar manier een aandeel in de basis van de piramide. Ik zag uiteraard heel goed
hoe zij een voorbeeld werd voor de jonge meiden uit “de hofhouding” die
worstelden met vragen over hun toekomst en bestemming; af te rekenen hadden met
de on-evenwichtigheid van verliefdheden en met de zich opdringende
lustgevoelens van het grote spel van het leven. Ik zag hoe ze meer en meer werd
ingeschakeld om met haar evenwichtige persoonlijkheid de onrust van onzekerheid
en jaloezie en de onstuimigheid van reacties “aan het hof” te kanaliseren of te
bezweren. Mijn persoonlijke betrokkenheid op de HB had veeleer het karakter van
vrijwilligerswerk, en dat is nu eenmaal in principe meer vrijblijvend. Ik deed
iets, zij was iets; ik moest iets doen, zij moest iemand zijn; ik zag mezelf
instrumenteel, zij zag zich intentioneel. Dit zijn essentieel verschillende
paradigma’s. De diepgang en de implicaties daarvan beginnen nu pas, dit alles
overdenkend, echt goed tot me door te dringen. Ik weet langzamerhand wel, dat
zo lang sex een hoofdrol speelt, je elkaar als mens niet kunt naderen, en dat
dan de ware invoelende intimiteit van de agapè, de hoofse liefde van de
troubadour, geen kans krijgt.>
<De
conclusie van mijn leven tot nu toe is wel duidelijk geworden; ik zal uit vrije
wil en met de overtuiging van een persoonlijk geloof, mijn leven op me nemen.
Ik wil vaart zetten achter deze scheiding en daar met wederzijds respect
doorheen proberen te gaan. Ik bel dus resoluut Haverhoek op. Ik vraag de
secretaresse over te brengen dat het me zeer verbaasd heeft dat het gesprek
niet meer door ging. Ik had nog zo tegen Rie gezegd dat ik zou komen. Ik verzocht
haar dringend deze boodschap door te geven: dat ik wil voorkomen dat de zaak
verhardt. Toch een mooi voornemen of niet?>
Maar
dan komt uitgerekend de volgende dag die brief, hard en zakelijk en die lijkt
wel een directe uitdaging van de houdbaarheid van mijn conclusies. Rie wil
kennelijk een strikt zakelijke aanpak; de brief laat zien dat ze in feite niets
meer van me wil weten. De temperatuur van mijn gemoed zakt beneden het
vriespunt. Goed, het zij dan maar zo. Ik zal zeer op mijn qui-vive moeten zijn,
koel en zakelijk moeten zijn, realiseer ik me. Ze zal zeker krijgen waar zij
juridisch recht op heeft, maar dan ook niets meer. Dat er van dit voornemen
geen bliksem terecht zou komen, dat is later overduidelijk geworden. Ik ben nou
eenmaal een softie; ik ben trouw aan mijn eerste liefdesindrukken en zal die
eerste vrijage in mijn studentenbed nooit vergeten.
Het zal
wel het lot van mannen zijn om alleen te staan. Je ziet het overal in de
natuur. De olifant is een mooi voorbeeld. De vrouwtjes vormen met de kalfjes
een kudde, waarin het mannetje niet geduld wordt. Alleen in de paartijd mag hij
een paar weken komen feest vieren. Dan is hij meer dan welkom, wordt hij
geliefkoosd en opgevreeën. Hij mag dan ook met zijn logge lijf naar hartelust
op en neer dartelen; hoe meer en hoe vaker hij neukt, hoe liever. En dan na die
paar weken rampetampen kan hij vertrekken. Dan zijn alle koeien zwanger en
hebben ze hem niet meer nodig. Ik ben er van overtuigd dat het in wezen bij de
mens ook zo is. Vrouwen zitten net als koeien ook liefst onder elkaar. Ze
hebben hun vriend, man, vrijer in feite ook maar eventjes nodig. Voor de rest
kan hij fijn de kost verdienen, en als hij geluk heeft, mag hij zich later af
en toe nog eens bij haar komen inspannen. Dat wil zeggen, als ze geen koppijn
heeft. Volgens de psychologie wordt een volwassen man nog altijd door
kinderlijke verlangens naar moederlijke aandacht en streling gestuurd en blijft
hij in zijn vrouw ook deels de moederfiguur zien die hij eigenlijk niet kan
missen. Oh, zij wil hem ook graag een tijdje als haar knuffel koesteren. Ze
biedt hem niet voor niets haar borsten aan. De man vindt die misschien nog wel
aantrekkelijker dan dat vreemde spleetje daar beneden waar hij maar geen
wegwijs in kan worden. Maar hij wil maar al te graag vertroeteld worden. Oh,
klopt dat niet? Lees het boek “Intieme Vreemden” van Lilian Rubin, en bereid je
maar voor op een cultuurshock. Maar het is een waarheid als een koe, dat een
man die de last van de individualiteit en eenzaamheid niet op zijn nek neemt,
nooit volwassen wordt. Hij zal eens een keer moeten maken van krijgen naar
geven, van verlangen naar zijn. Je komt ze tegen, mannen die rondtobben met
drijvende speurende ogen, gehuld in de hunker naar koestering en streling, die
voortdurend ontevreden en gefrustreerd zijn, omdat ze dat niet meer krijgen en
die intussen futloos en initiatiefloos op hun luie reet blijven zitten. Ze
komen alleen te staan door scheiding of als weduwnaar en zijn dan nog maar op
een ding uit: opnieuw een liefhebbende, zorgzame vrouw te vinden die zich over
hen ontfermt en hen geestelijk en lichamelijk in de watten wil leggen en
vertroetelen. En dat soort lui hebben opvallende genoeg ook zo weer een
vrouwtje gestrikt. Hoe is het mogelijk kun je je afvragen.
Dat is allemaal
niks voor mij. Ik wil zelfstandig en op eigen benen de wereld tegemoet treden
maar wel graag op basis van vertrouwen en liefde; charmant en met begrip voor
de pijn van de ander, die ik maar al te goed zie en herken, want het is ook
mijn pijn. Al is het riskant om die pijn aan te wijzen en te benoemen. Dus, Adrie, jongen, ga door
maar: Hide your brightness; Shield your
sharpness.
<Vanmorgen
werd ik hitsig en opgefokt wakker, nog verwikkeld in een droom. Ik zat in een
sex blad te kijken, inderdaad dat wil ik wel eens doen als ik die vreemde ander
weer eens naakt onder ogen wil zien, als ineens de pagina’s driedimensionaal
worden. Ik word een ruimte ingetrokken en sta eensklaps in een soort
druipsteengrot waarvan de wanden zijn bekleed met dezelfde bloterikken als in
dat sexblad. Ik ben omringd door een stelletje wel zeer blote dames die met hun
weelderige vormen zo van de wanden zijn gestapt , en die nu met z’n allen
heupwiegend op me af komen.>
>Ach
, nee, ik weet het, je wilt weg. Je houdt er helemaal niet van overrompeld te
worden en nog minder van onpersoonlijk vlezige gedoe.>
Het is
best te begrijpen waarom harde seksblaadjes goed verkopen, al willen veel
mannen geen sex om de sex alleen. Dat is vulgair. Al zijn de vrouwen nog zo’n
schoonheden, het is meestal alleen zo naar den vleze. Die oppervlakkige fraaie
welvingen zijn maar uiterlijk vertoon en dat staat maar al te vaak in schril
contrast met het ordinaire van lichaamshouding en erger nog van
gelaatsuitdrukking; die bij deze dames althans, meestal afstotend is. Het
draait voor de kijklustigen denk ik voornamelijk om dat ene lichaamsdeel dat in
sommige bladen ook wel heel brutaal open en bloot gepresenteerd wordt, terwijl
eigenlijk tederheid en geborgenheid verwacht wordt, en niet zo’n grove indringerigheid.
Maar in die blaadjes geven ze je wel degelijk ongegeneerd inkijk in het
vrouwelijk vooronder. Als kijker kun je je dan als je wilt uitgebreid vergapen
aan dat iets dat er paradoxaal genoeg eigenlijk niet is. Een penis is een
positieve realiteit. Een vagina is een eerder een afwezigheid, een gat,
eigenlijk een niets, een grot die pas iets wordt als je erin gaat. Met elegante
slanke vingers trekken de dames voor de kijklustigen ook nog eens dat gat open,
en steken er soms ongegeneerd nog een paar vingers, of wat anders in. Wat raar
allemaal. Hoe kan het bestaan, dat dit onderdeel voor mannen zo’n
aantrekkingskracht heeft. Wat vreemd ziet het er eigenlijk uit goed beschouwd;
aantrekkelijk en afstotend tegelijk. Ik wil dat alles als man toch eigenlijk
niet uitgebreid bekijken. Maar wat wil je de natuur neemt je mee. Er gaat in je
mens-zijn een knop om, en je wordt een geil hongerig dier; zintuigen worden op
een ander waarnemingsprogramma gezet. Hij, de Adam, wordt onweerstaanbaar
aangetrokken en meegenomen door iets dat naar esthetische maatstaven eigenlijk
helemaal zo aantrekkelijk niet is: sex. Dat streeft er ook alleen maar naar
zichzelf op te heffen, en liefst zo snel mogelijk. Klaar! Kijk maar eens naar
een of ander programma over sexuele voorlichting, of de een of andere schuine
film op een of ander nachtprogramma, ja natuurlijk heb ik dat ook wel eens
gedaan, en je ziet tot je verveling iedere keer vrijwel exact hetzelfde,
compleet met de geluiden van ooohh’s en aaahh’s. Er zit geen greintje creativiteit
in deze sneltreinvaart. Beleving van intimiteit is echter heel wat anders. Dat
is verrukkelijk, want dat gaat gepaard met tederheid en liefhebben, met poëzie
en proza, met natuur en cultuur, en het is een verrijking om die combinatie te kunnen beleven. Intimiteit
is een charmant en creatief spel, een spel van samen gaan, een samenspel, en
binding, een feest van eenwording naar lichaam en geest. Sex daarentegen is een
puur driftmatige uiting, waarbij je slechts slaaf bent van je instinct. Bij iedere
man en vrouw, naar ik aanneem, is er een diep oergenetisch bepaald weten dat
bij het zien van sex of van geprikkelde sexorganen onweerstaanbaar zijn staart
begint te roeren en het heft in handen neemt. Waarom zit ik hier zo over te
redeneren eigenlijk? Mja, ik geef het toe, ik mis de intimiteit met een vrouw,
en dat besef dringt zich met aandrang op.
Niemand
had de moeite genomen om Adrie op de hoogte te brengen. Hij wist dan ook na een
slapeloze nacht pas de volgende dag dat ze hem verlaten had, en niet meer terug
zou komen. Inmiddels had hij wel alle moeite gedaan om te achterhalen waar ze
was. Tot die finale ingeving: ah, verdomme, natuurlijk, ze zit in de HB. Dat
was waarlijk een afknapper. Over schoon handelen gesproken! Nee, schoon was dit
bepaald niet, mij zo in ongerustheid te laten zitten. Deze handelswijze heeft
me zeer geholpen om van de HB los te komen. Er bleef wel een gapend gat achter,
dat hoe dan ook weer gevuld moest worden. Helaas kon dat alleen maar met het
magma van zijn binnenste, en daar kolkte het behoorlijk.
Later
vertelde Math, een studievriend van Adrie, die probeerde te bemiddelen, hoezeer
hij overdonderd was door haar vastberadenheid: “Naar Adrie terug? Oh nee, dat
nooit.” Dat kon ze natuurlijk ook alleen zeggen met de veiligheid van de HB
achter zich. Om Adrie heeft ze zich verder geen seconde bekommerd. Niet lang
daarna zag hij haar, de wagen volgeladen met HB-wijven vrolijk lachend voorbij
rijden. Ze zag hem goed, want hun blikken kruisten elkaar, maar ze negeerde hem
compleet. En hij vloekte, vertelde hij, zoals hij nog nooit gevloekt had. Was
het moeilijk voor haar? Ja, misschien om het gezichtsverlies dat ze moest
lijden. Echtscheiding klopt in feite niet met haar mooie ideale plaatje. Maar
ze zal vast haar leven met hem als zeer zwaar afschilderen, wat wil je ook, hij
met zijn “manisch-depressieve aard”. Dat was dan dubbele winst voor haar: “kijk
eens wat hij mij met zijn geestelijke wreedheid heeft aangedaan en hoe moeilijk
ik het gehad heb, [traantjes], en kijk eens hoe ik nu toch nog doorzet,
[bewondering]. Hij kan er misschien niets aan doen, maar ik kon het niet meer
verdragen”. Arm schaap. Ga maar gauw naar je god de vader. Madeliefjes zullen
op je neerdalen. En hij? Wat met hem? Met hem komt het wel goed, al zal er
eerst nog heel wat water naar zee stromen, en hij zal wel moeten afzien.
“Das
meine Sehnsucht nie mehr vergeht”, zingt het op de radio in het Stift. De
toepers zitten met zondagse gezelligheid aan hun vertrouwde tafeltje; een
veelbelovend jonkie staat gebogen aan het biljart, Gertie staat met al haar
vrouwelijkheid achter de tap, en Adri zit aan een tafeltje apart met zijn
psion. Na een gezellig babbeltje aan de tap is hij achterin het café gaan zitten.
“Ich will mich niemals mehr
verlieben”, klinkt het. Dat is toch eigenlijk je reinste
Sehnsucht naar het omgekeerde. Zou het leven nog zoiets voor Adrie in petto
hebben? Verlieben, maar dan wel wederzijds. Is dat niet waar een mens bovenal
naar hunkert. Het is beklagenswaardig, ja duivels, als één kant zich terugtrekt
en de ander in de kou laat staan.
Dit is
best een uniek café, echt een surrogaat huiskamer. “Ich
will diese Nacht noch bei dir sein. Ich mach die Augen zu. Und es wird alles
wieder gut.” Die vrouw, die zingt je het hart
uit je lijf. Adrie is gauw ontroerd; hij heeft zo de tranen in zijn ogen staan.
Ach, dat is geen slechte eigenschap. Zijn vriend Frans van de Berg, als
kunstschilder zijn leermeester en grote inspirator, was ook zo iemand. Was? Ja
was; hij is dood, jammer genoeg. Wat die niet allemaal heeft gemaakt,
meegemaakt en door gemaakt, als getalenteerd portrettist, arme donderse kerel.
Ook in dit café hangt een aquarel van hem: zicht op Thorn. Cadeautje voor
Gertie. Het mooiste is dat zij er ook nog zo aan gehecht is. Hoe zou dat toen gegaan
zijn? “Hier, dit is voor jou”; nonchalant, vlot uit zijn creatieve overvloed.
Zo was Frans, een nonchalante, o zo trotse, bon vivant, maar arm als de mieren.
“Och, het stelt niet veel voor hoor, het is maar een niemendalletje.” Je hoort
het hem zeggen. Hij zal het wel gemaakt hebben terwijl hij met zijn groep bezig
was, daar in het weiland aan de beek. Ze waren aan de andere kant van de
prikkeldraad driftig in de weer met hun aquarellen. Adrie had wat beters te
doen. Die was helemaal gefocust op zijn werk als vrijwilliger op het
bejaardenhuis. Op vraag van de activiteitenbegeleider zou hij zich bezig gaan
houden met het verzorgen van televisie-uitzendingen in het huis.
<Ja,
ik heb een heuse eigen Lokale Omroep opgezet, alleen beperkt tot het bejaardenhuis
hoor, dat wel. Het draait prima met mij als enige medewerker. Ik maak de
opnames, doe interviews, presenteer de opnames in een live show op de TV binnen
het huis. Als volgende stap wil ik een verbinding met de parochiekerk tot stand
brengen, om rechtstreeks kerkelijke uitzendingen te kunnen doen. Dat lijkt goed
realiseerbaar, maar alleen met enige professionele inbreng wat apparatuur
betreft. Er is grote nood aan een parochiële ondersteuning van de
bejaardenzorg. Ik ben er enthousiast voor.>
<Kon
je nou maar eindelijk eens afrekenen met dat dreinende nare riedeltje in je
achterhoofd dat maar blijft spelen:
“eigenlijk ben je een looser; wat denk je, ben je een looser?”>
<Hier,
in de setting van dit dorp is dat besef minder pijnlijk, hier kennen ze mijn
inzet, maar wat ga ik tegenkomen als mijn vrijwilligersinzet meer structureel
en groter wordt. Zelfs op de tekenclub was het op momenten een kruis voor me,
als ik mijn medecursisten in de pauze gedreven over hun werk hoorde praten. Ik
was zeker een van de twee meest getalenteerden
van de club, en toch zo kwetsbaar. Daar was Frans ook duidelijk in. Hij
vond het spijtig dat ik er mee gestopt was.>
<Je
zou wat weerbaarder moeten zijn tegen die top dogs die heel genadiglijk van je
diensten gebruik maken, maar die je ook je plaats wijzen en je zo onderuit
halen als dat in hun kraam te pas komt.>
<Ik
heb het meegemaakt, erg onaangenaam, dat zeg ik je.>
“Sjeih oet kerel”, klinkt het heel
toepasselijk aan de toeptafel.
<Ja,
ik zou wat harder moeten worden, maar ik voel hoe door de al die verwikkelingen
eerder het omgekeerde gebeurde. Ik heb toch iets van “het geknakte riet.”>
Hier in
dit dorpscafé is hij geaccepteerd, en kennen ze zijn inzet. Hier ontdekt hij
ook weer wat het is om eenvoudig en goed te leven. Daar is werkelijk geen
hoogdravende spiritualiteit voor nodig. Al die aandacht voor de bijbel is toch
eigenlijk ook maar een hobby, een zichzelf bevestigend tijdverdrijf. Eenvoud,
gezellig zitten in een buurtcafé als dit, en weten dat je leven wezenlijk iets
gemeenschappelijks is, waarin je individualiteit organisch poreus is zodat je
innerlijk ademt met je omgeving. De lucht die jij inademt heb ik zojuist
uitgeademd. We zijn allemaal verbonden, en ieder brengt zichzelf in of hij dat
wil en leuk vindt of niet. Dat zou het grondmotief moeten zijn, de draagbalk
voor een veelstemmig levenslied. De problemen komen als die organische
verwantschap, die fundamentele verbondenheid ontkend wordt. Als mensen aan
stam-denken doen, en anderen om hun anders zijn buitensluiten, afwijzen,
uitwijzen en wegjagen. Het kwaad is geen ding, net zo min als het goede. In het
kwade wordt het eigene van het individu of van de groep verheerlijkt en
aanbeden als superieur en wordt het anders zijn als minderwaardig gezien. Het
vreemde andere wordt verketterd en bestreden. De legitimiteit van een
dergelijke levenshouding wordt doorgaans gevonden in de godsdienst. We hebben
dat kunnen zien in de ontwikkeling en de praktijk van de grote godsdiensten, en
heel duidelijk ook in het Nazisme waar de ideologie van raszuiverheid werd
verankerd in het Germaanse oergevoel. We zien het in deze tijd weer zeer
actueel in het fundamentalisme dat van overal de kop opsteekt en ervan getuigt
dat het fascisme niet dood is. Dit is zo
langzamerhand een indringend besef aan het worden, ook naar aanleiding van
gebeurtenissen in onze eigen cultuur. De ontwikkelingen in het Midden Oosten
getuigen ervan.
Gebeurt leven niet daar waar het eigene het
anders zijn kan ontmoeten, vrij en ongedwongen in gelijkwaardigheid,
verwachting en vriendschap? Af en toe te kunnen meezingen, met een of ander
nieuw levenslied zou een verrijking moeten zijn. De tienduizenden, veelal
jongeren, die samenkomen in de kapel van Taisé worden precies daardoor
aangetrokken. Er is daar niet uren zangles nodig om deel te nemen aan de
dragende en inspirerende samenzang, noch zijn er lijvige zangbundels voor
nodig. Een luisterend oor en een open mind is al wat gevraagd wordt.
Duitsers
hebben toch een romantische gezelligheid, een warme bloedstroom door de
hoofdslagader. Dat is wat ook deze vrouw Gertie, en haar zonen uitstralen.
Daarom komen hier de lui van het dorp en daarom zijn die hier niet weg te
branden. Aan de toeptafel liggen trouwens nu de kaarten even stil. De aandacht
gaat uit naar een of ander “dorpsverhaal”, uit de onuitputtelijke bron voor
boeiende toogpraat, het eigen dorp:
“Wat hed die danne? Hè? Epilepsie? God
allemachtig.” Is er medeleven? Ja, op hun eigen maat. En net zo gemakkelijk
gaat de zorgelijke blik vervolgens weer over in een gulle lach. “Èven goead.
God nondedju. Hij is nooit verder gekomen dan de derde klas. Daet waes zun
hoogste score. Joa, mar das logies aeste vier keer blieft zitte.” “Hij is toen
wel naor de ambachtschoal gegange. Mar jong. Bie meeister Beunen zat dèèh. Dè
krieg toen wael ‘n 7 voor schrieve, en un 6 vur zinge. Beste trouwens ooit oppe
klompe nar schoal gegangen? Ich wael. Hahahaha. S’ il vous plait.” “Allez, seg,
gè kent nogal een bietje frans.” “Joa, mar frans kent mich niet.” Het bekende
platte onsamenhangende gelul, onbenullig, maar ach, ook best wel gezellig, voor
eventjes, en vertrouwd onder elkaar. Nou tabee dan maar, ouwe-hoer- cafétje.
Ze is
opgewekt, en lacht zelfs vriendelijk. Ze herkent me, overduidelijk. Deze vrouw
zou extreem dementerend zijn? Wat een onzin. Ze is hier in het verpleeghuis op
rust gekomen, dat wel ja. Hier heeft ze niet al die onrust om zich heen, geen
als maar op en neer gesjouw in de rolstoel van hot naar her, met iedere keer
weer andere verzorgsters en vaak nog zonder dat haar iets gevraagd wordt; niet
zo veel goed bedoelde betutteling van energieke jonge grieten met hun
verwarrende beweeglijkheid en hun hoge verpleegsterstempo, die wel vriendelijk
zijn, maar soms te weinig basaal empatisch inzicht laten zien. Haar man heeft
de situatie door: “Zag je dat. Ze ging zelf naar de WC om te plassen”. Het is
ontroerend om te zien hoe deze kranige oude man met het wel en wee van zijn
vrouw meeleeft. Vrijwilliger zijn op een bejaardenhuis is een zinvolle
tijdsinvestering, maar het vraagt wel om terughoudendheid.
En dan
volslagen onverwacht komt de dreun. De bel gaat. Hé, een man aan de deur?
Dit zit
niet goed, voel ik meteen. De vent kijkt me te indringend.
”Ik kom
uw inboedel opnemen”, zegt hij onaards beleefd, maar wel indringend en met
autoriteit. Het is alsof ik een klap in mijn gezicht krijg. Hè, wat? Een
deurwaarder? Ik sta de man niet begrijpend aan te kijken. Het voelt alsof
iemand mijn privacy binnen wil dringen; als een parasitaire aanval. Dan
steigert de impuls om hem de toegang te weigeren, en ik voel de stress van
opkomende verontwaardiging en agressie.
“Er
zijn gerede aanwijzingen dat U doende bent om goederen uit de echtgemeenschap
te ontvreemden”, vervolgt de man. “Ik kom maritaal beslag leggen ter
zekerstelling van de belangen van uw ex-echtgenote MevrB.” Verdoofd tast ik
rond in de leegte van mijn brein; vergeefs zoekend naar houvast. De ambtelijke
taal zegt me dat dit belangrijk is en dat ik tegenover een overmacht sta. Dan
dringt tot me door dat dit een geplande, moedwillige actie is. Hier is iemand
echt over me heen aan het walsen. Verdomde Rie, wat heb je me nu geflikt. Wat
een stiekeme ordinaire egoïstische
smerige rotstreek.
“Nee,
nee, hier ga ik niet op in.”, breng ik er tenslotte afwerend uit, maar ik ben nog
steeds aangeslagen en woede en diepe gekwetstheid strijden om de overhand.
“Ik wil
eerst met mijn advocaat spreken.” Ah, dat had je gedacht ja, die poging om tijd
te winnen gaat mooi niet op. De bedoeling was nu juist om onverwacht bij me aan
de deur te staan, zodat ik als gewaarschuwd man geen kans zou krijgen om ”nog
meer te ontvreemden.” Godverdomme, wat een gevoelloze trouweloze actie. Wat een
belediging van mijn integriteit. Dit is gewoon een aanslag op mijn eer. Ik
krijg een gevoel alsof ik dagen niet gegeten heb. Is dit maritaal beslag soms
ook een suggestie van haar advocaat? Heeft Rie het weer eens comfortabel over
zich heen laten komen als iets dat tot haar spijt nu eenmaal niet te voorkomen
was en moest gebeuren? Hoe comfortabel, zo kan ze zelf weer buiten schot
blijven, en de geprangde onschuld spelen. In een flits zie ik nu ook de
doortrapte rol van de Hooge Berkt. Op de hoek van de Bogenstraat woont immers
de groep waar we zo vaak te gast waren, GradG en zijn huisgenoten. Ja, sorry,
maar ik ben nu echt pissig. Die hebben me zeker zien sjouwen met het
“echtelijk” matras, “ons huwelijksbed”, dat na 33 jaar wel in de container
gedeponeerd mocht worden. Bovendien wat moest ik of zij nog met een twee
persoonsbed? Deze, mijn vrienden in Christus, hebben aan de bel getrokken, dat
kan niet anders. Wat achterbaks, wat doortrapt gemeen. Met die mensen, allemaal
religieuzen, heb ik dan intensief geleefd en vriendschappelijk contact gehad.
Zo zie je hoe menselijke communicatie vergiftigd kan worden, nu “ik er niet
meer bij hoor”. Dit is echt kwaad, een vergiftigde bron van Christelijke
geest”.
“Nee
mijnheer, U komt er niet in”, zeg ik, inmiddels weer terug bij mezelf. Maar
mijn laatste restje zelfzekerheid moest nog oplossen.
”U kunt
me de toegang weigeren, maar dan sta ik over vijf minuten terug aan de deur met
twee politieagenten. Dat zal publiek trekken. Wilt U dat schandaal?”
Het
begon nu echt akelig tot me door te dringen: ik was overgeleverd aan een macht
die echt over me heen walste. Dat een advocaat dit zo maar in beweging kan
zetten. Dat verraad van de Bogenstraat was natuurlijk de hefboom. Meewerken
dus. Oké, dan naai ik hem nu een oor aan. Judo Adrie, de ingezette worp
overnemen, en vloeren. Ik laat hem binnen, onderwijl me excuserend met bewust
aangedikte emotie.
“Ja,
sorry, ik moest dit even verwerken. U begrijpt toch wel dat ik me overdonderd
voel? Mijn ex-vrouw schakelt volkomen overbodig uw hulp in. Kom maar kijken, en
kijk alsjeblieft goed”, zeg ik, terwijl hij de huiskamer binnenstapt. “Ah, ja,
kijk maar eens goed rond. Ziet het er hier uit alsof ik de inboedel aan het
weghalen ben?” Hij bindt in, ook wel onder de indruk van mijn verontwaardigde
expressie. Ik krijg hem op mijn hand voel ik. Hij is het met me eens. Deze
actie lijkt nu ook in zijn ogen volslagen overtrokken en stompzinnig, maar
vooral ook kwetsend. Hij volstaat met een vluchtige inspectie, en stelt zich
dan tevreden met mijn verklaring dat ik niets ontvreemd heb. Beleefd en
zorgvuldig was ik; livide werd ik. Hij heeft aan mijn bleke geschokte
verontwaardiging gezien dat er niets aan de hand was. Dat zegt hij ook. Maar
zijn begrip is hem later danig ingepeperd door mijn ex en haar kenau van een
advocaat. Hij moest terug en tot mijn verrassing staat hij twee dagen later
weer voor de deur. Maar nu blijf ik mezelf meester.
“Ah,
bent u daar alweer? Iets vergeten zeker?” Nee hoor, hij moest en zou een
complete lijst van de inboedel maken, was hem op het hart gebrand door de
advocate. Arme kerel, zo je brood te moeten verdienen.
“Goed”,
zeg ik laconiek dit keer. “Kom binnen, ik zal met je meewerken. Pech voor jou,
want nu ben je nog wel even bezig en dat voor allemaal voor niks. Kop koffie?
Ach, komaan, kijk niet zo treurig, jij kunt er ook niets aan doen. Maar ik
verlang dan nu ook zelf een zorgvuldige controle aan de hand van de lijst die
zij opgesteld heeft. Alles wat niet op de lijst staat is er niet, dat begrijp
je toch wel hè. Alles wat wel op de lijst staat maar er niet is, is er ook
niet. Ik heb ook spullen aangeschaft na de scheiding, en ik heb een paar dingen
opgeruimd, bijv. de oude matras. Dit gaat u veel werk opleveren. En hen gaat
het geld kosten. Eigen schuld.”
Ik heb
het wel een beetje met hem te doen. Hij vertelt, dat de tegenpartij hem
verweten heeft dat hij zich door mij heeft laten overdonderen en buiten spel
heeft laten zetten. “Ja”, hadden ze hem gezegd: “hij is hartstikke intelligent
en kan heel geraffineerd manipuleren, en dan is hij volslagen onbetrouwbaar”.
Dit is Rie ten voeten uit. Laf en nu zelfs gemeen op de achtergrond orakelen.
Dit is met een duur woord “karaktermoord”. Ja, ik weet dat dit erg scherp is
gezegd, maar stel je ook eens voor dat zoiets over je gezegd wordt en dat door
iemand met wie je 33 jaar geleefd hebt. Wie anders dan zij had zoiets over mijn
persoon kunnen zeggen?”
“Oh,
spelen ze het nu over jouw rug?, zeg ik tegen hem. “Dat klinkt toch niet erg
flatteus wel? Jij zou je door mij voor het lapje hebben laten houden? Herken je
daar iets in?” vraag ik hem. Wat een minderwaardige manier van doen, wat een
asociaal ellendemens moet die Haverhoek zijn. Laat ik het ook maar via de
advocaat spelen. Zoveel wantrouwen en zoveel onfatsoenlijke, meedogenloze
hardheid.” Ah, als ik de kans krijg dan voer ik je een havermoutkoekje van
eigen deeg dames, gromt het in mij. Hoe komt Rie aan zo iemand. Ach,
natuurlijk, aanbevolen door een van de weekendgasten van de HB, ongetwijfeld:
“Rie moet je horen, als je nog een advocaat zoekt, dan ken ik een hele, hele
goeie; een vrouw, iemand die door dik en dun achter je staat; iemand die geheid
alle kastanjes voor je uit het vuur haalt en er meer uithaalt dan er in zit.”
In de
HB komen veel vrouwen met huwelijksproblemen en echtscheidingsproblematiek en
heeft daarmee wel iets van een eerste-lijns opvanghuis. Ja en waarom ook niet.
Die vrouwen komen inderdaad op rust, dat wil zeggen, als de financiën eenmaal
geregeld zijn, want dat moet begrijpelijkerwijs wel allereerst gebeuren.
Het is
overigens maar zelden dat het weer goed komt tussen de vechtelieden. Het
huwelijk gaat in de meeste gevallen ondanks of juist dank zij dit helende
klimaat toch naar de knoppen. “Kiezen voor leven” heet het dan, door de dood
heen gaan, je kleine verdriet en je falen overstijgen en je invoegen in het
verhaal van een groter spiritueel geheel, een nieuwe kerk. Zo krijgt je kleine
leven zin. Dat grotere geheel is voor de HB uiteraard een natte droom à la
Bodard. Ze zeggen er niet bij of voor
hen na een aantal jaren samen leven binnen de HB, hun droom in vervulling is
gegaan. Een interessante vraag is het of ze echt wel zo gelukkig zijn geworden
met hun leven in dat grotere geheel.
In het
begin is het natuurlijk een en al euforie, mede dank zij de verslavende
aandacht die nieuwkomers krijgen, maar vroeg of laat klopt de realiteit met de
stugheid van alle dag op de deur. Dan is het maar de vraag of de mensen van de
kleine HB-leefkern in een van de particuliere huizen waar je als gast voor
korte of lange tijd komt te wonen, ook elkaar voldoende ware vriendschap en
warmte kunnen geven. En altijd is er een stricte gezagstructuur, waarin je je
maar moet zien in te voegen. Soms lukt dat prima, soms ook niet. Maar veel keus
heb je niet. Veel tijd om na te denken ook niet, want er is een overvol
dagprogramma met activiteiten waar je verwacht wordt aan mee te doen, variërend
van werk in TD of keuken, groepsbijeenkomsten, evaluaties, zangles,
gemeenschappelijke maaltijden, en niet te vergeten drie maal per dag een dienst
in de kapel waar je toch ook weer naar toe moet wandelen of fietsen en weer van
terug moet komen. Je hebt gewoon geen tijd om met je problemen bezig te zijn.
De dagen vliegen voorbij en als je geluk hebt nemen ze blijvend je vragen mee.
Antwoorden heb je niet gekregen maar je hebt misschien kunnen leren om
praktische oplossingen te vinden en de emotionele kant van je problemen te
overstijgen. Nogmaals, zijn de HB-mensen inderdaad in staat om die nabijheid
met elkaar te leven, en daarin gasten die vaak problemen hebben mee te nemen?
Al die religieuzen zijn immers uitgetreden, hebben ellendige geschiedenissen
achter de rug, omdat ze ongelukkig waren en het niet meer konden uithouden in
het liefdeloze klimaat van het klooster, hun eerste ideaal, hun spirituele
huwelijk met Christus. In feite hebben ook zij dus een scheiding achter de rug.
“Zie de dienstmaagd des Heren” is dat nog steeds hun lijfspreuk? De grote vraag
voor hen “wie is nu de Heer?” is gebleven. God, YHWH, Allah, Boeddha? Maar nee,
dat is allemaal veel te ver weg, te afstandelijk. De Godheid wordt veel
dichterbij ervaren, geïncorporeerd in mensen als Nada en paterJanB. De HB is
met de toevloed van deze vaak ontredderde, maar in wezen nog altijd toegewijde
religieuzen best wel gevaren. Aan hen kon immers met vertrouwen de organisatie
van het gemeenschapsgebeuren worden toevertrouwd, de ogen net als vroeger
gericht op het AlGoede.
Het
echte leven in de maatschappij is anders. Dat beweegt zich rondom de keuze voor
het juiste met het goede als inspiratiebron. Rie, je zit dus nu ook op de
schoot van wat volgens jou het goede is. Hoe kun jij in je liefde daarbij zo in
verval zijn geraakt. Maar soit, het is niet meer de moeite om bij stil te
staan. Dan krijg je alleen maar gelul bij een open graf. Jullie zullen mooi
voor de consequenties van je handelen moeten opdraaien. Ik heb immers niets ontvreemd.
Ach, nee, dat is waar ook. Ze heeft een pro deo
advocaat. Haar kost het niets. En mij? Driehonderd gulden per uur.
Ik ga
Scheidegger afdanken: “ik ben door overrompelende privé-omstandigheden
genoodzaakt me voorlopig terug te trekken als docent”. Klaar. Scheidegger is me
te veel en te tijdrovend. Ik moet het anders gaan aanpakken.
<Ik
snak naar een dosis ongecompliceerde levendigheid. Zal ik naar Heibloem gaan?
Een kijkje nemen op het vrijgezellenbal? Misschien een ongecompliceerd lief
vrouwtje oppikken? Als dat zou kunnen.>
<Ach man, doe nou niet zo gek
en ga maar gewoon naar Baexem, daar ken je een hoop mensen en daar is het zeker
zo gezellig.>
Ah, ja
hoor, Toon roept me al meteen enthousiast tegemoet: “Ha die Adriaan”. Lambert,
Hettie, Annie, ze zijn er allemaal. Natuurlijk ook mijn privé-paragnoste Mia
uit Roermond, en haar vriendin; ik wuif ze van over de lengte van de bar toe.
Ze lacht, en is blij me te zien. Wat een gezelligheid hier. Mensen die nog
gewoon blij kunnen zijn met de open, spontaniteit van iemand als ik; mensen die
ook niet alleen op eigen bevrediging uit zijn. Hmm, ik voel me welkom hier. Zo
kom ik ook een beetje thuis.
Lekker
gedanst zeg. Heerlijk, vrij en blij, los en zonder blos. Ik leer ook meer
mensen kennen. Ik krijg nou eenmaal gemakkelijk contact en iedere keer dat ik
met een andere dame ga dansen, stel ik ze ook voor aan ons groepje van
Brabanders: Toon, Lambert, Hettie, Annie, Wim. Dit groepje breidt zich daarmee
ook meer en meer uit. Zo bijvoorbeeld met Agnes. Een extrovert typetje zeg,
zoals blijkt bij een stevige tango. “Pas op hè, ik ben een romantisch type.”,
zegt ze als mijn rechterbeen ongezocht tussen haar benen schuift. Ah,
verrassende zachtheid. Tja, de tango is nu eenmaal kantje-boord erotiek. Best
een lekker gevoel trouwens, dat valt niet te loochenen. Verlegen ben ik er niet
mee; zij ook niet. Maar hoe dan ook, ik blijf wel respectvol, alhoewel ik ook
geniet van de reacties van de dames. Ik schijn met mijn danskunsten nogal op te
vallen. Mia zegt het: “De helft van de zaal is verliefd op je aan het worden.
Ik zit me dat zo eens aan te kijken, en je valt wel op.”, zegt ze. Nou prima
toch. Ik zit daar niet mee; niet er op en evenmin eronder. Ze dansen goed de
dames. Met wie heb ik daarnet toch ook weer zo lekker gewalst? Ik weet niet
meer hoe ze heet. Och, wat doet het er ook toe.
Ene
Marlies heeft gereageerd op mijn telefoonprofiel. Zou zij mijn eerste
telefoon-date worden?
“Had je
gedacht dat ik je terug zou bellen?”, vraag ik haar.
“Nou
nee, eigenlijk niet. Je hebt me wel verrast”. We raken heel vlot in gesprek.
Hmm, gezellig. Het mooiste is dat er ook een afspraakje uitrolt; om
21.00u, in De Tram. Ik geloof wel in een gezellig onderonsje na dit openhartige
telefoongesprek. We gaan wat leuks doen, neem ik me voor. Wat zal het worden?
Vriendschap, maatjes? Maar in elk geval niet als haringen in een te kleine ton.
Nee, ruimte moet er blijven. Ik heb een hoop vragen. Zou ze er tegen kunnen dat
ik rook? Ik wil het best laten als het moet. Wat zou ze vanavond willen doen?
Misschien heeft ze ook wel een plannetje. Ik zou best willen gaan dansen, maar
misschien wil ze liever praten. Ik moet wel duidelijk worden. Ze verwacht vast
dat ik met een idee kom. Allez, er op
af. Zorgen dat ik op tijd ben.
Daar komt ze. Ja, vast en
zeker, dat moet ze zijn. Ze loopt rechtstreeks naar de bar en bestelt een glas
witte wijn. Ik sta op, blij verrast haar te zien. Wat een leuke meid.
“Ben jij Marlies? Ik ben
Adrie. Kom maar, mag ik je jas?” Ik geef haar mijn roos. Ze kijkt me aan, blij
verrast zo te zien. Aan de bar kijken ze geamuseerd om. Een afspraakje tussen
twee al wat oudere mensen, die elkaar nog nooit gezien hebben. Dat is niet
alledaags. We gaan zitten en weer kijken we elkaar aan. Benieuwd, geboeid. Hé,
opmerkelijk, er is al meteen een sfeer van vertrouwen. Mooie grote bruine ogen
heeft ze zeg, en dan dat spitse wipneusje. Ze kijkt mij aan met een heldere
oogopslag en zeker van zichzelf. We praten direct alsof we elkaar al lang
kennen.
Ik had haar gevraagd of ik
haar mocht komen afhalen aan huis, maar dat wou ze niet:
“Nee, mijn huisje is me
heilig.” Ik versta het, en ik ben er blij om.
“Je hebt mooie ogen
Marlies,” flap ik eruit. Ze is blij om het vertrouwen dat ik kennelijk
uitstraal. Ik ben ook heel rustig en zeker. Hoe is het mogelijk. Dit is te gek
om waar te zijn. Zij heeft mij gevonden, en ik haar. We hebben elkaar zo maar
opgepikt langs de telefoonlijn. Wat een ongelooflijk toeval. Worden we dan toch
geleid? Zij en ik, alle twee deden we dit voor het eerst in een spontane
opwelling, op zoek naar iemand om mee te leven.
“Wat doen we Marlies? Naar
Maasbracht gaan bijvoorbeeld? Oké. Dan komen we langs mijn huis. Mooi, dan kan
ik even mijn fototoestel weg leggen. “Ja, kom maar even mee hè,” zeg ik haar.
We zijn gebleven.
Ze kijkt belangstellend
rond. “Gezellig hier. God, wat heb jij een apparatuur.”
We zijn in sneltreinvaart
bij elkaar thuis aan het komen, meer en meer. Hoe kan dat? Is dit nog te
stuiten? We praten en praten. “Zal ik eens een muziekje opzetten? We hebben
geen haast hè, Marlies.”
We zitten naast elkaar op
de bank. Zij haar been over me heen. God wat is dat lang geleden, wat een
lekker gevoel. Ik streel haar, knuffel haar. Is dit allemaal werkelijk? We
dansen. Ze geniet en kijkt me aan met haar grote ogen, kennelijk net als ik
verbaasd om wat er gebeurt. We geven kusjes, nog zoekend de weg langs die
neuzen van ons. Ik til haar op, druk haar tegen me aan; zij in niets
ontwijkend. “Twaalf uur al. Jezus, de hond; och, die redt het wel, die slaapt
wel door.”
Onze ontdekkingstocht gaat
verder. “Wie ben jij toch”. We willen weten, horen, zien. We vertellen. Ik,
vertrouw me toe en voel me veilig bij haar kleine uitingen van authenticiteit:
gebaren, geluidjes. Ze zegt goede dingen tegen me. Ze is iemand naast me.
“Ik heb een vrouw nodig om
mijn ex-vrouw te vergeten Marlies” Ze begrijpt het, maar is ook bezorgd. “Is
dit niet te vroeg voor je Adrie? Jij moet ook op de eerste plaats van jezelf
houden.”
“Ja, dat is waar, maar ik
moet me kunnen uitdrukken; ik heb respons nodig. Ik voel het: ze is echt een
vrouw naast me. Ik wil haar leren kennen. Maar het is tijd; ze wil ineens weg.
Ik breng haar naar haar auto. Krab de ramen schoon. Ze kust me en ik schrik van
haar plotselinge spontane tongkus. Ze voelt het en ze schrikt op haar beurt van
mijn reactie. Even vallen we beide stil, maar ik haast me om terug bij haar te
komen.
“Adrie, weet je wel zeker
dat je dit wil?”, vraagt ze.”
“Marlies zo’n kus heb ik
nog nooit gehad.” De volgende morgen bel ik haar
op. Zij reageert blij, met weer van die kleine kreetjes. Verrukt hoor ik het
aan. Hoe omschrijf je al die kleine uitingen van leven. Dat kun je niet, en dat
hoeft ook niet. Maar ik hoor de levensstroom onder ons contact. Ze begint over
mijn reactie op haar zoen. “Wou je dat niet?”, vraagt ze. “Marlies, ik stond
even perplex ja, het kwam zo plotseling. Dit kende ik helemaal nog niet. Ik ben
ook gewend om zelf initiatief te nemen. Maar ho, begrijp me niet verkeerd. Ik
vind dat prima hoor. Je verraste me, dat is alles.
Ze is
slank, teer, en toch stevig, en ze lijkt heel zeker van zichzelf. Ja, ze staat
als een huis, een zelf, een eigen, een ik. Staat ze naast mij? Ze windt me op.
Dit is allemaal te gek voor woorden. Ik snap het niet. Dit gaat wel erg snel
allemaal. Zijn wij bestemd voor elkaar? We zijn beide tweelingen, wispelturige
mensen naar het schijnt. Kunnen wij maatjes worden, dikke intieme vrienden die
het leven kansen geven, elkaar tot leven brengen, leven geven, oproepen, uit de
grond kijken? Vertrouwend, zonder krampachtig vastgrijpen, zelfs zonder
houvast?
Het
antwoordapparaat heeft een bericht. Marlies heeft tevergeefs geprobeerd me te
bellen. Hoe zou ze zich voelen? Zal ik ze nog even bellen? Nee, nee, dat kan
niet, het is al 2 uur. Een beetje teleurgesteld, en vol van Marlies, ga ik de
nacht in. De volgende morgen bel ik haar meteen op.
“O,
hai, Adrie.” Ze is opgewekt en ik ben blij verrast om haar spontane positieve
reactie. We zitten zeker een uur te kletsen. Zij praat over haar dag samen met
haar moeder. Ze heeft oude foto’s van haar gekregen.
“Ach,
wat ontroerend, is ze misschien afscheid aan het nemen”, vraag ik. Marlies
schrikt er van. Ik vertel haar over mijn ervaringen met mijn eigen moeder. We
praten door hoe mooi dat geleidelijk afscheid nemen eigenlijk is. Als je zo
zoetjes aan met je leven in het reine kunt komen. Als je zo alles lost kunt
laten en af kunt geven, net als me die foto’s, is dat niet mooi? Geweldig toch.
Ze begrijpt me, maar de schrik blijft een beetje hangen. ‘s Avonds belt zij mij.
We praten door alsof we niet zijn opgehouden. Ze geniet ervan en ik ook. Ik
vertel haar over mijn zondag: borreltje in het bruin café, mijn fotoreportage
van het Sinterklaasfeest. Ik vertel over mijn idee om samen met een boer in het
dorp het boerenbedrijf te gaan filmen. Daar gaat heel wat in om, van alles waar
de gewone burger tegenwoordig geen weet meer van heeft. Die denkt dat de
aardappels aan de bomen groeien. Ik ratel maar door. Heb ik niet teveel
gepraat? Ja dus.
Die avond kan ik haar niet te pakken
krijgen. Ik heb wel een keer op tien
geprobeerd haar aan de lijn te krijgen, maar noppes. Eerst almaar een
bezettoon. Ah, ze is dus thuis. Dan ineens gaat de telefoon over. Hé, het gaat
dus toch nog lukken? Maar nee, tot mijn teleurstelling neemt ze niet op. Hoe
kan dat nu? Ze is of thuis, of in elk geval thuis geweest. Hoe dan ook, ze
neemt niet op. Ik heb er de smoor in gekregen, ze kan me wat Marlies. Adriaan,
je bent hard op weg om gek van haar te worden. Nee, samen uitgaan zit er nu
niet meer in. Ik ben dan tenslotte toch maar alleen gaan dansen, dit keer in
Heibloem, in “De Troost”. Ik kom daar eigenlijk nooit. Het zal ook de laatste
keer zijn, want er staat me een forse verrassing te wachten.
Ik ben
nog steeds geïrriteerd. Ik merk het aan die stomme kerel aan de entree, met
zijn gewichtigdoenerij en zijn kaartjes. Lul.
He,
verrek, ahh leuk. Kijk nou eens aan, hoe heet ze ook weer? “Ma danseuse” achter
de tap. Hier? Zij is echt een vrouw naar mijn hart. Ik ken haar van “de
Postkoets”. Tjé, wat heb ik ooit fijn met haar gedanst. Ze begroet me ook met
vrolijke herkenning. “Werk jij hier?”, vraag ik haar. Als altijd komt er een
direct antwoord, eenvoudig en helder.
Ze
heeft wallen onder haar ogen, maar ze is lief, en waarachtig. Mooie benen, hoor
ik iemand achter me zeggen. Ja, die zal ze ook wel hebben, denk ik. God, wat
een manvolk hier; veel jachtig kijkende kerels. Dan zie ik ineens tot mijn
verrassing dat inmiddels overbekende blonde koppie. Nondeju, hoe kan dit nu.
Marlies hier? En die vrouw naast haar; vreemd en wat komt die mannelijk over.
Eigenaardig, en ze kijkt ook wat angstig, duidelijk niet op haar gemak. Wat
vreemd. Is Marlies met dat mens hier? Hoe kan dat nu? Is ze soms lesbisch,
bisexueel? Dit is toch werkelijk, ja wat? Duidelijk is in elk geval dat dit
haar en mij enorm confronteert. Alle positieve indrukken van ons samenzijn
lijken in een klap weggevaagd. Het ergste is, dat ze mijn blik ontwijkt. Ze
doet afwerend, wil me niet kennen. Ah, dat doet de deur dicht. Ik ga er op af,
ik moet dit onder ogen zien.
“Jij
hier Marlies?”, vraag ik haar. Ik heb nog zo geprobeerd je te bereiken, en nou
wil je me niet kennen? En wie is dit hier! Heb je iets met haar? Dit vind ik
niet leuk. Snotverdegodver.” Ik kijk haar boos aan, haar onthutste compagnon
verder negerend. “Dit klopt toch van geen kanten Marlies. Ja, natuurlijk heb je
alle rechten aan jezelf. Je bent mij zeker geen verantwoording verschuldigd,
maar je had duidelijker en eerlijker kunnen zijn naar mij. Je hebt nu wat met
mijn voeten gespeeld.” Ze weet niet wat ze moet zeggen, en draait van me weg.
Het is wel duidelijk. Ze zit verlegen met de hele situatie. Ach nee, dit heeft
geen zin meer. Ik wil weg van hier. Allemachtig, hoe bestaat het. Hoe kan
iemand zo dubbelhartig zijn. Ik trek me terug, onaangenaam getroffen door de
situatie. Gelukkig is daar ook nog mijn danseuse. Ze ziet dat ik aangedaan ben.
Ze heeft van achter de tap alles gevolgd zegt ze. “Blauwtje gelopen Arie?” Ik
waardeer haar, al voel ik me gegeneerd. Dat ze zo bezorgd voor me is, voelt
weldadig, maar tegelijk roept het verzet op. Ik voel me verneukt. En waarom heb
ik niet de tijd genomen om het rustig op een rijtje te zetten. Waarom moest ik
zo explosief doen? De paradox tussen ons samen zijn bij mij thuis en wat hier
gebeurt, wringt en lijkt hopeloos bizar. Dat was het dus wel zeker? Wat een
klotige ontknoping. Het was ook veel te mooi om waar te zijn. Had Marlies soms
duistere plannetjes met me? Hm, nee, dat geloof ik toch niet, maar uitgesloten
is het toch ook niet. Ik realiseer me dat het geen zin heeft om er verder nog
over na te denken. Het ei is gebroken, het ijs ligt er, en de teleurstelling is
compleet. Kijk om je heen Adrie, en leef verder, een ervaring wijzer; dat is de
enige manier! En dat doe ik, en wel onmiddellijk.
Amai,
god, kijk daar, dat is nou eens een echte kat! Zwart haar, gitzwarte ogen,
overdreven ordinair kauwgom kauwend, en de haren los. Een zwarte panter. Ik ga
met haar dansen. “Hoe heet jij, panter? Je bent net een panter”, zeg ik tegen
haar met mijn beste grimas”. Ze kan dat wel waarderen zie ik. We dansen
gedreven. God, wat een pit heeft dat wijf.
“Ik ben niet heet , ik ben mezelf” antwoordt
de panter op mijn vraag hoe ze heet. Haar directe antwoord is amusant in de
spraakverwarring, maar maakt ook indruk op me. Een hele doodgraversrevue trekt
intussen voorbij, zoekend, naderend, ontwijkend en kijkend vanuit de ooghoeken,
maar ik dans, dans, en dans en streel het leven, al is het met een cynische
grijns. Uit mijn ooghoeken zie ik dat Marlies weg is; uit het oog verdwenen,
met haar gezellin. Tabé dan maar. Tot nooit meer ziens. Ik wil hier ook weg.
Even mijn danseuse achter de tap goeiendag zeggen. Ze is hartelijk naar me.
“Ik
dacht al, zou hij zo maar weg gaan zonder me even gedag te zeggen.”
“God,
meid, als je geen vriend had dan wist het wel”, antwoord ik.
“Wat
geeft dat? Dan ben ik toch ook van de straat af, en verder doe ik toch wat ik
wil.” Verrek, zou ze in mij geïnteresseerd zijn? Ze vindt me in elk geval
aardig, dat voel ik aan haar reactie en aan de manier waarop ze me aankijkt. Ik
vraag haar ten dans de volgende keer. Ze is ook echt mijn type. Maar ik ben
zo’n verdomde intellectueel. Past zij wel bij mij met haar spontane eenvoud.
Trouwens, ik mag wel uitkijken voor haar ventje. Is Marlies zo snel vergeten?
Hoe bestaat het.
Mikkie
voelt zich kiplekker in zijn papegaaienkooi op zijn nieuwe plek.
De
Nationale Nederlanden heeft me toch maar mooi voor de rente een gespreide
betaling gegeven: nu kan ik de rente maandelijks betalen. Hoi. Idem van Pro
Civibus. Goed dat ik gebeld heb. Ik heb mijn situatie nuchter uiteen kunnen
zetten. Ze zien geen probleem. Geweldig. Dat geeft me even lucht. Nu nog aan
Vogels hetzelfde vragen. Het tikt ook idioot aan bij hem. Hij kost me nu al
meer dan fl. 3000,=, allemaal veroorzaakt door de vertragingstactiek van mijn
ex bij de boedelscheiding. Er zou nog menig duizendje bij gaan komen. Ik voel
me eenzaam.
Pièrke,
de timmerman, is in Thorn mijn enige vriend. We treffen elkaar altijd op zondag
na de mis in de Zonnewiezer, waar we dan een paar borreltjes eenzaamheid
wegdrinken. Meestal komen er wat later nog wat andere stamgasten bij. Ah, en
daar is dan ook Mia. Mooi is ze weer. Ja, zeker, op en top vrouw.
“Hai,
Mia.”
Kijk,
dat is het voordeel van het leven in een dorp. Hier kun je als vrouw gerust in
je eentje een bruin café binnen lopen. Wat wil Mia eigenlijk. Ook zij zoekt,
maar wie of wat? Mij wil ze niet of toch? Ik denk aan Marlies. Wat een
verschil. Ik volg het leven maar. Het? Wat is dat, het?
Ik sta
weer eens verbaasd over SefR, “den ouwen bekker”. Jawel, mijnheer is in de
negentig, maar hij is steevast van de partij met gezellige praat. Zoals altijd
gaat het over het dorp, de muziek, over de Bokken en de Geiten, en
uiteraard over vroeger, dé onuitputtelijke bron van verhalen. Pierre zit er vol
mee, maar Sef ook hoor. Alletwee rasvertellers. Iedereen kent die verhalen
natuurlijk behalve ik, en ik kan er gelukkig voor hen niet genoeg van krijgen.
Mijn aandacht en de vragen die ik stel, vinden ze prachtig, vooral Sef. Zijn
korte termijngeheugen laat hem in de steek, maar van vroeger weet hij alles tot
op het bot. Ik ben dus niet te beroerd om hem voor een volgende reprise in het
zadel te helpen. Zo gaat het dan door tot exact 12 uur, dan is het abrupt
afgelopen. Afrekenen en naar huis. Ze leven hier stipt op uur en tijd, op de
minuut nauwkeurig.
Ik moet
onder de mensen blijven komen voel ik, en ik wil ook wel weer eens een vrouwtje
in mijn armen houden. Haar lichaam voelen, haar borsten af en toe zachtjes
tegen me aan strijkend. Ach, die verrukkelijke zachtheid, en die ronding. Gaat
het wel ooit over voor een man, die hang naar het vrouwelijke?
“Hé,
Adrie”, klinkt het opnieuw: Toon, Lambert, Wim. En de dames van de bar in
Baexem: Mien en Agnes. Tju, we worden closer. Met Mien is er een probleemloze
openheid. Rondborstig, en zacht is ze; ik voel het, ze danst graag met me. We
praten wat af onder het dansen en daarna. Agnes is een stevige dragonder. “Jij
hebt zware botten.”, zegt ze. “Heb je ook zonen? Nou dat zullen dan ook wel
mannetjesputters zijn zeg”. De flemerij druipt hier wel van af. Ik, zware
botten? Hoe verzint ze het. Toch is het een tof stel dames. Ze nemen geen blad
voor de mond, en waarom ook. Het zijn hier geen van allen doetjes. Menige gewaagde opmerking gaat hier
vlotjes de ether in. Ze vinden het prachtig dat ik daar spontaan in mee ga,
goed van tongriem gesneden, en me dus zelf ook niet onbetuigd laat. “Och,
schatteke, waarom gaan we niet een weekendje weg? Lekker naaktzwemmen; beetje
kunstmatige ademhaling toedienen af en toe.” “Ahh, wat bedoel je, dat ik
passief moet gaan liggen? Mooi niet. Heb je geen sandwich knuffel? Ik doe niet
voor minder.”
“Ah,
neeje, ik dacht eerder aan een broodje leverworst.”
“Hè?
Wat..?”
Fijn
gevoel als je merkt dat de dames ook graag met mij om gaan. Heerlijk vrij ben
ik, en ik voel dat ik leef. Maar is dit genoeg? Voor eventjes, of voor af en
toe wel denk ik. Maar is dit de intimiteit, vertrouwdheid, tederheid die ik
zoek, die ik nodig heb ? Hm, tja.
Twee
aardige dames komen later aan ons tafeltje: Carla en Claire. Claire danst
verrukkelijk. We hebben wat afgewalst zeg. Jezus, we draaiden als gekken. Later
walsten we op van alles. Dolle pret. Ik heb me rot gelachen. Zij ook. Ik op
mijn wandelschoenen, dat moet ik de volgende keer toch wel even anders doen, of
ik breek mijn nek nog. Verrukkelijk als je elkaar zo aanvoelt in je bewegingen.
“Toon, kom je op mijn verjaardag?”
“Hè,
ben jij jarig?”
“Ja, 26
mei.”
“Maar
kerel, dat is pas volgend jaar.”
“So
what? Je moet er op tijd bij zijn toch. Weet je wat, we vieren het alvast
vanavond.” Je moet nog maar afwachten of je volgend jaar haalt, of niet soms.
“Enne?”
Nee, ik ben niet zo gek meer dat ik meteen op de mooiste van het dorp aan zou
koersen. Dat wordt toch niks. Iedere vrouw is de moeite waard om een dansje mee
te doen, houd ik mezelf voor. De rest komt vanzelf of helemaal niet. Ja, ze wil
best ten dans, deze simpele vrouw. En ik dans. Probeer ik mijn vervelende
ervaring plat te walsen? Goed zo Adrie, maar ga regelmatig terug naar de
eerste, en de tweede, en ga dan pas verder op zoek. De vrouwen vinden het
prachtig. Ja, ik dans tenminste. De meeste mannen hier zijn echte
boerenkinkels. Ze hangen aan de bar, en hijsen pils. Voortdurend wel steelse
aandacht voor de vrouwen; dat wel. Ik ben veel meer open en direct. Maar,
zullen ze hier zeggen: “Dat is ook unnen Ollander”.
“Jos,
drink je altijd rode wijn jong?” “Ja, meestal wel hoor. Nee, voor mij geen
pils”. Jos is de oudste thuis. Komt van een boerderij, en is half Vlaams.
Genoeg stof voor mij om adhesie te betuigen. Ik geef hem de ruimte. Hij wordt
al gauw vertrouwelijker en vertelt over zijn papagaai, die hij heeft
meegesmokkeld uit Curaçao! “Mooi excuus om eens naar dat land toe te gaan”.
Zijn zusje wil wel mee. “Jij mee? Och, dat kan hoor. Voor de 1200 piek die ik
anders hier zou uitgeven komen we wel met zijn tweeën op en neer. Als we voor
de rest samen het bed houden dan zijn we goedkoop uit, toch? Wat jij?”.
Gezellig gebadineer dus, probleemloze toogpraat. BroerF komt ook nog even
langs. Hij is een van de bekenden in het dorp, is overal bij betrokken, en
schijnt het gemaakt te hebben.
“Wat
heb jij voor je raam staan?” vraagt hij me. Een lichtkrant? Wat staat er op?”
“Alles wat ik doe.” “Wat is dat dan?” “Tja, lees zelf maar, daar is hij voor,
weet je.” Steekspelletjes, dat kan best. De Hooge Berkt komt ter sprake. Ze
willen me sparen aan de ene kant, maar zijn toch ook benieuwd. De HB wordt hier
door deze realistische mensen een beetje meewarrig bekeken.
“Jullie
mogen alles weten hoor. Vraag maar.”
“Allez,
is het nou een sekte of niet”.
Vooruit
meteen dan maar weer de hamvraag. Ik vertel over een open kloostergemeenschap,
zo’n beetje tussen een klooster en een parochie in. Of het daarmee duidelijker
is geworden? Waarschijnlijk niet. Maar meer willen ze niet weten. De
HB-gemeenschap is en blijft een vreemde groep mensen apart. Maar dat was het
Stift vroeger toch ook?
“Hij
moet toch ook eens kunnen oetkallen.” zegt Piet. In het dialect. Dat raakt me.
Het komt ineens zo sympathiek over. Ze hebben het kennelijk met me te doen?
Weer voel ik dat ik bij deze mensen aansluiting gevonden heb. Maar ja, nu met
die scheiding; dat weten ze hier allemaal. Ze beseffen dat ik het niet
gemakkelijk heb.
“Jij
hebt je tenminste goed aangepast.” zegt hij tegen me.
“Ik?
Oh, nee hoor. Ik ben gewoon mezelf gebleven, maar ik kan het met de meesten wel
vinden ja, dat wel”. Hmm, mijn antwoord valt goed. Of ik ook mosselen kom eten?
Haring toe.
“Ik
kijk wel uit, dan krijg ik weer een rotte vis in mijn tas zeker”. Piet:
“Oh,
nee hoor, die lui komen hier niet meer”
“Die
lui? Maar Piet, die hebben het niet gedaan, je denkt toch niet dat ik gek ben
hé.” Piet schrikt, zet grote ogen op. Hij voelt zich betrapt, dat is duidelijk.
Ik zie het terwijl mijn blik langs hem heen glijdt. “Nee Piet, inderdaad, daar
praten we niet meer over.” Dit wordt wel gewaardeerd voel ik. Ik ben ontgroend,
zonder dat ik het besefte.
Voor
het eerst sinds jaren ben ik met Sinterklaas alleen geweest. Een flesje wijn
opengetrokken; een plaatje opgezet. Mikkie moest maar eens in zijn kooi
blijven. TV’ tje gekeken. Naar wat? Weet ik niet meer. O ja, ‘s avonds was er
een vampierrrrfilm. Och, wel leuk, maar een keer is genoeg voor een heel
mensenleven. Wat een onzin. Dokter Zjivago ligt klaar voor straks. Maar wanneer
kijk ik daar naar? Verdomd waarom is mijn toetsenbord nou zo springerig.
Irritant is dat. Zou ik toch maar een psion 5 kopen?
<Mijn
ervaringen met vrouwen zijn de laatste tijd niet erg bemoedigend.>
<Hm,
de laatste tijd Adri? Zit je eigenlijk niet gewoon je puberteit over te doen,
of misschien in te halen? Ervaring opdoen, kijken, contacten leggen, laten
lopen, aanhalen?>
< Ik
weet in elk geval wel: begin nooit met een vrouw die op weg is naar een relatie
of die er al een heeft.>
Het
begon zo leuk met een spontane ontmoeting op het dorpsplein. Die avond bij haar
thuis was ook heel plezierig. Wat een openhartigheid. Daarna ben ik nog een
keer bij haar op bezoek geweest, en dat was het; over en uit. “Hij heeft je
toch niet lastig gevallen hè”, had haar vriend gevraagd. Gelukkig is ze eerlijk
geweest, anders had het nog een vervelend staartje kunnen krijgen. Ik vermoed
dat ze in verwarring geraakt is. Ik ben ook altijd zo direct. Ik ga in mijn
contacten steeds heel snel de diepte in. Een vrouw gaat er in mee; geniet van
de intimiteit die ontstaat. Maar dan raakt ze later geheid in de klem met die
andere al dan niet vermeende relatie en hup over is het voor mij. Ze had ook
moeten zeggen dat ze een vriend heeft. Maar, ik ben te confronterend, kom te
overweldigend over. Och, ik leer zo wel los te laten en te relativeren. Ik moet
maar gewoon genieten van wat het moment te bieden heeft. GVD mijn heup doet
zeer. Zit ik soms teveel?
Het is
druk in de Oranjerie. Het concert is net afgelopen. Snel naar de leestafel dus,
waar net een man op zijn donder krijgt van zijn echtgenote: Leuk om daar naast
te gaan zitten. De ruzie gaat gewoon door. “Daar ben je nou al drie maanden
over aan het kallen.” Lul, denkt ze er achter aan vermoedelijk. God wat een
bitch. Tja, hij heeft nog steeds geen bevredigend antwoord gekregen blijkbaar.
En ik? Ik zit weer achter mijn palm topje.
Dat is toch wel plezierig hoor zo aan deze tafel, lekker mijn gedachten
laten gaan, free wheelend, met een half oor luisterend en af en toe wat
noterend. Het laatste slokje van mijn Bokbiertje, en, oké, dan ga ik nu naar
het museum. Ik heb er zin in en begin spontaan te neuriën. Zou ik voortaan elke
zondagmiddag er zo tussenuit knijpen? Even de benauwdheid van het dorp ontstijgen.
Alhoewel, zondag ‘smorgens is het hier in het dorp ook altijd gezellig. Dan heb
ik zo mijn vaste gang, naar de Zonnewijzer en naar Het Stift. Dat is
belangrijk, want alleen als je
regelmatig je gezicht laat zien word je vertrouwd en groei je er meer en meer
in. Ik merk het aan Piet, de kastelein. Hij spreekt me tegenwoordig zelfs
spontaan aan. Ja hoor, hij is nu ook als barkeeper wat meer op zijn gemak. Hij
zweet niet meer zo en kijkt ook meer ontspannen. Ik ben benieuwd wat dat
mosselen eten bij hem wordt. Twintig gulden, dat is niet te duur voor een
avondje uit. Het zal wel niet bij mosselen alleen blijven. Dat wordt
doorzakken, en So what?
God wat
duurt het lang voordat ik weer kan gaan dansen. Ik zit er halverwege de week al
echt verlangend naar uit te kijken. Laatst was het ook weer als vanouds
gezellig. Weer een enthousiast onthaal: “Ha Adrie.” Eerlijk en heerlijk, ik
geniet daarvan. Ik wil ook alle vrouwen even begroeten, en met de een na de
ander zal ik gaan dansen. Zou ik echt aansturen op een vrijage? En wat gaat er
om in de hoofden van de vrouwen? Wat verwachten die? Ben ik wijs genoeg als een
van hen nou eens wil proberen mij te strikken? Dat kan ook gebeuren. Zou er
iemand jaloers kunnen gaan worden als ik zo doorga? Ik ben nu vrij en
ongebonden, maar wek ik geen illusies? En wat als ik ze teleurstel? Krijg ik ze
dan tegen me? Wat als ikzelf teleurgesteld wordt? Verdomd, weer allemaal
vragen. Ik moet wel helder in mezelf blijven. Ik heb nog niemand ontmoet die
mijn inspanning echt waard is. Ik zal vrij blijven tot ik echt totaal op iemand
val, en kan zeggen “Ik zie je graag”. En dan, we zullen wel zien. Ja, zien,
want zo’n contact verloopt via de ogen. Misschien heb ik pech, net als met Mia.
Ach, ja, Mia, dat is een juweel, maar goed. Ik zal opnieuw verstandig moeten
zijn. Loslaten en charmant blijven tegen iedereen. Dat moet mijn handelsmerk
zijn.
Een te
jong blondje met fijn gesneden gezichtje zit wat somber te kijken langs de
kant. Ik zie dat ze wel wil dansen, maar niet durft. Ik ga er naast zitten. “Ik
kan niet dansen”, zegt ze. “Oh, jawel”, kom eens mee. Ik troon ze mee en we
bewegen samen op een Engelse wals”. Beweeg maar mee op de muziek.” Ze gaat mee.
Ik voel haar jeugdige vrouwelijkheid als we de passen van de Engelse wals maken.
Ze gaat mee, en ze krijgt het warempel te pakken. Adriaan, jij bent me er ook
eentje. “Ja, het begint te gaan.” Wat voelt ze? Of is ze teveel in de ban van
het leren om ook de erotiek van ons contact te voelen? Ik ga haar nog eens
vragen, maar ze durft niet. Ik zie uit mijn ooghoeken hoe een paar oudere dames
gespannen maar vooral verontwaardigd toekijken. Ik voel de broeierigheid onder
het gerimpelde perkament van hun oppervlak. Wie zal het eerst “Oude smeerlap”
zeggen, uiteraard zonder te beseffen dat ze zelf al half gemummificeerd zijn.
Vrouwen die sinds mensenheugenis hun maagdelijkheid kwijt zijn maar er zich nog
altijd zorgen om maken. Mijn Roermondse is er ook. Aan de bar zoals altijd. We
maken een praatje. Ze geeft blijk van een verrassende mensenkennis. “Als jouw
ex zo’n stap zet, dan heeft ze er toch al lang mee rond gelopen.” Verdomd, ze
heeft ongetwijfeld gelijk. Rieteke was al sinds jaren her aan het weglopen. Het
klopt. Ik wist het in feite ook al lang, maar ik heb het niet echt onder ogen willen
zien. Ik wilde dat mijn huwelijk zou slagen, tegen beter weten in. Echt
struisvogelgedrag: kop in het zand steken; het niet willen weten.
Dan
krijg ik bericht van de postbank dat ze op haar verzoek mijn krediet
geblokkeerd hebben. Dat is vervelend voor me, maar nou kan ik haar ook geen
geld meer geven. Nu zal ze moeten wachten
tot de uitspraak van een voorlopige regeling. Ze krijgt hiermee eens een
koekje van eigen deeg. Nu moet ze ook maar zelf geld gaan lenen. Maar ze jaagt
me wel steeds meer op kosten, en ik denk dat ze zich dat heel goed realiseert.
Mijn alsmaar stijgende advocaatkosten bijvoorbeeld. Zelf heeft ze een pro
deo advocaat. Nee, het is onthutsend
als de ware aard boven komt.
Zal ik
Stan bellen? Nee, hij moet nu maar eens zelf bellen. Hij mag voor mijn part bij
zijn moeder blijven. Hij heeft best veel van haar weg trouwens. Ook hij moest
vanuit zijn zogenaamd beroepsmatige deskundigheid zo nodig een mening hebben
over mijn psychische conditie. Alsof dat werkt bij je eigen vader. Maar het
besef benauwt me toch wel wat: Adriaan je staat echt alleen op de wereld beste
jongen. Maar, haa, ik heb dus ook alle mogelijkheden van de wereld om er wat
van te maken. Ik hoef naar niemand te kijken. Ik sta in mijn geboorterecht.
Speel en lach jongen, desnoods met een traan; nader en laat gaan, verbindt je
als het wederzijds blijkt en als er vrijheid blijft, zodat je ook de ruimte
hebt om weer los kunt laten; probeer nooit, nooit meer iemand vast te houden.
Het is
niet altijd rozengeur en maneschijn. Op de dansavonden loop ik ook wel eens in
een vervelende confrontatie. Neem nou die bekrompen stoeltjesmentaliteit. Onder
het dansen staat een groot deel van de krukken minutenlang leeg. Ik weet wel
dat die bezet zijn, maar soms ga ik eventjes naast iemand zitten om een
babbeltje te slaan. Meer dan eens word ik dan plots bars gesommeerd om op te
staan. “Hé, hier zat ik”, klinkt het dan verbolgen en soms ronduit agressief.
Het ergst is het met die ene figuur, die mij vóór zijn vriendin langs ten
behoeve van een tafelgenoot snauwerig sommeerde op te staan. De zak beseft niet
hoe onhoffelijk hij eigenlijk is, ook jegens zijn gezellin. Ik peper hem zijn
onbehoorlijke gedrag wel in. Maar het is voer voor een varken. Nee, voor mij
behoeft er geen vaste plek te zijn. Jezus, overal kom je die starheid tegen,
dat is wel het vervelendste wat een mens kan overkomen. En ze zitten bovenop
hun vrouwtje, zo jaloers als de pest. Ach, ik denk dat de vrouwen in feite
precies hetzelfde zijn: eng en bekrompen. Gek dat ik over vrouwen liever
positief denk. Ik verwacht daar geen ordinair gedrag bij. Het is voor mij
schokkend als ik dat wel tegen kom. Gelukkig zijn er ook leuke ontmoetingen.
“Wat?
Ben jij een echte Vlaamse? Nee toch? Ah mai, wat krijgen we noe?” Leuk, aan te
schuiven bij deze twee dames. De ene pittig, bruine ogen, van die fijne Franse
lijntjes om haar mond. De ander gezellig, gevoeliger, rondborstig, vrij. Ze
dansen alle twee verrukkelijk en zonder terughoudendheid. Wellicht? Zou ik ze
nog eens tegen komen? Dat was mijn eerste kennismaking met Clair en Carla.
Oh ja,
het kan ook gewoon gezellig zijn in de Oranjerie, als je genoeg hebt aan
anonimiteit tenminste. Nou, oké, hier ben ik dan, mens tussen de mensen.
Tegenover me is een intellectueel pratend echtpaar druk in gesprek. Ze staan
net op het punt te vertrekken. Zij is duidelijk een echte lachebek; rond
koppie, fijn brilletje. “Ha, haha,..Tot ziens, en nog een prettige dag verder
hè.”
“Ja,
hoijè hè.”, de typische Limburgse reactie, die ik me spontaan aangemeten heb.
Ze
vertrekken. Hm, jammer, dat waren echt gezellige lui.
“Hij is
fysiotherapeut”, licht een vader zijn zoon voor. “As du wat aan de knoken
hebst. Dan mostde noar hem her”, zegt hij. Wat kan zo’n dialect toch
belachelijk klinken. Nu, ineens is hij stil, en kijkt bedachtzaam in zijn
portemonnaie. “aas du dit op hebst, dan goanne we.”
Zoonlief
heeft intussen alleen een deel van de frietjes opgegeten. De lekkere groenten,
komkommerschijfjes en sla, heeft ie laten liggen. Weg zijn ze, en weer een
ander stel komt op de proppen: moeder en dochter. En daar aan een tafeltje
apart zit een oude mevrouw met een opvallend grote doorgegroeide neus. Ze kijkt
voortdurend rond en zit al een tijd aandachtig rond te kijken. Trouwens, hier kijkt iedereen, en
kijkt en kijkt. Ook ik. We kijken allemaal naar elkaar. Soms openlijk, soms
steels. Wij mensen schijnen er nooit genoeg van te krijgen om naar elkaar te
kijken.
De oude
mevrouw, heeft eindelijk aanspraak. Haar dochter is gearriveerd. Ook die laat
haar blik rond waren. Is ze weduwe of gescheiden? Even blijft haar blik op mij
rusten. Haar onderlip is minzaam omhoog gestoken. Wat doe ik hier eigenlijk
lijkt ze uit te drukken? Met moeder mee nog wel. Ze kijkt wat verbaasd toe als
moeder zo maar wat bestelt.
“Eerst
ene cocktail moeder”, zegt ze vermanend. Ze speelt haar ontluikende
levenservaring uit: “Eerst ene cocktail en dan gelijk bestellen, ratelt ze
ineens door.” Haar eerste schreden op het maatschappelijke toneel.
Vanavond
ga ik maar weer eens naar de Troost. Misschien is dat aardige vrouwtje er ook
weer? Hè, dat vrouwtje? Ik lijk wel een feminofiel. Soms denk ik er niet bij na
en vind ik het hartstikke leuk om te gaan dansen, en dan ineens dringt het tot
me door hoezeer ik eigenlijk afhankelijk ben van anderen. Dansen in de Troost.
Jawel schrale troost. Het is ook zo’n vluchtig tijdverdrijf. Ik besef het, ik
ben eigenlijk op zoek naar iets duurzaams, een vrouw naast me, aan mijn zijde.
Een alinea uit een Judaïsch leerhuis schiet me te binnen: de vrouw is de zijkant
van de man, en omgekeerd ook waarschijnlijk, al wordt dat niet gezegd. Volgens
de specialisten, vormen ze als paar de twee kanten van de tempel van de Heer,
en dat is niet niks. Het Jodendom ziet de vrouw als gelijkwaardig aan de man
dat is duidelijk, maar heeft ook een zuiver oog voor haar eigen aard en
mogelijkheden. Zij is “de koningin van de huiselijke haard”. Dat zou ze
misschien moeten zijn ja. Ik weet het van dat franse boekje over het Jodendom
dat ik vertaald heb. Allez dan, op naar de tempel.
Ik was
al vroeg daar. Te vroeg eigenlijk. Er is nog nauwelijks publiek. Dat geeft me
mooi de kans om een babbeltje te maken met de mannen van de band. We praten
over muziek, computers, en we grappen en grollen. Gevatte opmerkingen vliegen
over en weer. Hm, dat was een gezellig onderonsje, maar het dansen was shit.
Geen dames van mijn leeftijd. Te veel jong spul, niet opgewassen tegen zo’n
ouwe man die nog zo charmant loopt te doen. Don Juan incarnatus est.
Een wals en niemand op de vloer. Ze willen eigenlijk niet, of kunnen ze niet?
Gelukkig is Mien daar. “Jij maakt heel mijn avond goed Mien. Ik vind het puur
ongezellig hier.” Mien is echt heel leuk, een schat. We verstaan elkaar ook
wel. Ze geniet ook van mijn vriendelijkheid.
Aan een
tafel zit een hele club, ja wat, zigeuners? Staartjes en alles erop en eraan.
Ze zijn overduidelijk aanwezig. Wat een trotse mensen. Zij dansen wel, en ook
heel stijlvol, echt met inzet. En die vrouwen al idem dito. Moet je zien hoe ze
de tango dansen. Ze hebben stijl. Het trekt me aan. Zou ik contact maken?
Ik
richt me hoffelijk maar niet timide tot een van de ouderen. ”Mag ik je wat
vragen? Niemand kan hier walsen. Ik zie dat jullie zo goed dansen, zou ik een
van de dames mogen vragen of ze met me wil walsen?” Hij reageert positief.
“Vraag
haar maar.”
“Ja,
mag ik U komen vragen?” “Ja. Wat, heet jij Adrie? Das toevallig, hij hier heet
Kadrie. En dan heet hij zeker Ka3.” De aangesprokene vind het niet echt leuk
geloof ik. Hm, voorzichtig maar. Geen jaloezie oproepen.
“Hé,
dat is geinig, ik ben dus in goed gezelschap”, antwoord ik neutraal. Het is op
het nippertje. Ook een van de andere mannen ziet mijn toenadering blijkbaar
niet zo zitten. He is een vierkante, fiere man. Donkere teint, grijzige baard,
trots.
“Wat
heb je gezegd?”, vraagt hij me op de man af.
“Nee
hoor, ik heb niets gezegd, ik heb wat gevraagd.” Wat ik vroeg hield ik voor me.
Was het zijn moeder soms?
Allez,
ik ben er weg, even fier schrijdend; mijn pijnlijke heup is even vergeten. Het
eerste contact is gelegd. Dat komt nog wel goed. Ze dansen weer langs. Ik hef
proostend mijn glas. Hij voelt dat ik respect heb, en geeft een signaal van
verstandhouding, en zo hoort het ook.
Leuk om
een paar lui te treffen die ik al ken. Allemaal zijn ze uit op dat ene contact
met dat enige vrouwtje dat voor hen bestemd zou moeten zijn. Wederzijds
verliefd worden, zo maar om wie je bent. Het schijnt te kunnen. Vroeger ging
het zo. Ik voel ineens dat ik hier outplaced ben. Ik hoor hier niet. Hier
gebeurt ook niet waar ik naar verlang. Nee, ik ga hier niet meer naar toe. Te
veel jong spul. Ze kijken naar me. Ze zijn in me geïnteresseerd, maar zijn
tegelijk ook terughoudend. Nee, ik geloof niet dat het de leeftijd is. Ik denk
dat ze uitgedaagd worden door mijn vrije manier van doen. Het trekt ze aan en
stoot ze af. Ze snappen me niet. “Wat is dat voor iemand die zo daar in zijn
eentje staat te dansen”, schijnen ze te denken, want dat doe ik.
Onverstoorbaar. En ik heb grotelijks plezier ook. Zitten nou de zigeuners naar
mij te kijken? Jawel, ik weet ook wel dat ik opval. Maar ikzelf zie intussen
ook alle vrouwen, stuk voor stuk: één voor eén passeren ze de revue. Ik ben
precies hetzelfde als iedere man: een hongerig mannetjesdier.
Dat
vrouwtje is niet verschenen. Ik had ze best weer eens willen treffen. Nou ja,
nou nee. Ach wat? Nee, ik kom hier niet meer. Naar huis. “Mientje.”, ik wuif
naar haar. Blaas een kusje naar haar toe. Ze reageert verrast. Ze zijn hier ook
niks gewend, zeg. Naar huis. Ik denk dat ik een volgende fase in ga. Ik begin
genoeg te krijgen van dat kijken naar vrouwen. Waarom doe ik dat eigenlijk? Wat
verwacht ik? Moeilijkheden kan ik krijgen. Een boze zigeuner in mijn nek als ik
niet uitkijk.
Ik heb
gemerkt hoe goed het is om een zekere regelmaat te leven. Ik moet nogal eens
denken aan dat boek van Böhl, Biljart um halb Zehn. Ook ik merk maar al te goed
de betekenis van een vast patroon en ritme, voor mezelf en voor mijn aanzien in
het dorp. Ik houd me er ook zeer bewust aan. Het borreltje en babbeltje met
mijn ouwe vriend SefR, den Bekker kan ik ook niet meer missen. Ah, daar komt
hij alweer met zijn stereotype insteek:
“Arie,
weet jij hoe het komt dat er hier twee harmonieën zijn?”
“‘tIs Adrie, Sef.”
“Ah, ja sorry Ari”.
“Ja,
dat weet ik Sef, dat heb je me al eens verteld. Hij reageert wat teleurgesteld.
Ik weet het, het is een hartstikke mooi verhaal”, zeg ik vergoeilijkend.
“De
pastoor is van verdriet gestorven.”, begint hij aarzelend, en hij krijgt alweer
tranen in zijn ogen. Gevoelige man, die Sef.
“Ik gun
het niemand van verdriet te sterven. Dat lijkt me verschrikkelijk”.Ik moet dat
verhaal toch eens gaan opnemen. De famR en de Koninklijke Harmonie; al 5
generaties zijn ze er lid van. Hij moet vanmiddag naar een concert voor de
oud-leden. Hopelijk is er iemand die foto’s maakt.
“Wat? Arie, heb jij dat op film staan, onze
gouden bruiloft? Hij doelt op zijn huwelijk. “Dat zou ik dan wel eens willen
zien.”
“Ja Sef, dat kan, maar dan beleef je wel een
hoop verdriet, dat weet je hè.” Hij snapt het. Zijn vrouw is niet zo lang na de
bruiloft overleden. Dat gaf voor Sef een immense omschakeling. Hij sloeg zich
er manmoedig door, maar zijn kinderen zagen het niet zitten dat hij zo alleen
in het ouderlijk huis bleef wonen. Zijn korte termijn geheugen is grotendeels
naar de vaantjes, en hij weet dat zelf ook. Dan kon hij toch maar beter naar
het bejaardenhuis gaan? Ze moesten hem overreden, en ze hebben op hem
ingepraat. Nu heeft hij er veel spijt van en hij voelt zich door het leven
tekort gedaan. Hij kan er niet over beginnen of de tranen springen hem in de
ogen. Ach, wat een gevoelsmens. Maar toch, zijn kinderen hadden het beste met
hem voor. Ja, dat neem ik toch aan. Zo’n oude man alleen in huis, en dan koken
en zo, dat kon toch niet. Hij zou niet de eerste zijn die het gas vergat uit te
doen. Vroeger was Sef de beste van de klas; ja, en hij had een geheugen als een
pot. Alles ging er gemakkelijker in dan eruit. Hij hoefde maar één keer een
ellenlang gedicht door te lezen en hij kende het van buiten. Ik weet dat, want
ik heb verschillende van die gedichten meerdere keren aanhoord. Net als dat
verhaal over het ontstaan van de beide harmonieën. Niet erg hoor, want dat is
ook werkelijk een prachtverhaal, en Sef kan meesterlijk vertellen. Allez, dat
vind ik toch. Ook dat verhaal zit woord voor woord, en letter voor letter in
zijn kop, en komt er woord voor woord, letterlijk hetzelfde met punten en
komma’s, telkens weer uit.
Ik ben
nog maar net binnen in Horn als Carla arriveert. Ze geeft me een kusje. En ik
retourneer het van harte. De erotiek golft door me heen: was dat kusje echt? Men can’t help acting on impulse, gaat
het door me heen. Ik besef plots dat een man als was is in de handen van een
geraffineerde vrouw als Carla.
Toon is er, Lambert, Nico, Mia de astrologe
uit Roermond. Vele anderen die ik zo langzamerhand goed begin te kennen. Carla
lijkt heel lief en aanhankelijk bij het dansen. En toch, is ze niet naar
iedereen zo? Of alleen naar alle mannen die ze graag mag? Dan zie ik zie
toevallig hoe ze vertrouwelijk een hand op het been van Nico legt. Ah, amai,
Carla. Met jou moet ik uitkijken, besef ik. Haar vriendin uit Maaseik is echt
heel aardig. Een rondborstig, gevoelig, artistiek type. Eigenlijk iemand als
ikzelf. Ze schildert, houdt van muziek, schrijft, tekent, speelt toneel.
Verdraaid, en wat al niet. Ze is weduwe. Niet zo opzichtig opgemaakt als haar
vriendin; wat een vrouw. Ogen die kijken met een diepe gloed, als het oog van
een vulkaan.
“Mijn
astrologe” wordt belaagd. De vent blijft aan haar kleven als een teek aan een
pels. Wat een dondersteen. Wat een opdringerige pief. Jaloers en met jachterige
geprikkelde drift-ogen kijkt hij rond. Hij is duidelijk met een begerige
binnenkant behept. Ik zie aan de vent hoe onvrij je kunt worden. Maar ook hoe
je anderen onvrij kunt maken, als je beheerst wordt door sexuele bezitsdrang.
Hij stoot mij zogenaamd toevallig, maar in feite grof aan, als ze met mij aan
het praten is. Wat een vilein creatuur. En kijk hem eens zijn best doen als ze
dansen, niet bij machte de vrijheid te benaderen die zij en ik ten voeten
uitstralen als we samen dansen. Ik zal hem in de gaten houden, want hier komt
ellende van. “Mia, als je me nodig hebt, ik zal er zijn”, zeg ik tegen haar.
“Wij zijn maatjes, en we dansen als gekken, met creatieve levenslust. Hij
krijgt geen kans meer.”
Jong,
Adrie, blijf toch vrij, blijf gezellig naar iedereen. Als je de pech hebt dat
je verliefd wordt, tja dan is er niets aan te doen. Maar ga in Jezus naam niet
lopen jagen. Dan kom je overal buiten te staan. Verliefdheid is alleen goed als
het gevoel totaal en wederzijds is. Gebeurt het, tja dan moet het maar, dan heb
je in elk geval kortstondig geluk in het verschiet, en dan mag je hopen dat er
verder iets goeds uitkomt. Maar je kunt veel beter vrienden blijven, en af en
toe een knuffeltje uitdelen. Dat is nog gezellig ook. Maar wordt alsjeblieft
geen hunkerbunker.”
slank
stralende, verrukking,
kan
schoonheid ooit mooier zijn
dan
toen die dag
ingehouden
adem benemend,
om te
zien, stil verlangend, ja
Herinnering
tastbaar, als huid
op
huid, teder stilte strelend
voel ik
haar,
warme
onderstroom van levend
besef
ik: uitverkoren ben ik, ja
verte,
zacht zeurende pijn om wij;
kan
ooit onze diepgang vervagen?
zullen
we vinden de bron ten leven
Het is
te zeggen: Ge wilt mij? Ja?
De
post. Tussen de stapel enveloppen vind ik het bericht van Vogels, die me de
uitspraak meldt van de rechtbank. Hé, ik mag in de woning blijven. De
alimentatie wordt voorlopig fl.2005,=. Met het belastingvoordeel komt dat op
fl.1000,= per maand. Dat moet te doen
zijn. Nu zal ze toch een huis kunnen gaan huren. Maar wie weet blijft ze
wel in de HB wonen?
Het is
een eenzatige kerst dit jaar, alleen thuis met John Denver. Wat een muzikaal
talent is die man. Onovertroffen is zijn lied “home grown tomatos.” En dansen
kan ik ook best alleen hoor, met Mikkie op mijn schouder. Die was ook al meteen
opgewekt aan het mee kwetteren.
Er zijn
van die menselijke ondernemingen die alle lof verdienen. Zo bijvoorbeeld de
levende kerststal in kerk Weert. Wat een ongelofelijk prachtig geheel,
levensecht en dus ook levensgroot. En die koningen: beelden gemaakt,
geboetseerd door amateurs; werk van acolieten. Nou, nou, wat een mooie
uitdrukking op die gezichten. Er zijn veel vrijwilligers bezig onder de
bezielende leiding van Deken van de Valk. Interessante man. Ik heb hem
aangesproken. Natuurlijk ging het ook even over Thorn en zijn nachtmis. “Nee,
dat was jammer, maar ik kon daar niet naar de nachtmis gaan, met al die rijke
opsmuk.” Met Kerstmis zoek ik eenvoud en betrokkenheid, en dat zie ik hier.
Nee, deze pastor zal zich echt niet aankondigen als Dr Van der Valk.
Dit is
hem dus. Van der Valk. Jezus, Adrie, je hebt dus weer zo’n verdomd vooroordeel
gekoesterd. Je hebt je weer eens al te gemakkelijk op sleeptouw laten nemen.
Maar er is misschien nog hoop voor je, als je dit maar eens inziet. Verdomme,
hadden ze zo’n nachtmis maar in Thorn kunnen houden. Prachtige levende
kerkgemeenschap hier. En druk. Wat een sfeer.
“Ja
deken, ik ben blij dat ik hier terecht gekomen ben. Nu is het voor mij ook
Kerstmis.” De deken vindt het best, hij laat niet in zijn kaarten kijken.
Dezelfde warm-christelijke pretentieloze sfeer tref ik aan in het bruine café
naast de kerk bij een kop hete chocolademelk met slagroom. Aangename kout. Ik zit
aan één grote tafel met een hele familie: drie generaties uit Someren, speciaal
overgekomen voor de nachtmis. Een probleemloze kerst dus, ook hier aan deze
tafel.
Na
enige aarzeling heb ik Stan toch maar weer een brief geschreven. Hij laat me
mooi zitten. Ik heb niets meer van hem gehoord na dat laatste korte briefje,
waarin hij zijn afspraak met me afzegde. Ja, ja, hij zou er nog een brief
overheen schrijven. Ik heb laten uitkomen hoe ver hij inmiddels van me af is
komen te staan.
“Waar
ben je Stan? Ver weg vind ik. Ik moet diep graven om je tegen te komen. Ik zal
maar gewoon beginnen met deze brief, en mijn weg gaan. Misschien dat mijn
gevoel dan terugkomt.” Ik heb hem toegewenst, volwassen als hij is met zijn
dertig jaar, zijn weg te gaan in een verscheurde wereld met zijn scherpte en
tegenstellingen. Geen positie te kiezen aan de ene of aan de andere zijde: dat
zou slechts tot verkramping en verstarring leiden. Hetgeen hij al ervaren
heeft, gezien zijn onvermogen om te reageren naar mij. Ik sta er verbaasd over
hoe gemakkelijk gevoel vervaagt. Het afscheid nemen en loslaten van Rie valt me
veel moeilijker dan het loslaten van Stan. Hij is tenslotte volwassen, en hij
moet een eigen weg gaan. En ik ben blij dat ik in strikte zin althans van de
vaderrol verlost ben. Hijzelf wil zich ook als zoon van mij losmaken, daarbij
“ter zijde” gestaan door zijn vrouw. Ik hoop voor hem dat hij zich in zijn
bewondering voor haar naar het schijnt geweldige schrijverstalent, niet voor
haar gaat wegcijferen, door haar te veel ruimte te geven. Ze heeft alles in
zich om hem, zonder zich dat te realiseren misschien, voor haar karretje te
spannen. Ze is al meer dan eens huilend thuis gekomen omdat ze het met haar
kennelijk nogal tere hartje in weer een andere rotbaan niet kon uithouden.
Hopelijk houdt hij naar haar voet bij stuk: studeren, schrijven, prima, maar
dan wel consequent zijn en er aan werken.
Ik heb
hem mijn gedicht Afscheid gegeven in een aparte envelop en hem gewaarschuwd,
dat het niet iets was om zo maar even open te maken. “Maak hem open op jouw
tijd, en als je alleen bent.” Ik heb ook gezegd, dat hij die brief met inhoud
ook mocht terugsturen als hij er geen kennis van wil nemen. Eerlijke taal, maar
het zal wel weer onverstandig zijn geweest. Je wordt in dit soort zaken toch
altijd verkeerd begrepen. Als het hart niet ontvankelijk is, dan kun je het
vergeten. Dan wordt alles wat je doet door een gekleurde bril gezien, en het
beeld wat ze van me hebben kan dan alleen maar bevestigd worden. Tja, en ik sta
nu te boek als “de agressieveling”. Daar heeft Rie voor gezorgd. O nee, niet in
zoveel woorden, maar meer door te laten doorkomen dat ze bang van mij is. Ze
heeft zich zo behendig een alibi bezorgd voor haar handelen. Kon ze anders doen
dan weglopen? Ik hoop toch dat Stan later dit boek leest. Ik hoop het, dan kan
hij lopend op mijn smalle paadjes zien wat mijn waarheid is en hoeveel ik, ook
door haar, heb moeten afzien.
Het is
er van gekomen. Ik heb nader kennis gemaakt met “een van de twee”, met Claire.
Ze heeft me verbaasd doen staan: wat een vrouw. Ze kan van alles, heeft van
alles gedaan ook: maakt kleding, bekleedt stoelen, schildert, maakt poppen, is
reislustig, en heeft verdraaid ook een rijk en gecompliceerd leven achter de
rug. Twee maal is ze getrouwd geweest. De eerste maal met iemand die niet tegen
haar opgewassen was. Hij schoot om de haverklap van het ene uiterste in het
andere, van helemaal voor tot helemaal tegen, en dat dikwijls op een en
dezelfde dag. Dat is niet vol te houden. Ik had het tot haar verbazing al snel
door. Jaloers, miskend, verongelijkt. Te licht voor haar.
Haar
tweede man was zwaar alcoholist, zo een die agressief wordt als hij teveel op
heeft. Niemand had haar vóór hun huwelijk daarvoor gewaarschuwd. Hij heeft
later twee maal in een dronken bui het huis in brand gestoken. Ongelofelijk. Er
moeten toch signalen zijn geweest. Blind voor de werkelijkheid was ze opnieuw
het huwelijk ingestapt. De man is tenslotte aan zijn drankzucht kapot gegaan.
Wat moet ze afgezien hebben. Nu woont ze in een mooi huis, sinds twee jaar. De
man is op haar verjaardag het ziekenhuis ingegaan met een forse maagbloeding en
is een paar weken later gestorven mede te danken aan twee kapotte nieren, een
slecht functionerende lever en zijn eigen opstandigheid.
We
hebben nog gezellig en stevig gepraat bij Claire thuis. Ze vond het goed dat ik
met haar meeging. Ze vertelt geleidelijk aan steeds meer, voelt zich ook meer
en meer veilig denk ik. “Carla is hard”, zegt ze. “Waarom laat je dat hondje
van je geen spuitje geven?” had ze eens opgemerkt. Een beetje onbezonnen en
loslippig, want ze had zich moeten realiseren hoeveel Claire om dat hondje gaf.
En inderdaad later heb ik zelf mogen ervaren wat een schatje dit beestje,
Fenny, is; lief, trouw en aanhankelijk. Het was daarmee wel duidelijk. Deze
Carla heeft twee gezichten. Een harde kant en dan is ze echt lelijk, en een
gevoelige, verliefde kant en dan is ze werkelijk knap. Maar hebben niet alle
vrouwen dat? Ik heb dat zelf zo duidelijk in Rie ervaren. Op het laatst had ze
de Killing fields op haar gezicht staan. G.v.d. als ze je verstoten uit hun
gevoel, hard en lelijk worden ze dan. Laat maar gaan, en keer je af van een
vrouw als ze niet echt van harte om je geeft. Want doe je dat niet, dan ben je
genaaid meneer. Denk dan maar niet dat het wel weer goed komt.
Na een
nacht doorzakken ben ik toch weer om negen uur op. Hè, hè, even rustigjes aan
doen hoor. Wat een rot kop heb ik. Zal ik Claire bellen? Ja, oké, zo meteen,
het is nu nog te vroeg. Nieuwjaar, dus handjesschuddag. Ik zal maar eerst naar
Sterrebosch gaan. Dan naar de receptie bij de deken en dan naar de Gemeente. De
scheiding kerk en staat is weer actueel geworden. De nieuwe burgemeester wilde
niet met de Kerk samen. Hij is kennelijk zo’n principiële PvdA figuur, die de
scheiding van kerk en staat strikt wil naleven. Gezellig druk is het hier op
het stadhuis. Bij de Deken was het wat stijfjes met al die notabelen, maar hier
komt anders dan je zou verwachten, meer het gewone volk en is de sfeer
gemoedelijk en losjes. Allez, het rijtje af. Als eerste handjes geven aan de
Burger en zijn nog altijd charmante vrouw. Ik zie mezelf tot hun verrassing een
petit revérence maken. Dat dansen haalt toch iets aparts in me omhoog. Ik weet
wat het is: “le mousquetaire”, de frivole, martiale, toegewijde,
vrouwvriendelijke, hoofse verdediger van eer en trouw, maar wel met een
erotisch ondertoontje. Alleen de elegante hoed met veer ontbreekt. Ik zie de
verbaasde en gecharmeerde reacties van de mensen die vooraan in de rij staan,
met vooraan de raadsleden. Tja, zo ben ik dus, in elk geval nu. Ik ga met
vriendelijke overtuiging de rij langs.
Hier
gaan de mensen in een rij staan, zodat de nieuwkomers maar langs hoeven te
lopen om iedereen de hand te geven. Ze sluiten achter de rij aan Het is
eigenlijk wel praktisch zo. Je behoeft nu niet alsmaar rond te speuren naar wie
je nog niet gehad hebt. Op mijn gemak ga ik de rij langs. Sommigen wensen me
een beter jaar dan het afgelopen jaar. Natuurlijk, het is bekend: “Zijn vrouw is er vandoor”. AnsvdB komt speciaal met me proosten
op 1999. Het roert me, of moet ik zeggen “beroert me”. Nee, nee, dat is het
niet. Ik wordt gezien en het steekt me een hart onder de riem om door te gaan.
Ik raak
in gesprek met de dokter en zijn vrouw:
“En Adrie,
teken je nog steeds?”, vraagt zij.
“Ja
hoor, alleen geen portretten meer”. Het is te moeilijk om aan modellen te
komen” lieg ik.
“Nou,
ik wil best eens komen zitten hoor.” Ze lacht als ze mijn reactie ziet.
“JacobaG
heeft me ook eens gevraagd.” “Oké, ik ben in blijde verwachting”. Zou ze het
menen? Ze is een mooie vrouw. Koest Bello, af! Met mijn academische
dorpsgenoot, praat ik intussen zoals te verwachten op wetenschappelijk nivo;
kritisch en beschouwend. Hij vindt het heel plezierig zo even op universitair
nivo te praten. Het appelleert aan ons beider wetenschappelijke inslag, en dat
voelt prettig. “Ze zeggen hier dat jij gepromoveerd bent in de sociologie. Dat
is toch niet zo wel?” Lachend: “Bijna waar, haha, dat moet ik onthouden. Nee,
hoor grapje, ik ben bioloog. Ik ben gepromoveerd in de natuurfilosofie, om
precies te zijn in de Ontwikkelingsbiologie.” We zouden alletwee graag nog eens
een universitaire cursus willen doen. “Is de Open Universiteit dan misschien
iets voor je? Of zo’n lezingencyclus van het Studium generale?” Hij lijkt
interesse te hebben, maar we zullen zien of er iets van komt. Het zal wel
blijven bij deze intellectuele small talk, de bekende afhangende voornemens van
bij de jaarwisseling. Ik zou me aan hem kunnen spiegelen. Hij is ernstig
diabeticus en is voor zijn werk als arts arbeidsongeschikt verklaard en dus
afgekeurd, maar hij schijnt er niet zo mee te zitten. Waarom ik dan wel? Schaam
ik me, omdat er bij mij een psychische component in zit? De mensen hier zitten
er niet mee. Waarschijnlijk interesseert het hun zelfs niet, en zien ze het als
strikt privé: “gaat me niet aan, en ik wil er ook niets mee te maken hebben”.
Zoiets. Ik heb al meer gemerkt hoe goed ze er hier in Limburg in zijn om zich
de meer problematische zaken van het lijf te houden. Ans is een uitzondering,
maar dat is dan ook een kanjer.
Ik ben
met Claire naar het nieuwjaarsconcert van een harmonie geweest. Best leuk vind
ik, maar we zijn tijdens de pauze al weggegaan. Het boeide tenslotte toch maar
matig. Bij mij nemen we een afzakkertje. Ik wilde graag bij haar blijven, en
zij vond het goed:
“Nee
Claire, ik heb geen condooms. Ik heb ze niet nodig ook. Jij bent pas de tweede
vrouw in mijn leven; van mij is geen gevaar te duchten.”
“Nou,
kom dan maar mee.” We hebben het reuze fijn gehad samen. Wat een vrouw. Wat een
power. Ik voel me veilig bij haar, kan mezelf zijn. Ik ben geboeid door wie ze
is, en hoe ze is als mens. Een
glamour-schoonheid is ze gelukkig niet, maar wat een charmante levenslust en
wat een directe oogopslag, wat een realistische kijk op het leven heeft ze.
Werkelijk een autonoom inspirerend elegant brok leven. Echt een vrouw voor de
derde levensfase: een wijze kameraad. Vreemd genoeg doet ze me aan ZrAnn
denken. We raken niet uitgepraat, en ik heb me aardig bloot gegeven. Ik heb
haar verteld over de HB, over Rie en mij. Ze is geboeid in me; voor mij is ze
een geschenk uit de hemel.
“Claire, doe asjeblieft en beetje zachtjes met
me. Ik heb last van mijn ballen.” Ze kan het maar nauwelijks geloven:
“Komt
dat van mij?”
“Ja,
nou, die eerste keer heb je me toch ook wel even stevig beetgepakt.”
“Een
beetje passie moet er toch bij kunnen komen vind ik“, geeft ze terug. Maar ze
luistert gelukkig naar me, en houdt rekening met mijn verlangens. Ik beleef nu
werkelijk een nieuwe wereld. Dit ken ik niet van een vrouw. Zij wíl echt
vrijen; ze is zelf actief, en hoe en ze geniet er van ook. Ik moet wel wennen.
Ze is toch echt heel anders dan ik van Rie, de gestreken dienstmaagd des Heren,
gewend ben. Maar ook lichamelijk is ze anders.
Volgens
haar zou ik wel eens zoveel gerookt kunnen hebben dat mijn erectie er wat onder
geleden heeft: bloedvatvernauwing, minder stijf, en eerder slap. Verdraaid, zou
dat waar zijn? Dat pik ik niet, ik geef het roken er aan. Later kreeg ik door
waarom ze zo gefocust was op mogelijke gevolgen van roken en drank voor de
conditie van bloedvaten. Bij haar tweede man was het op die punten dramatisch
fout gelopen. Vannacht was het een heel stuk beter. Haar tuintje is nu meer
bekend terrein. Ik ben nu ook veel zekerder van haar, ook van mijn gevoel voor
haar. Ik denk, godverdomme, “grrrr, ik ga nog van haar houden als ik niet uit
kijk”. Maar dit engagement zal wel consequenties moeten gaan hebben. Ik kan nu
niet meer losjes lopen flierefluiten. Daar kwam ik meteen de volgende dansavond
al achter.
zoals
altijd, kwam ik weer opgewekt binnen, begerig om alle bekenden weer te zien en
te begroeten. Gelijk al over een afstand heen werd ik toegewuifd door Annie en
haar vriendin die kennelijk ook de ingang in de gaten hielden. Och, dat is toch
gewoon leuk. Ik er naar toe. Hartelijke begroetingen en nieuwjaarswensen
alsnog. Zelfs mijn “vijanden” heb ik een hand gegeven. Een goed begin van de
avond. Daarna naar de tafel van Claire en Carla, waar Nico weer probeert de
honneurs waar te nemen; hij gedraagt zich alsof hij de tafelheer is. Een beetje
komiek is het wel met zijn parmantig postuur. Hij is nogal klein van stuk
namelijk. Hij brengt geen gezelligheid, maar trekt de gezelligheid eerder naar
zich toe. Het zijn de dames die aantrekkelijk zijn, sfeer brengen en ons binden. Als vliegen komen de mannen op
hen af. Ik ga verder met mijn begroetingen. Mijn leeuwin is er niet; ze heeft
griep hoorde ik later.
Uitbundig
en losjes, en zo ga ik maar door. Reuze gezellig allemaal, maar aan het eind
van de avond wacht me een complete verrassing:
“Claire,
zal ik met je meekomen?”
“Nee,
dat denk ik niet. Jij bent nog zoekende.” Verrek, wat voor indruk heb ik dan
gemaakt? Ben ik zo naar de vrouwen aan het kijken? Verdorie Claire, we moeten
toch eens praten. Maar ik moet met een schok voor mezelf toegeven dat ik hier
ook niet echt met Claire samen geweest ben. Ik realiseer me nu ineens dat ik
ook eigenlijk alléén binnen ben gekomen, niet samen met haar. Ik begin te
begrijpen waarom Claire zegt dat ik nog zoekende ben. Adriaantje zo zwart als
roet…Ik heb geen goede beurt gemaakt.
<Maar
was er eigenlijk ook al echt iets tussen ons? Je moet eerlijk. Ons contact kan
toch nog niet zo veel diepgang hebben. We kennen elkaar goed en wel een paar
dagen. Oh ja, we zijn zeker wel van elkaar gecharmeerd, maar nog niet veel meer
dan dat. Dat kan toch ook niet anders.> <Man, man je zit jezelf gewoon
schoon te praten. Je probeert jezelf met een theorietje te rechtvaardigen: “Ons
contact moet nog helemaal worden”. Wat is dat nou voor een gezegde. Natuurlijk,
maar het zal alleen wat worden als jij je er ook voor inzet.>
<Ik
vind haar een pracht vrouw, maar ze kan niet verwachten dat ik nu ineens
iedereen links laat liggen en alleen nog oog voor haar heb. Ik ben met die
mensen toch ook al een hele tijd leuk opgetrokken.>
<Nee, oké, dat zou ook niet goed zijn, maar
dat verwacht ze ook helemaal niet. Ze verwacht wel dat ze een bijzondere plek
inneemt en dat is wat anders dan dat je haar behandelt als een van de
velen.>
<Claire moet begrijpen dat ik kennis met
haar heb kunnen en durven maken juist omdat ik zo extrovert en vrijmoedig ben,
en graag contacten leg.>
<Je hebt het nog niet door hè. Ze geeft ook
om jou, en waarschijnlijk juist omdat je zo ben. Maar als je ook om haar geeft,
dan laat je dat blijken en dan zou je spontaan wat meer aandacht voor haar
mogen hebben.>
Die
twee moeten elkaar nog helemaal leren kennen en dat kan alleen als ze elkaar
ook echt tegen komen zoals nu. Het is wel te hopen dat ze hem ook ruimte geeft,
en niet jaloers gaat zitten doen. Inderdaad, hij is doorgaans gezellig met
iedereen, zo is hij nu eenmaal. Hij heeft uiteraard ook zijn voorkeuren, maar
voor hem is de hele club, het samen, ook belangrijk. Hij gaat dansen om onder
de mensen te zijn, om met mensen omgang te hebben. Hij heeft wel wat van een
bon vivant, een Bourgondiër en hij heeft het graag te doen met mensen. Maar bij
al de mensen die hij hier heeft leren kennen is hij, behalve dan nu met haar,
met niemand verder gekomen dan een oppervlakkig contact. Zij is speciaal, met
haar gaat hij het diepe in. Met de anderen is en blijft het gezellig pootje
baden en wat met water stoeien. Dat zijn twee heel verschillende werelden. Zij
heeft hem geroepen en hij luistert naar haar, reken maar.
Hmm,
klopt dat eigenlijk wel? Zijn er echt twee aparte werelden? Hier en daar gaan
toch zeker naadloos in elkaar over? Je bent hem aan het vrijpraten geloof ik.
Ze heeft hem kennelijk in de directe aanwezigheid gemist. Hm, ik kan haar ook
geen ongelijk geven. Misschien stuit ze hier al direct op zijn behoefte aan
vrijheid. Nee, ik bedoel niet losbandigheid, maar vrijheid in gebondenheid. Het
soort vrijheid van waaruit twee volwassen mensen elkaar met vertrouwen, en zich
toevertrouwen, kunnen naderen.
Bravo,
mooi gezegd, en ik denk dat het klopt. Maar Claire is voor hem in elk geval
echt bijzonder. Hij ziet haar ook en hij leest haar binnenste. Zij spreekt hem
direct aan en niet alleen in woorden, maar in haar fiere houding, haar
souplesse, haar directe kijken en aanvoelen, haar dragende grond. Maar ik voel
ook de wederkerigheid daarin, en dat is verrukkelijk.
Ik heb
daar op de dansavonden nog niemand ontmoet die zo’n krachtige uitstraling heeft
als zij. Is het nog maar een week geleden dat ze hem bijna de bons gaf? Niet te
geloven. Er is toch zeker al een half jaar voorbij? Maar ze boeit hem en
puzzelt hem tegelijk. Kijk maar, hij kan zijn ogen niet van haar afhouden. Ze
is ongetwijfeld heel anders dan wat hij zich bij een vrouw voorstelt. Wat een
stevige expressie, wat een kracht straalt die vrouw uit, en hoe aanwezig is ze.
Na die
eerste keer dat we samen naar bed gingen, is ze zacht en gevoelig geweest. Tjé,
wat een ervaring was dat om haar nagels over mijn rug te voelen gaan. Alsof ik
het schoolbord ben, en zij de juf met het krijtje. Mijn verbijsterde,
nauwelijks onderdrukte schrik van: “O jee, nou maak je het gelijk mee jongen,
in een tevergeefse poging tot overgave. We daarna veel gepraat samen. Vrijwel
elke dag hebben we elkaar gezien en gesproken. ‘s Avonds ging ik naar haar toe
en bleef bij haar slapen. Oh, en Kareltje is weer wakker aan het worden. We
vrijen wat af.
Adriaan
houdt er een vrouwbeeld op na dat is getekend en gevormd door zijn leven met
Rie. In de omgang met Claire kwam hij er alras achter dat hij dat vrouwbeeld
weleens mocht bijstellen. Claire is in veel opzichten namelijk het tegenbeeld
van Rie. Dat had Adrie al snel door; Claire heeft een stevig karakter en is
zeer extrovert. Begrijpelijk dus dat hij ronduit vertederd was toen Claire hem
vroeg: “Adri, zou je me wat steviger willen vasthouden?” Ja, bij vrijen gaat
het om heel de mens. Maar rustig de tijd nemen om elkaar als mens totaal te
naderen is het devies geworden. Daardoor is hij ook al snel over zijn angst
heen geraakt dat zijn penis zijn stijfte zou kunnen verliezen als het te lang
duurt. Helemaal niet erg, want hij weet, als dat al het geval is, het komt ook
gewoon weer terug. Het is allemaal onderhevig aan het ritme van de oceaan. Als
je ouder wordt, dan voel je dat beter aan, en heb je daar meer vertrouwen in.
Gewoon maar volgen hoe het gaat: eb en vloed, een gaan en komen, wetend dat de
branding blijft. En zo niet dan maar niet. Levenswijsheid komt door het doen
met de jaren, maar ook door het kijken en luisteren naar elkaar.
Wat ben
ik moe. Deze lessen hebben me totaal uitgeput. Nou maar gauw naar huis, naar
Claire, relaxen, lekker een koel pilsje drinken, en hè hè, daar komt een mens
van bij. We gaan vroeg naar bed, en warempel er is toch weer genoeg energie om
wat te knuffelen. Claire was in de zevende hemel en genoot van de vele kleine
kusjes die ik haar gaf. Ze is zo nieuw voor me. Zo spontaan en openhartig in
haar reacties en uitingen. Wat een relevatie voor me. Je hebt een vrouw nodig
om je ex te verdringen. Zonder Claire, zou ik ongetwijfeld een agressieve,
wraakzuchtige en scherpe man zijn geworden.
Claire
heeft me ertoe gebracht: impulsief heb ik de telefoon gegrepen en heb Stan
gebeld. Ze vond het spannend en keek geboeid toe. “Ik ben er even niet hoor.
Wat als ik moet hoesten?” Daar kon ik niet echt mee zitten, want inmiddels ging
de telefoon al over. Stan is verrast. “Ja, ik zat er net aan te denken of ik
niet eens contact met jou moest opnemen”, zegt hij. Is dat niet een beetje
toevallig Stan? Ben je een diplomaat aan het worden? Hij hoort Claire:
“Hé,
heb je bezoek?”
“Ja
Stan, dat is Claire, mijn vriendin.” Hij is verrast. Ja jongen, “La vie coule,
en wij kroele.” Ik weet niet of hij deze woordspeling begrijpt. En verder is
het onze zaak. Claire zit warempel te blozen. Hé, dat is nieuw voor me. Toch
vindt ze het ook leuk. Ze geniet er van dat ik Stan gebeld heb. Ik ben wel op
mijn hoede. Ik ga hem geen dingen vertellen die financiële implicaties zouden
kunnen hebben. Ik weet bijvoorbeeld niet of mijn baantje consequenties zou
kunnen hebben voor de alimentatie. Ik vertrouw Rie voor geen cent meer, en ik
kan Stan moeilijk verplichten tot
geheimhouding.
Maud
reageert heel anders dan Stan. Ze is spontaan en positief. Werkelijk, wat een
verschil tussen die twee; Stan lijkt op zijn moeder, is behoudend, wat
moralistisch en een beetje star. Maud lijkt op mij; zij is net als ik
impulsief, en ongedwongen, creatief.
“Wat,
heb je een vriendin? Wat leuk.” Ze heeft zelf net een nieuwe vriend, Ronald. Ze
is ook al aan het verhuizen. Tja, prima, als ze haar vrijheid maar houdt. Ze
heeft zo ongeduldig de neiging om zich totaal te
verliezen, zich te identificeren met haar vriend, zijn gedaante aan te nemen,
zijn geest in zich op te nemen. O, wel, daar zit ik niet op te wachten. Daar
komt de beroerde herinnering aan de tijd dat ze in Tilburg op kamers zat weer
terug. Wat een beklemmende confrontatie was dat, toen we bij haar op bezoek
gingen om haar te feliciteren met haar verjaardag.
Maud en
haar vriend zitten op de grond, allebei van top tot teen in het zwart. We
kennen haar zo niet, wat een schokkende scene. Hem kennen we sowieso niet. Zij
lijkt wel een kopie van hem te zijn. De benauwenis en naargeestigheid van de
scene springt ons tegemoet. Overduidelijk, ze is totaal onder zijn invloed, en
misschien ook onder zijn drugs. Ik voel hoe machteloosheid en verzet zich in me
opdringen. Ik kijk Rie aan en ik zie hoe ook zij geschokt is en net zo
onaangenaam getroffen is als ik. Bij haar zal de zorg domineren, en zij zal wel
proberen tot iets van acceptatie en tolerantie te komen. Ze probeert als eerste
een gesprek aan te gaan, maar de blijmoedigheid die ze ten toon spreidt komt
vreemd over. Het besef dringt zich op dat de scherpzinnige maar tegelijk
lichtzinnige Maud ons later net op dat gemaakte en op onze verwarring zal
bekritiseren. Tevergeefs, dit gaat niet, we zijn hier outplaced. Als we hier
blijven komen er vast moeilijkheden. Er zit niets anders op, we moeten maar
weer vertrekken en onze dochter hier bij dit sujet achterlaten:
“Ik
geloof dat we op het verkeerde moment zijn gekomen, hé Maud” zeg ik
vriendelijk. Weet je wat, we gaan eerst even langs je Opa, en dan zien we
daarna wel verder. Bel je ons even op als je ons kunt ontvangen? Dan gaan we
nu, en dan heb jij alle tijd voor je bezoek.” Ze geeft een vaag teken van
verstandhouding.
“Oké
dan maar, tot later. Doeii.”
Een dag
later kreeg Rie bij een telefoontje de zekerheid dat Maud in feite om hulp
vroeg. “Ah, kom op Rie, we laten er geen gras over groeien, we gaan er meteen
naar toe en onaangekondigd”. Rie had geen aansporing nodig. Hoe goed had ze
Maud aangevoeld. Hier was hoge nood; ze wil deze kerel weg hebben. Hij had zich
bij haar ingedrongen en zat nu genadeloos op haar te parasiteren en de baas te
spelen. Toen we gearriveerd waren, was een half woord en een enkele wanhopige
blik voldoende om ons in actie te zetten. Een geluk dat hij niet thuis was.
Och, het had toch geen verschil gemaakt. Eruit ging hij. Resoluut hebben we al
zijn spullen netjes achter in het schuurtje opgestapeld. We hebben nooit iets
beters gedaan dan dit door te drukken en maar gelijk aan te pakken. Maud wou
dat ook zelf, maar wat een angst en wat een paniek toen ik zijn computer
loskoppelde en die rustig en zorgvuldig in een doos deponeerde. Ze raakte er
zowat bij in paniek. Verbeten hoorden we dat hij haar kennelijk strikt verboden
had om aan zijn computer te komen. Nu we zo gedecideerd deze beweging in gang
hadden gezet, voelde ze ook het begin van bevrijding. Knap van haar, en wat een
overwinning. Ze wilde het zelf met hem afwerken en dat heeft ze ook gedaan. De
vent kon vertrekken en dat heeft ze hem zelf duidelijk gemaakt. Gelukkig
accepteerde hij het zonder verdere confrontatie. Voor ons was het een zelfoverwinning
om haar daarin te vertrouwen en haar de confrontatie alleen aan te laten gaan.
We zijn echter wel voor alle zekerheid nog een hele tijd in Tilburg stand by
gebleven klaar om toe te snellen als ze ons zou bellen. Dat deed ze inderdaad,
gelukkig, en met een geruststellende
boodschap. Hij was vertrokken en zou later zijn spullen komen ophalen. Nee, hij
was ook niet meer binnen geweest.
Vanavond
gaan we uit, maar we drinken eerst wat bij mij, aan de Wal. “Waar kijken we
naar Clair? Film?”
“Nee
hè, toch niet weer zo’n film over vroeger”. Claire geeft vlot een inswinger ten
beste. “Kijk maar uit jij, zo meteen word je weer neerslachtig, net als
gisteren bij die film over Stan zijn bruiloft.”
“Die
beelden raken me steeds opnieuw inderdaad Claire, dat klopt. Dat jij dat gezien
hebt.”
”Dat is
toch niet zo gek of wel? Ik leef met jou mee, hè, Adrie.”
“Het
gaat me niet zozeer om het onderwerp, maar ik wil je graag laten zien wat ik in
mijn mars heb op filmisch gebied”. Probeer ik haar of mezelf iets wijs te maken?
Maar Claire laat zich niet voor het lapje houden. Ze vindt het maar saai en
vervelend. Ik snap het tenslotte. Deze familiekroniek kan haar niet boeien. Mij
nog wel dan? Nee, in feite ook niet meer. Waarom draai ik die film dan
verdraaid. Ik zal met nieuwe opnames voor de dag moeten komen. We gaan opgewekt
uit in Maaseik.
Hoe zou
Mia het maken? Zou ze nog verliefd zijn op haar Martijn? De laatste keer dat ik
ze samen zag, waren ze nou niet echt een toonbeeld van gelukzaligheid. Ze zaten
er maar wat verveeld bij. Moet dat een verliefd stel voorstellen? Willen ze te
veel van elkaar? Of is hij zo’n droogstoppel. Mia is best wel duidelijk in wat
ze wil. Ze is een gezonde levenslustige boerendochter, en ze verlangt
overduidelijk naar liefde. Toch op haar leeftijd kun je niet zo maar nog maar
eens opnieuw een gezinnetje stichten. Mensen van onze generatie hebben al te
véél een eigen leven gehad. Is dat nog ooit weer samen te smelten met het leven
van een lief, hoe lief hij of zij ook is? Ik hoop dat het kan, maar ik vrees
van niet.
Ik ben
gespannen. Dat komt vast door de brief van Vogels die ik gisteren heb gekregen.
Ik ben daarna ook wat vreemd vertrokken. Die brief zit me dwars. Oude wonden,
schrijnen en schuren.
<Wees
nou eens eerlijk, er is meer aan de hand. Je hebt het ook lastig met sommige
karaktertrekken van Claire. Ik bedoel haar manier van doen. Ze kan heel lief
zijn, maar ze is soms sterk bevooroordeeld en negatief.>
<Ze
is in bepaalde opzichten ook best vreemd voor je. Soms zie ik in haar ineens
Rie terug, verdomme. Het ene beeld roept het andere op, met alle indrukken van
dien. Daarin dringt mijn verleden zich op en wringt zich in de actualiteit, en
daar heb ik de pest aan.>
<Nee, maar goed dat je dat beseft. Het is bovendien
een dwaze hang naar esthetiek die je parten
speelt. Het is niet gauw goed genoeg voor je. Ben je niet te veeleisend
mannetje? Al ben je misschien afkerig
van uiterlijk vertoon, het uiterlijk is wel belangrijk voor je. Een mooi
huidje, elegante vormen? Verleidelijkheid? Een oud probleem. Maar verdomme
kerel, waar gaat het je nu eigenlijk om? Wees verstandig en laat je niet zo
door je zintuigen in de luren leggen. Verlangen naar het schone is immers nooit
te bevredigen. Schoonheid is leeg uiterlijk vertoon, vergankelijk; het wordt
vanzelf craquelé. Zinnenprikkeling is overal te halen of het dringt zich wel
op, maar waar vind je nog een karakter als het hare?>
“Claire
ik ga naar huis. Ik wil aan het werk, er wat van maken. En nee, ik kom ook niet
eten.” “Nee?”
<Jezus
kerel, wat is dat nu opeens, kan dat
niet wat aardiger?>
<Ik
ben in verwarring. Ik moet even op mezelf zijn. Wat ben ik eigenlijk aan het
doen? Wat beweegt er in mij? Is het veroveringszucht? Ben ik ontevreden? Is
alleen het hoogste en het schoonste goed genoeg voor me? >
<Je moet in elk geval naar
Claire eerlijk zijn jongeman. Je mag haar niet voor het lapje houden door meer
te suggereren dan er is.>
<Ja,
ik moet de eigenheid van Claire echt eerlijk onder ogen zien. Claire die heel
anders bezig wil zijn dan jij. Zij wil genieten: winkelen, naar de markt, haar
tuin onderhouden, op vakantie gaan naar Spanje. Eigenlijk had ze een huis in
Spanje willen kopen.>
<
Hé, besef het maar goed, ze heeft dat voor jou opgegeven, remember! Jij wou
niet.>< Ik wil creatief zijn, nog iets van mijn leven maken. Ik kan en
wil me niet helemaal voegen naar Claire met haar recreatieve dagindeling.>
<Ben
je bang dat je alleen kom te staan als je jezelf durft te zijn? Misschien wil
je toch wel totaal vrij man zijn en wil je helemaal je eigen gang kunnen
gaan?>
<Ik
weet het niet, maar het is me in elk geval wel duidelijk dat ik nooit meer wil
samen wonen. Ik zou me te veel gehinderd voelen in mijn doen en laten. Wat rest
er dan voor ons? Zouden we kameraden kunnen worden, Claire en ik? Dan zouden we
elkaar echt wat kunnen bieden. Maar wat wil Claire? Ah, wat wil ik zelf. Ik kan
me niet gaan verschuilen achter haar.>
Ik heb
toch bij Clair geslapen, en ‘s morgens na de koffie ben ik weer vertrokken, aan
het werk zogezegd. Maar als ik haar ‘s avonds om een uur of tien opbel: “Zal ik
nog even borreltje komen drinken?", reageert ze terughoudend. Ze had me al
veel eerder verwacht bleek later. Daar hebben we het weer. Ik begrijp het. Als
je de hele avond zit te wachten, wordt je humeur er natuurlijk ook niet beter
op. Na wat luchthartige praat klaart de lucht op. “Nou kom dan maar.”Er zit nog
steeds spanning, ik voel het. Het komt er uit ook. “Adrie, als je het nog niet
weet, dan moet je dat zeggen.”
“Claire,
ik denk dat we elkaar aan het verkennen zijn. Passen we wel zo bij elkaar dat
een hechte relatie kans van slagen heeft? Wie zijn we? Wat zoeken we? We mogen
elkaar niet onvrij maken, daar kan ik niet tegen, en jij ook niet”. Maar we
genieten inmiddels wel samen van een natuurfilm op National Geographic. Wat
fijn om zo kameraden te zijn. We gaan naar bed en vrijen met overgave. Ja, ja,
kameraden hè.
Niek
van de HB komt langs fietsen als ik op de Kloosterberg sta te praten met Bèr,
een bejaarde vriend van me. En ja hoor, Niek is weer eens getooid met zo’n blij
lachje op zijn gezicht, alsof hij er plezier om heeft dat het mij goed gaat. Ik
zie het hem denken: “Kijk, het gaat hem goed. Die hebben we dan toch maar fijn
op zijn bestemming gebracht.” Nou dubbel fout. Het gaat me helemaal niet zo
goed. Ik heb de scheiding niet gewild, en mijn leven is een worsteling om te
overleven, overeind te blijven en er iets van te maken. Bovendien pas ik voor
dat gemaakte onechte gedoe, die geroutineerde vage glimlachende
medemenselijkheid. Ik kijk hem dus neutraal en vluchtig aan. Zo, nu zal het wel
duidelijk zijn. Geen steelse glimlachjes meer. Zeker niet meer na de oekaze met
de deurwaarder, waar de HB overduidelijk zo’n kwalijke rol in heeft gespeeld
door te fungeren als uitkijkpost. Wat? Spionagepost! Maar misschien weet hij
dat niet. Hij is wel eerlijk en recht op de graad. Ik ben weer kwaad aan het
worden merk ik.
Claire
heeft meegekeken in de boedelverdeling. Ze is een grote steun voor me, en god,
wat is ze meelevend en begrijpend. Maar wat wil je; ze heeft zelf ook een
scheiding achter de rug en ze is weduwe na haar tweede verbintenis. Die weet
wat het betekent als je moet scheiden, en los moet laten. Ik heb ook allerlei
goede suggesties van haar. Je zou dit allemaal alleen moeten doen. God bewaar
me.
Ik moet
eens uitrekenen of het niet voordeliger is voor me om mijn levensverzekering af
te kopen. Ik moet nu zo veel mogelijk geld vrijmaken. Ik lever dan wel veel in,
want mijn levensverzekering is premievrij. Het verzekerde kapitaal zou vanzelf
blijven doorgroeien. Dat heeft Rie ook allang bedacht natuurlijk, daarom is ze
ook zo aarzelend met de boedelscheiding. Maar wat heb ik aan geld in de
toekomst; ik wil nù leven. De levensverzekering zou aardig kunnen opwegen tegen
de erfenis van Rie, waar ik ook mede recht op heb. Ik zal er nog eens met
Claire over praten, die zal er wel een heldere kijk op dit hebben.
Ik was
weer doodmoe na de lessen in Weert. Het is me teveel aan het worden geloof ik.
Ik beheers het ook maar net voldoende en ik word tureluurs van het heen en weer
switchen van probleem naar probleem. Bovendien waren er allerlei dingen die
niet werkten. Verdorie, en ik iedere keer maar weer zoeken wat er nu weer fout
zat. Het is wel duidelijk dat ik er niet genoeg in zat om er gemakkelijk les in
te kunnen geven. Volgende keer zal het wel beter gaan. Nog eens goed studeren.
Het is
zover. Ik heb een afspraak met Stan. We zullen elkaar ontmoeten in Eindhoven op
het station. Hij ziet me het eerst. “Hoi Pa.” Verdomd, hij ziet er goed uit.
Wat een kerel. We knuffelen als vanouds. Is er eigenlijk wel ooit echt een
verwijdering geweest? We duiken meteen een café in. Stan lijkt goed de weg te
weten hier. Praten, praten. De scheiding. Pijn komt en gaat. Mijn ogen prikken,
en weer komen er tranen. Pijn om de pijn. Het is goed dat hij mijn pijn en
machteloosheid ziet bij alles wat er is gebeurd. Het is ook goed dat hij ziet
hoe ik me uit het moeras van het leven omhoog moest werken, wandelingen op
smalle paadjes in de vroegte. Over mijn eenmans-zaak, waarom ik die opgestart
heb. Welke risico’s ik heb genomen om zelfstandig te kunnen leven. Hoe ik heb
moeten knokken om niet te verzuipen. Hoe ik alleen was komen te staan, en in
feite alles had verloren. En, hoe ik door wilde leven; de keus gemaakt had in
leven te willen blijven. Ik vertel hem hoe ik me er in heb moeten gooien, hoe
ik heb moeten leren inzien en accepteren hoezeer mensen verschillend zijn, dat
er geen objectieve waarheid is, ook geen heilige boodschap. We praten bij.
Alles verzacht, er komt weer iets van eenheid.
“Kom
Stan, we gaan even een frietje eten”, en we belanden vervolgens in een ander
café. We praten verder. Over muziek, zijn bezig zijn. Hij heeft zijn apparatuur
uitgebreid met een sampler en verzamelt daarmee geluiden, die hij in muziek kan
verwerken. Prachtig. Ik adviseer hem om niet alleen in zijn kamertje te werken.
“Wat
bedoel je? Het podium opgaan?”
“Ja,
dat bedoel ik. Je uitzaaien, overstromen. Man, wat kan het je schelen, dat ze
je muziek van internet afhalen. Wat wil je dan, alles op je plank laten staan?”
Het zet hem aan het denken, hoop ik.
We
praten over eerlijkheid, oprechtheid, waarachtigheid. Door alles heen komt
regelmatig de HB op de proppen. “Als je maar lang genoeg blijft luisteren naar
je eigen roepen, en blijft herhalen dat er iets moet gebeuren, ga je tenslotte
geloven dat jij gezonden bent. Dan is het nog maar een kleine stap voordat je
je laat verleiden ja te zeggen op de velen die zoeken naar de zin van hun
leven, en ademloos luisteren naar jouw “openbaringsverhaal”. Dan trek je ook
mensen aan die zoeken naar veiligheid, en die die zich gewillig voor jouw
karretje laten spannen. Gods wegen zijn immers wonderbaar nietwaar?
“Er
zijn overal praatjesmakers, ook daar, Stan”. Ik besef dat ik op hol geslagen
ben. Ook hij kan maar moeilijk mee in mijn monoloog en zucht onder de druk van
mijn felle betoog. Maar ik heb hen van dichtbij meegemaakt, de verhalen
aangehoord die ze ook wel wat zelfgenoegzaam vertellen. “Stan, wat zou jij doen
als er iemand in het water ligt te spartelen. Juist, je loopt niet door, maar
onze eigen voorganger loopt wel door, en vertelt diezelfde avond aan zijn
discipelen een sterk verhaal over wat hij nou toch meegemaakt heeft. Nee, hij
kon er toch moeilijk inspringen, en er waren mensen zat die dat beter konden doen.
En hoe kan hij nou zijn leven in de waagschaal stellen terwijl ze hier op hem
zitten te wachten? Ja, zeg nou zelf, wat zou Monique zonder hem moeten
aanvangen? Bovendien, hij moest toch ook op tijd zijn voor het lof. Nou hoor
beste Niek, hier val je mij een beetje tegen, en jij jezelf ook denk ik.
Stan
gaat ook niet meer naar de HB. Hé, daar kijk ik toch van op. Blijkbaar is er
een hele leegloop aan de gang van jongeren. Blijkbaar hebben ze de jeugd van nu toch niets blijvends te
vertellen. Dit, wat we met ons tweeën hier hebben, is Kerk van nu.
Opmerkelijk
genoeg, houden we alle twee nog van religieuze muziek. Ik heb tijden lang
iedere ochtend Grieks Orthodoxe muziek gedraaid als dagopener, vertel ik Stan.
Tot mijn verrassing draait hij die ook regelmatig.
We
beklagen ons over de kwaliteit van de biefstuk, met het verzoek om dat toch
vooral vriendelijk tegen de kok te zeggen. Daarop vertrekken we tamelijk
abrupt, maar onze ontmoeting was goed en krachtig. Ook de volgende dag is het
nog goed. Ik heb Stan gebeld om het telefoonnummer van zijn moeder. “Ik heb
weer eens de giro met alimentatie teruggekregen. Hij zal haar vragen om mij te
bellen. Kijk, hij gaat kennelijk mee in het spelletje correct handelen van zijn
moeder. Stan belt terug en zegt dat Rie inderdaad zelf contact met mij zal
opnemen. Verrek, zou ze me gaan bellen? Ik hoor me al zeggen: dag meisje. Het
ontroert me, en maakt me soft. Verdomme, hoeveel is er eigenlijk nodig om mij
weer voor haar te openen? Maar nee, het zou gauw genoeg blijken dat dit
droomdenken is.
Claire
heeft met me meegeleefd, vertelt ze als ik ze vanuit thuis opbel. “En kom je
nog?” “Ja hoor, graag, als je dat leuk vind; ik vind het tof”. Maar wat ben ik
moe, ik moet oppassen dat ik niet te veel hooi op mijn vork neem.
Claire
is wat stil.
“Ja,
vind je het gek? Je hebt ook van die wisselende stemmingen. Vanmorgen dacht ik
dat je wel op je knieën terug zou willen kruipen.”
Ik bestrijd dat ten stelligste, maar misschien
wel iets te heftig. Natuurlijk zijn er allerlei positieve herinneringen. Claire
zal toch wel begrijpen dat ik met die scheiding ook heel wat te verwerken heb.
Ik had het me ook allemaal anders voorgesteld. Bovendien is het heel wat om
onder ogen te zien dat er dingen gebeuren waar ik geen greep op heb. Die eisende
houding van Rie bijvoorbeeld. Ze heeft recht op alimentatie maar op grond
waarvan eigenlijk? Waarom zit ze als echtbreukpleger niet gewoon in de
bijstand, zoals zovelen in de Hooge Berkt. Hoe ver zou ze bereid zijn te gaan
met leugenpraat om maar vooral iedereen er van te overtuigen dat ze niet anders
kon. Ik ben er van overtuigd dat ze me als overspannen boeman heeft neergezet.
Daarom geeft ze me haar telefoonnummer natuurlijk ook niet. Dat past helemaal
in een strategie: van ik kijk wel uit, want anders gaat hij me lastig vallen.
“Nee,
Claire, denk maar niet dat ik haar terug wil. Maar ik geef toe dat al die
verwikkelingen me niet in de koude kleren gaan zitten. Vanmiddag heb ik een
hele tijd op de bank gelegen, doodmoe. Niets uitgevoerd. Tenslotte heb ik mijn
filmrolletjes weggebracht en primula’s gekocht. Toen kreeg ik er weer wat
plezier in. Op weg naar huis zag ik Monique en Niek lopen. Een en al grauwe
tristesse stralen ze uit.”
“En wat
dacht je?”
“Ik
dacht niks, ik reed gewoon door”. Grauwheid, stugheid, allenigheid. Ik word hoe
langer hoe nuchterder. Ik kan ze nu voortaan ontspannen voorbij lopen. Het zijn
voor mij gewone mensen geworden, die niet meer zo obsessief interessant zijn.
Ik zie onverschillig her en der het blije lachje van HB-gelukzaligheid. Ik zie
de drager daarvan denken: “Hé, iemand van ons, wat fijn zeg dat ik je zie. Nu
weet ik gelukkig dat ik niet alleen ben op deze aardkloot.”
Als ik
niet uitkijk krijg ik nog een kop als een boei. Ik moet weer maar eens gaan
wandelen, bewegen, zodat alles in mijn lichaam weer wat los masseert en soepel
op zijn plek kan komen. Dit is toch ook wel een verdomd intensief jaar geweest.
Al dat gedoe met mensen. Al die vervreemding, en uit elkaar gaan. Een hele
stoet mensen trekt voorbij: John, Thijs, Chrétien, bestuursleden Vidoc, dat
contact met Marlies, Rie, de hele HB. Mijn God, de beklemming dringt zich op
dat ik misschien echt een moeilijk mens ben. Maar ik ben ook zo verrekte
sensitief. Ik ben als een HiFi-antenne, ik vang van alles op, en dikwijls weet
ik niet eens waar het nou precies om gaat.”
Claire
lijkt weer gerustgesteld. We gaan naar haar huis. Ik wil hier ook weg. Ik heb
allang afscheid genomen van die meubels hier. Ik zit in een kamer die niet meer
van mij is, de ziel is weg. En dan ligt er die brief op de mat. Een brief, dus
geen telefoontje. Ik had het kunnen weten. De inhoud? Zakelijk. Niets
persoonlijks. Of ik zo snel mogelijk het verschuldigde bedrag wil overmaken, en
maatregelen wil treffen zodat ze het de volgende keer voor de 17de heeft. Ik
ben gedevalueerd tot geldzak.
Ik ben
blij dat Clair mijn geboeidheid in Joseph Campbell deelt. Dat is voor ons
beiden werkelijk enorm belangrijk, want wat Campbell te vertellen heeft, raakt
aan mijn binnenkant. Het zit me in het bloed zo langzamerhand. In wat ik denk
en voel ik me opgenomen in zijn verhaal. Vooral waar het gaat over
tegenstellingen in het leven”.
“Heb je
in de gaten, dat wij het daar samen het daar samen ook al vaak over gehad
hebben?” vraag ik Clair.
“Ja, en
wel vaker ook”, antwoordt ze lachend. Ik kijk verrast op. Clair kan onverwacht
zo intelligent uit de hoek komen.
We
praten heel wat af met zijn tweeën, Claire en ik. Veel over onze
huwelijkservaringen. Zo brengen we elkaar in het reine denk ik. Ik vind het
geweldig dat ze me de kans geeft om zoveel over mijn leven te vertellen. Soms
stuwt de pijn over het niet gehaalde ideaal van samen door het leven blijven
gaan met koliekachtige golven op. Dan heb ik ook pijn om haar die weg is. Zij
moet het toch ook moeilijk hebben. Zou ze inderdaad weggaan uit de Gemeenschap?
Ze moet toch wel het een en ander onder ogen zien, nu ook Stan de gemeenschap
de rug toegekeerd heeft. Zou ze zichzelf kunnen worden? Misschien wordt ze wel
zo’n sterke alleenstaande, lichtelijk vermannelijkte en vercerebraliseerde
intellectueel; zo’n schrale vrouw zoals ik laatst in Roermond gezien heb in een
snackbar waar ze kennelijk vaker komt om wat te eten. Ik zag haar en vroeg me
toen ook af wat er van òns zou worden.
Zo’n
ritje binnendoor naar Helmond is best gezellig. We zijn op weg naar Carlo en
Annemie. Heel verschillende karakters hebben de kinderen van Claire. Hans is de
oudste. Een stevige werkezel. Hij repareert auto’s, ja zwart natuurlijk. Hij
heeft twee garages die hij heeft omgebouwd tot werkplaats. Klanten zijn er
genoeg. Zijn vrouw is van Indonesische afkomst. Ze is goed gebekt, aardig om te
zien, en bij de tijd. Leuke kinderen hebben ze, en er is een goede sfeer in
huis. Een jong gezin in opbouw.
“Ik heb
heel fijn met ze zitten praten”, vertelt Clair me op de terugweg. “Heel
vertrouwelijk. Het is voor hen ook wennen, nu ineens een man erbij.” zegt ze.
Daar heb ik nog niet bij stil gestaan. Verdraaid ja, ik ben de nieuwe man naast
hun moeder.
We
hebben bij mij thuis een tosti gegeten: ham en kaas. Lekker. Mikkie moest er
nog even uit. Het beestje moet even kunnen vliegen dacht ik. Ja, een keertje de
kamer op en neer en dan zit mijnheer bij me en wil vrijen.
Chaos.
Het is chaos. Sodetju, ik verzuip in de administratie. Overschrijvingen van de
giro komen terug, verkeerd ingevuld, te laat ingestuurde opgaven, waarop weer
aanmaningen komen, ik heb te veel verschillende mappen om mijn paperassen in te
stoppen, en ik zoek me rot waar ik ze gelaten heb. Er speelt ook van alles
tegelijk. Godver, als ik niet uitkijk spoelt de boel over me heen. Ik ga maar
niet naar Claire vandaag. Een paar dagen voor mezelf asjeblief. En dan zie ik
ook nog gisteren Rie voorbij komen. Zomaar, ik ging net mijn overschrijvingen
op de bus doen, en daar komt ze aanrijden, lachend en wel. Het treft me
onaangenaam. De herinnering aan haar brief is nog vers. Haar schrijfsel was
weer zoiets afstandelijks. Ik was even vergeten dat ze wanneer ze schrijft een
heel ander mens is dan wanneer ze praat. Zeker als het regeldingen betreft.
Ze
hoort nauwelijks wat ik zeg. Zo vol is ze van haar zolderverdieping die ze in
Bergeijk gekregen heeft. Nu wil ze ineens praten over de inboedel. Ze komt
vreemd over. Haar kin lijkt uit te groeien. Is ze aan het vermannelijken? Leuke
jas heeft ze aan trouwens. Grijze plukken in het haar, grappig symmetrisch.
Nee, mooi kan ik ze nu niet vinden. Ik heb ze wel eens met andere ogen gezien.
Ligt het aan mij? Verliefde ogen zien alleen maar schoonheid. Ze wil een
afspraak maken.
“Oké,
laten we zorgen dat we er uitkomen.” Ze geeft me nu zomaar haar 06 nummer. En
ik maar denken, dat ze me dat niet wilde geven. Ik heb het mijne ook gegeven.
Zij belt vandaag nog terug. Nee, nu heeft ze geen tijd. “Ik moet om half vijf
in Bergeijk zijn.” “Ja, Bergeijk gaat voor alles nietwaar?” zeg ik zuur, maar
zij haalt haar schouders op. Is het dan toch niet meer zo helemaal Hooge Berkt?
“Goed,
dan nu het ophalen van jouw deel van de inboedel. Ik wil niet zo maar allerlei
mensen in mijn huis hebben”.
“Oké,
zou FransdeKo voor jou kunnen?”
“Nee,
in Jezus naam geen FdeK, en geen familie en geen HB”. God, wat heb ik eigenlijk
een noten op mijn zang. “Ik moet wel een paar sterke armen hebben, want ik mag
niet tillen”. Hé, is ze soms weer geopereerd? Ik slik de vraag in.
“Ik zou
het ‘t liefste samen met onze Stan doen.”
“Nee,
onze kinderen moet je daar buiten laten.”
“Is dat
niet wat naïef? Onze kinderen zitten er sowieso in maar je zult wel gelijk
hebben.”
Ik wil
haar toch niet zomaar allerlei spullen meegeven. Ik wil het in een
totaalplaatje bekijken. Van de andere kant wil ik ook niet moeilijk gaan doen.
Ik moet eens denken hoe het georganiseerd zou kunnen worden. Alles klaar zetten
beneden, zodat het snel is ingeladen?
Nog
nooit is er een intelligentere First Lady geweest. Hillary Clinton, wat een
persoonlijkheid. A rising star. Tested
by fire for 5 years generated by powerful ennemies. En ze
wordt al maar mooier. “I love
You”, zegt de zak.
Een
grof schandaal in Frankrijk: willens en wetens is met HIV geïnfecteerd bloed
toegelaten voor transfusies; screening met een doeltreffende Amerikaanse
methode werd geweigerd om Frankrijk de kans geven een eigen methode te
ontwikkelen. Vijfduizend slachtoffers, nu al, waaronder veel kinderen. Drie
mannen, die nog steeds op hoge functies zitten, zijn verantwoordelijk, maar
moeten nu tenminste voor de rechter komen. Gvd mag ik even?
“Wacht
Rie, ik sta bij de bakker. Ik loop even naar buiten.” De bakker hoeft het niet
te horen. Ze is aan het verhuizen. Voor ik het me realiseer, zeg ik “Ik had je
er graag mee geholpen.” Zit ze daar wel goed, daar op die zolder, en heeft ze
hulp? Ik ben warm, invoelend. Er is iets ontdooid.
“Als je
geld nodig hebt, laat het me dan weten.” Ik ken mezelf niet. Meen ik dit
allemaal? Wat ben ik toch een oetlul.
Bij
Barend en Witteman trekt een breed gebekte dame, fanatiek van leer met haar
comateuze stelligheden. Ze is anti-Muskens, want hij heeft de paus opgeroepen
om nou toch eens wat meer begrip te tonen voor de moeilijke situatie in Afrika:
“toon eens wat meer begrip Pope en laat condooms en de anticonceptiepil toe”.
De dame is irritant intolerant, triomfantelijk in haar zekere pro-Vaticaan
weten: “het gaat om de totale zelfgave in de liefde” femelt ze. Wat is ze toch
goed op de hoogte, ze praat er ook uit. Betweterig, weten doet ze genoeg, maar
heeft ze ook een beetje gelouterd volwassen geweten of praat ze net als zovelen
uit de rechtse hoek alleen in verticalen? Ook nog even een losse slogan
ertussendoor: “Als de baby eenmaal in de pijplijn zit, dan mag je er niet meer
tussenkomen. Pijplijn, potverdrieëenheid. Wordt dit mens eventjes luchtig?
Boegeroep op de tribune. Gelukkig.
Wat een
ijzingwekkend geloof in de eigen waarheid. Al zou Muskens paus worden, dan zou
ze nóg niet anders gaan denken. Hé, toch verkapt antirevolutionair? Recht op de
eigen leer, met een tong als een zweepslag. Nee, niet luisteren naar de bewogen
verhalen van katholieke hulpverleners. Zogenaamd opkomen voor het belang van de
vrouw, ja natuurlijk, de vrouw die is, denkt en voelt als zijzelf: uitgebuit
als ze zich weet door die op seks beluste mannen. Ze is rechter op de leer dan
de paus zelf. Vrouwe Justitia, zonder maagdenvlies en zonder blinddoek, en blind geboren. Ik ben
verontwaardigd. Mijn gevoel ligt maar net onder het oppervlak blijkbaar.
Het
openbaar vervoer tussen Weert en Thorn is een regelrechte ellende. Natuurlijk
heb ik weer eens geen aansluiting in Weert; de bus is net weg. Dat wordt weer
een uur lummelen. Dan maar even naar de boekhandel.
Ah,
daar vind ik een boeiend boek over de grootste fotografen van deze eeuw. Verknocht, verkocht, en dus gekocht.
Boordevol met prachtige foto’s. Dat is wat anders dan foto Sweegers. Maar nu?
Claire opbellen?
“Zal ik
je dan maar komen halen?”, vraagt ze. Wat nu, ik wou eigenlijk naar huis. Ik
wil aan het werk, en niet alleen maar gezellig zitten kijken”. Hè, ben ik nou
een beetje aan het draaikonten? Ja, dus: “Of zal ik toch met je meegaan?”
“Moet
jij weten.”
Ze is
teleurgesteld en kortaf. Ik moet en ik wil duidelijke taal spreken. Voordat ik
ergens over begin moet ik weten wat ik wil. Ik kan haar niet gebruiken om
helder in mezelf te worden. Oké, Adriaan, dat is niet erg, Maar trek daar dan
ook de consequenties uit. Loop jezelf niet voorbij en ga niet net doen alsof ze
dé vrouw voor je is, als je dat niet echt voelt. Je kunt toch ook gewoon
vrienden zijn en laat de tijd het duidelijk maken. Wat ik nu gedaan heb, is
leven alsof we echt een relatie hebben, en dan het leven nog laten uitwijzen of
ik dat wel wil. Op deze manier gaat het nog pijn doen houd ik mezelf voor.
Rie is
heel gelukkig met haar zolder. Onvoorstelbaar. Maar zo is ze. Ze gaat midden in
de muil van de ellende staan, en dan ziet ze die niet. Ze is verziend weet je.
Ze woont nu wel weer op zichzelf. Maar zij, zo’n trotse vrouw op een
zolderverdieping? Is al dat enthousiasme niet erg opgeschroefd? Ze houdt me
bezig. Het doet me verdriet te bedenken dat ze zich waarschijnlijk alleen maar
groot zit te houden. Zij, op haar leeftijd. Zit ze haar best te doen om
dankbaar te zijn, blij te zijn met dat wel erg bescheiden onderkomen. Ze heeft
haar appartementje in de Hooge Berkt dus tenslotte toch moeten verlaten. Ze
hebben natuurlijk die ruimte nodig voor een nieuwe gast. Ja, en dan kun je
doorschuiven. Maar logisch ook wel. Ze zullen er best wel een mooi verhaal bij
hebben natuurlijk. Deze mensen willen zo graag schoon handelen. Ik kondig je
aan….. een zolderkamer. Een mooie kerstboodschap. Is dat niet prachtig. En ze
heeft de zolder nog niet gezien? Allemachtig, laat ze zo alles over zich heen
komen? Ze heeft dus blijkbaar geen keus. Een huis heb je ook niet zo maar.
Kopen is er niet meer bij, en huren kan ze alleen in de vrije sector. Tja, als
je het zo bekijkt, mag ze nog blij zijn dat ze die zolderkamer aangeboden heeft
gekregen. Van wie eigenlijk?
Ze
heeft een tafel, twee stoelen en een bed, zegt ze. Och de goeie god. Moet je
dat horen. En trots en blij dat ze is. Ik voel het ergens knagen. We hebben
aardig wat gepraat. Ik heb ook geluisterd, probeerde te horen. Ik ben
verlangend te horen wat ze diep van binnen voelt. Hoop ik dat ze toch nog
steeds van mij houdt? Ik zou eerlijk moeten zijn en toegeven dat ze zo bij me
terug kan komen. Ik zou moeten kunnen zeggen “Kom maar meisje, kom maar gauw.”
Zouden we nog terug kunnen? Nee, dat is onmogelijk. Maar zou er een
gezamenlijke weg zijn naar verder? Wat zou ik het graag zeggen: “Rie, ik hoop
dat er een opening komt om samen verder te gaan als mens naast mens. Een nieuwe
weg”, maar die zinnen raspen op mijn gemoed.
Ik heb
haar gezegd wat voor mij recht en rede betekent. Recht en rede: typisch van die
nietszeggende intellectuele praat van Rie. Nota bene, nu zegt haar advocaat
tegen haar geachte confrère dat ze hoopt op een schikking in der minne. In der
minne? En dat zegt zij! We zullen moeten trachten over
de frustraties heen te leven en elkaar weer stapje voor stapje te
naderen. Misschien kunnen we zo ver komen dat we elkaar weer open kunnen
aankijken, en dat de betonplaat op mijn gevoel verbrokkeld is. Pas dan kunnen
we het definitieve van een boedelscheiding gevoelsmatig aan denk ik.
Vreemd,
ik hoor hoe kinderlijk haar stem klinkt. Ik hoor dat het gewichtige,
grootsprakerige van positie en aanzien is verdwenen. De ijzigheid van het eigen
gelijk is ook weg, gesmolten en weggevloeid in tranen? Maar ik kan mijn gevoel
niet meer uiten. Als ik weer wat zeg, klinkt het vreemd zakelijk. “Rie, je moet
goed begrijpen dat ik me bij de boedelscheiding wil baseren op het maritaal
beslag van de deurwaarder.”
<God
Adrie, je kunt het ook niet laten. Maar
ik snap het, je was ook zo ontzettend gekwetst toen je ineens een deurwaarder
op de stoep had staan.>
Neen,
samen wonen lijkt niet meer voor me weggelegd, ook niet met Clair. Hoe kunnen
we in vriendschap blijven? Hoe koers ik daarin zuiver?
“Claire,
ik wil me toespitsen op filmen. Alles wat er bij komt wordt afgesnoeid. Ik ga
er tegen aan. Ik wil werken. Ik besef dat als ik me niet heel scherp richt, ik
nooit meer iets uit mijn vingers krijg. Ik ben al 55. Nog maar een jaar of tien
kan ik echt actief zijn. Het wordt de hoogste tijd voor een serieuze aanpak.
Geen gratis carnavalsreportages, geen fotootjes meer hier en daar. Geen gezeur
meer in al die cafés. Die tijd is voorbij. Dansen kan ik ook thuis. Al die
contacten geven alleen oppervlakkig plezier en chaotische hunkering. De echte
bevrediging ligt in het uiten van creativiteit. En daarin sta ik sowieso
alleen. De paringsdans is over.
Afgelopen
donderdagavond heeft het te verwachten vervolg gekregen. Het is uit met Claire.
Het begon me zelf ook al duidelijk te worden. Ik ben geen man voor een vaste
relatie. Ik wil vriendschap maar geen gebondenheid. O, ze is een bijzonder mens
en ik waardeer ze, maar ze is op essentiële punten zo anders dan ik, dat ik me
niet volledig aan haar kan binden. Ze is ook arrivé, heeft haar zekerheid
bereikt: een mooi huis, een aardig spaarcentje, en verlangt noch slechts naar
consumeren en een plezierig leven. Eigenlijk leeft ze al op herinnering.
Energie heeft ze zat, maar het stroomt niet. “Ik heb heel mijn leven al hard
gewerkt, nou wil ik genieten”, is haar slogan.
Ik
hoorde het al meteen. Ze had haar mind al opgemaakt, er zelfs ook met haar
kinderen en haar vader over gesproken. Hij had gezegd: “Er was geen liefde
tussen jullie”. Hij is 92, en hij zal het dus wel weten. We hebben goed gepraat
hoor. We kregen zelfs weer iets van de oude luchthartigheid; de zwaarte van de
verwachting en verplichting, het dwingen naar “zo wil ik het als..” viel weg.
Ik mag er weer zijn, zoals ze ook Carla accepteert zoals ze is.
Ze
schrikt toch als ik zeg dat ik misschien niet meer ga dansen. Ik leg het uit.
Ik wil me richten op het hoofddoel in mijn leven: ik wil nog wat opbouwen. De
tijd vliegt voorbij en ik wil niet afgeleid worden door allerlei verwikkelingen
met hunkerende mensen. Mijn eigen verlangen kan met dat dansen ook niet tot
rust komen. Dat intieme contact met al die vrouwenlichamen roept teveel in me
op, het zijn toch allemaal verbasterde paringsdansen”. En dat soort paring wil
ik niet, of toch? Als ik iemand tegen zou komen met wie dat in vrijheid zou
kunnen? Is er zo’n vrouw? Zou het mogelijk zijn om seks te hebben in
vriendschap? Maar seks om de seks is ook niet veel meer dan een inspanning om
niets. We zullen zien.
Ik bel
Claire op. Ik wist al wel dat ze ongelukkig was met het feit dat ik na mijn
terugkeer uit Tilburg naar huis wilde om te werken. Ik wist het al wel.
“Adrie
ik wil er mee ophouden. Het is zo toch niets.” Godallemachtig wat ben ik toch
tegenstrijdig. Ik wil best graag contact met haar blijven houden, maar geen
relatie in klassieke zin. Kameraadschap. Maar of dat er nog inzit. Ik heb
eigenlijk de bons gekregen Ik ben toch teleurgesteld. “Ik zal dus toch altijd
alleen blijven” gaat het door me heen. Bittere gedachten over vrouwen trekken
door me heen. Een stompzinnige optocht bergopwaarts van dansende silhouetten
met tieten, zoiets als gefilmd door Ingmar Bergmann. Ik maak er niets van. Ik
ben blijkbaar niet in staat om relaties aan te houden.
“Nee
Adrie, je zegt wel tegen iedereen dat het aan de Hooge Berkt ligt dat het met
Rie fout ging, maar ligt het ook niet heel veel aan jezelf?” Dat had ze gezegd.
Nou ja, dat zou heel goed kunnen. Ik begin dat ook wel in te zien, maar ik ben
ook een beetje verdoofd merk ik. Verdraaid dan blijf ik ook maar alleen, maar
eenzaam zal ik niet worden. Het is tijd om verder te trekken. Contacten leggen
die belangrijk zijn voor me: met ElcoS bijvoorbeeld? Zou hij niet ook een
documentaire willen maken?
Ze
heeft alles al bij elkaar gepakt en in een plastic zak gestopt. Een vaag idee
van een hoopje vuil dringt zich in me op. Jasses, moet dat zo? In een
vuilniszak?
Carnaval
trekt als een kinderoptocht aan me voorbij. Als je er niet echt bij betrokken
bent, dan is het allemaal maar een wat overtrokken bijna dwangmatig ritueel. Ik
hoor de prinsenkapel en zittend in mijn stoel, kijkend door het venster, zie ik
hoe de kinderoptocht aan mij en mijn huis voorbij trekt. Ik zie hoe Chrit met
gespannen interesse naar mijn venster kijkt. Vraagt hij zich af waar ik
uithang? Het doet me geen zier, en al helemaal geen zeer. Emotieloos zit ik in
mijn stoel en kijk toe.
Post.
Nee, hè, heb ik nou alweer mijn giro aan Rie teruggekregen. Alweer fout? Ik heb
gewoon de verkeerde gegevens van haar, dat kan niet anders. Godverdegodver. Er
is een systematische fout blijkbaar. Te veel aan mijn kop misschien. Nu moet ik
het maar gaan brengen als ze dat wil tenminste. We zien elkaar woensdag, maar
is dat op tijd voor haar? Ik kan niet zo maar een envelop in haar brievenbus
doen. Ik moet een bewijsje hebben van storting. Nu is het sowieso niet mogelijk
om nog wat te doen. Wacht, ik bel ze op. Niet thuis. Dan maar een berichtje op
haar antwoordapparaat zetten. Wat klinkt haar stem zwakjes en twijfelend op dat
bandje. Alsof er toch wel niemand op het idee zal komen om haar te bellen. Ik
moet even een plaatje opzetten. Irish country. De volksmuziek brengt me weer
wat bij mezelf. Ik ga toch maar naar de boerenbruiloft kijken.
Het is
druk in de zaal. Chrétien is weer op zijn bekende manier aan het filmen. “Zal
ik een lamp halen?” Nee, niet nodig. Uit mijn ooghoeken zie ik hoe ook
PeterPaul naar me kijkt. Ik kom in de stemming. Amuseer me kostelijk. Wat heb
ik lekker gedanst. Mia is er ook. We hebben een paar keer met elkaar gewalst.
Ze is alleen, en praat druk met een vriendin, die me overigens niet aankijkt.
Mia zal wel met haar over mijn vermeende verliefdheid gepraat hebben. Ze moet
een paar keer naar de WC. Is ze toch opgewonden geraakt of is ze ongesteld?
Haar Martijn zegt ze heeft niet zo´n zin in carnaval, en is thuis gebleven. Ik
grijp naar haar tamboerijn, brutaal. Ze schrikt. Hé, wat doet die vent nou, zie
ik haar denken? “Oh, Mia, neem me niet kwalijk, dat was lomp van me, maar ik
grijp nogal eens mis de laatste tijd.
Ze was weer eens te zien in het
nieuws, Whitney Houston met haar onovertroffen lied: "And I will allways love you!", uit
de film “De Bodygard”. Adembenemend, wat een performance; wat indrukwekkend, maar voor mij
tevens: hoe confronterend. Ze zingt me binnenste buiten. Als zangeres is ze
voor mij de tegenpool van Barbara Streisand, die in Quilty met haar
indringende: “Its over…” iets heel anders oproept, namelijk resolute afwijzing.
Twee zangeressen, twee uitersten; twee kanten van mijn leven.
We dansen, Claire en ik, en ik
voel hoe weldadig het contact met haar is. Ik heb haar gevraagd of ze mee
wilde, en ze zei ja. Wat zijn we toch voor een stel. Zij en ik. Ik ben
eigenlijk niet geschikt om samen te leven. Ik kan eigenlijk veel beter geen
relatie meer aangaan; maar zouden we dan in vriendschap verder kunnen? Ik hoop
het. Ik dans met Claire en ik denk aan haar, die uit mijn leven verdwijnt. Ik
dans met Claire met tranen in mijn ogen,
ontroerd, zowel om wat aan het opdrogen is, als om wat er zich hier misschien
dan toch nieuw aandient. En als ik eerlijk
ben, geldt voor mij toch ook: “And I…., will always love you.” ook voor haar,
die ander. Ik zit in een
onmogelijke spagaat. Claire kijkt me aan en dan zie ik dat ook zij aangedaan
is. Leeft ze zo met me mee, of is ze ook zelf ontroerd? Wat een vrouw. Gaat het
op een nieuwe manier misschien met haar wel lukken wat met Rie niet kon? Ik ben
hartstikke blij dat we ons contact niet behoeven te verbreken, maar dat we in
vriendschap met elkaar verder kunnen. En sex dan? Och wie weet, maar ik ben
bereid haar vrij te laten. De hele dag heeft het door mijn hoofd gespeeld: “And
I…..will always love you…” De tekst werd door die
fabuleuze stem rechtstreeks mijn hart ingedragen en er als een keurmerk
ingebrand. Jezus wat een zangeres is dat. En hoe graag zou ik ernaar willen
leven.
“Maar, mijn God, Frans lig je op
bed?” Ja, wat anders?”repliceert hij. “Er is hier niks te doen.” Nu ik er ben
op het bejaardenhuis, wil hij maar al te graag mee naar de recreatiezaal. “ En,
ja natuurlijk komt al gauw "Het bükske van ur Lѐve" weer
op de proppen. "Oh, ja, ken je dat?" "Ja Frans, zeker wel, dat
heb je me zelf geleerd." En daar gaan we weer. Omstebeurt, ieder een
regel. “as ut bükske van ur lѐve, hillemoal is vol geschrѐve, dan
verschient er op ut end nog ientje, dѐt gedrukt steht op un prientje,
en…” Prachtig vindt hij het als ik dat gedichtje improviserenderwijs zing.
"Nee”, zegt hij, “zingen, dat kan
ik niet. Dat heb ik ook nooit gekund Ik hoor niet goed genoeg". Hij kijkt
me bewonderend aan. Ja, ik weet het, ik heb een goede stem, daar sta ik zo
langzamerhand om bekend. Maar hij blijft me ook verrassen. Nu draagt hij een
gedichtje voor dat hij als kind met zijn zusje Lena heeft voorgedragen voor
zijn Heeroom. En ja hoor: "En kenste dit gedichtje auch?" “Frans”,
zeg ik vermanend, maar te laat, en hup,
daar komt dat ellenlange gedicht weer: “Er waren eens twee ridders…”
Zijn korte termijngeheugen is naar de
vaantjes, maar over vroeger is hij een wandelende encyclopedie. Mij maakt dat
niets uit, maar zijn kinderen hebben daar moeite mee; die proberen steeds maar
weer om die ouwe sokken weg te gooien, en willen hem bij de tijd brengen.
Vergeefse moeite, dat ze dat niet beseffen. De man leeft grotendeels in het
verleden, en dat is zo slecht nog niet. Frans is ook wel een verbijsterende
tegenstelling van weten en niet weten. Hij zelf zit er trouwens niet mee,
hoewel hij goed beseft wat hij mankeert. Hij vertelt het me vaak genoeg dat hij
alles vergeet, en dat vergeet hij dan weer. Ook wel lollig eigenlijk. Ik kan er
goed mee omgaan.
Zijn incasseringsvermogen en zijn
humor zijn onverminderd en daarmee maakt hij zoals steeds diepe indruk op me.
Het treft me ook nu weer dat hij mij zo goed kent, en zich ook korte termijn
dingen over ons samen herinnert, en dat is op zijn minst opmerkelijk. Dat doet
toch ook een beroep op zijn korte termijngeheugen. Gebeurtenissen die hem echt
aanspreken zullen zich misschien hechter in zijn geheugen vastzetten, en die
zal hij zich daarna beter herinneren denk ik. Ik zie hem vrijwel elke dag, en ik
daag hem ook uit op een enthousiaste, positieve manier om zijn eigen inbreng te
geven. Misschien stimuleert hem dat?
Zo
is het ook met Sef den bekker. "Ah, dèh!" zegt hij als hij me op de
gang ziet aankomen. Hij zat wat miezerig naar buiten te kijken, naar de cour,
naar de “kinderboerderij”, of liever de “senioren-boerderij”. Somber wijst hij
me op de cavia die buiten dood ligt. “Hij is ontsnapt en nou is hij
doodgevroren.”
Dood roept altijd van alles
op, en deze bejaarden klampen zich vast aan alles wat hen bindt aan het leven.
Zo veert hij onmiddellijk op als zijn buurvrouw naar buiten komt en steekt
tegen mij direct de loftrompet over haar prachtige borduurwerk. “Arie, daar
moet je eens gaan kieken, dan kun je pas mooie foto’s maken.”, zegt hij. “Sef,
het is Adrie”. “Ach, ja, sorry”. Hij leeft mee met mijn fotowerk, het bindt hem
aan het leven. Sef op zijn beurt claimt echter ook een stukje van mijn aandacht
en vertelt over de opnames die gisteren van hem gemaakt zijn voor de film
"De bokken en de Geiten." Ze hadden hem gevraagd het hele verhaal van
zijn jeugd te doen voor de camera. “Verrek ze hebben onder mijn duiven
geschoten”, gaat het door me heen. Maar Sef begint alweer, nu dubbel
enthousiast. Mevr. Schippers kijkt alsof ze het verhaal nog nooit gehoord
heeft, wat hem blijkbaar nog meer activeert. Een rasverteller is die man. Hij
herbeleeft als jonge knaap zijn eigen verhaal, maar vertelt het met de humor
van de volwassen man die er het plezier van inziet. Je moet maar geluk hebben
dat je net op het goede moment bij hem bent. Dezer dagen, met carnaval, is hij
misschien wel in de beste stemming. Ik zal zien.
Ik heb telefonisch geld
overgemaakt naar Rie. Ik ben blij dat ze er morgen de beschikking over heeft.
Ik gun haar net als mezelf een goed leven. Ik realiseer het me nu eens te meer:
ik ben een Eigenheimer, met mij is alleen maar samen te leven als ze me met
rust laten. Ik heb dan wel de schuld voor onze scheiding op de Hooge Berkt
gegooid, maar dat heb ik nooit gezien als oorzaak en gevolg. De HB heeft zonder
het te willen de scheiding in de hand gewerkt, door Rie als individu te binden
en te weinig de huwelijksband te respecteren. Het is wel dwaas te denken dat je
iets kunt opbouwen terwijl je, al is het onbedoeld, intussen iets anders
afbreekt. O ja zeker, je kunt ook iets afbreken door iemand in verleiding te
brengen en die iemand daarmee uit een ander verband, het huwelijk, weg te
trekken. Het is een vals trekje van de HB, dat ze dit niet inzien. Ze zijn zo
overtuigd van hun eigen gelijk en eigen visie, en de kracht van het
gezamenlijke leven is voor velen dusdanig verleidelijk, dat alles wat er niet
in past verschraalt, gewoon omdat het geen zorg en aandacht krijgt. Het heeft
iets van vergeten de bloemen in je eigen tuintje water te geven, en dat van de
Gemeenschap rijkelijk te begieten. Uiteraard zit het in ons zelf dat we niet
samen verder kunnen. Ook ik heb er een fors aandeel in gehad. Ik heb lang
gedacht dat het wel het beste voor ons was om uit elkaar te gaan en apart te
gaan wonen. Toen had ik nog de hoop dat we een vorm zouden kunnen vinden waarin
we meer ruimte voor ieders eigenheid zouden kunnen creëren. Een eigen kamer,
een LAT relatie misschien? Ze had een huis kunnen huren, of ik. We waren dan
even duur uit geweest, en ook nog eens zonder advocaatkosten! Maar deze
mogelijkheid sprong al snel af op de constatering dat de liefde dood was.
Zonder liefde kun je niet creatief worden.
Over de dood heen leven? Dat
wondertje had wellicht kunnen gebeuren als de HB er niet was geweest. Wellicht
hadden we bij een vakantie met ons tweeën de weg naar elkaars hart weer weten
te vinden. Die vakantie van hen is uiteraard geen succes geweest. De slogan
“kiezen voor leven” is daar wel echt te kijk gezet. Tja, het mocht blijkbaar
niet zo zijn. Teveel zwijgende bemoeienis van zogenaamd goedwillende, maar in
feite zelf aandachtvragende buitenstaanders.
Claire! “Hé, wat zie jij er leuk
uit!” Wat wordt mijn waarnemingsvermogen toch gekleurd door mijn stemming! We
zitten meteen in een gezellige conversatie. "Zullen we dan toch nog even
carnaval gaan vieren Claire?" Ik ga
naast haar zitten, ondeugend. Hadden we ons niet voorgenomen om wat afstand te
houden? Maar juist die afspraak roept de Don Juan in me op. Ik zit naast haar,
en voel hoe ze reageert. We knuffelen en liggen dicht tegen elkaar op de bank.
Zeldzaam ontspannen en rustig, veilig bij elkaar. Toch, het vlammetje flakkert.
Het wordt duidelijk dat we straks ook de nacht samen zullen doorbrengen. Weer
in haar riante bed, en twee lichamen die een eigen leven leiden en elkaar
zoeken. Twee geesten die samenvloeien in gelukzaligheid. Alletwee weten we: dit
hebben we nog nooit zo beleefd.
‘s Morgens gaat het in dezelfde
sfeer door. Hoe kan dat? We praten alsof we elkaar al eeuwen kennen. Wat een
fijnvoelende vrouw is zij eigenlijk. Ze kan zo werelds overkomen aan de
buitenkant, en toch heeft ze zo'n invoelende binnenkant. En wat kan ze
genieten! We roepen een voortdurende verrukking in elkaar op door een
gemeenschappelijk ervaren van alles wat mooi is. Als ze nou maar genoeg heeft
aan deze kameraadschap van man en vrouw. Ik vertel haar niet dat ik a.s.
woensdag Rie zal ontmoeten. Waarom niet eigenlijk? Ach, zij kan er maar beter
buiten blijven. Zij representeert het nieuwe; Rie het oude.
“We kunnen toch zo niet doorgaan” zegt ze. Oh
jé, daar heb je het. “Ik heb een zwak voor je dat weet je, maar k wil gaan
samenwonen Adrie”. Nu zitten we veel te veel op dubbele kosten. Dat gaat ons zo
nog opbreken. Ik wil zo niet doorgaan. Jij wilt niet samenwonen zeg je, maar
dan hebben we geen toekomst. En Adrie, ik ben al 59!"
Ik probeer haar duidelijk te maken
hoe ik het zie. Rustig en overtuigd. "Claire, pas op dat je geschiedenis
zich niet weer herhaalt. Dat je weer een paar handboeien koopt. Kun je niet
genoegen nemen met af en toe echt intens geluk en je vrijheid behouden? Ik weet
ook niet hoe we verder kunnen. Ik ben er inmiddels wel achter gekomen dat ik
niets in de hand heb. Misschien kan het ooit zover komen. Geef ons de
tijd." "Maar dat is niet wat Clair bedoelde. Ze was tot de
overtuiging gekomen dat het onzinnig was om zo door te blijven gaan. Ik was
vrijwel altijd bij haar, en feitelijk woonde ik ook bij haar. Wat had het dan
nog voor zin om het huisje in Thorn aan te blijven houden? Alleen al om
financiële overwegingen was dat verspilling. Was het mijn bedoeling om me af en
toe terug te kunnen trekken?
"Jij moet oppassen dat je je
niet helemaal terugtrekt”, zegt ze. Ik beaam dat ik die neiging heb, maar ik
weet, ik zal nooit eenzaam zijn. Ik kan me verenigen met de wereld, de natuur,
en iedereen in mijn kluizenaarsbestaan welkom heten. Misschien kom ik daar wel
bij uit; ergens bij een huisje op de hei.
Ze lacht me toe, Rie. Opgewekt,
maar toch terughoudend.
“Hoi Rie, een sherry? En ik? Ja,
ik een Duvel, wat anders?”
"Ik heb het papier van de
deurwaarder gekregen en ik ben wel geschrokken” begint ze." "Het is
heel eenvoudig: wat er aan goederen op staat is er, wat er niet op staat, is er
niet Rie!"
“Maar Adrie, ik mis heel wat!”
“Rie, dit is een officieel
document van een deurwaarder. Daar zullen we bij de boedelverdeling toch van
uit moeten gaan.” Ik leg mijn pijnpunten op tafel. We moeten dit uitspreken,
dan pas kan ik verder. Waarheid en Vrede omhelzen elkaar” gaat het door me
heen. Psalm 85. Het juiste en het goede. Het is juist om nu naar recht en rede
te handelen, wat dat ook voorstelt.
"Rie, dat wou je toch! Jij
hebt toch zelf een deurwaarder ingeschakeld!" Ik zal later de azijn
weggooien en dan kan ik misschien ook weer eens een fles wijn open trekken
i.p.v. een grote bek. Ik zie hoe ze verandert. Ze krijgt weer van die bleke
ogen, en het dringt blijkbaar door wat ze ontketend heeft. Pas maar op Adrie,
die wordt weer als graniet; ja, leer me Rie kennen.
Ze legt omstandig uit waarom ze
een maritaal beslag wou:
"Je zou toch die kast over de
helft zagen! En je hebt toch ons bed de deur uitgedaan!" Wat een
kutsmoesjes. Dat bed stond immers op instorten en de matras moest hoognodig
worden afgedankt. Oh, Rie wat heb je toch een egocentrisch en irrealistisch
beeld van onze realiteit. Wat een miskenning van mijn integriteit en van mijn
gevoeligheden. En jullie, stelletje schuinkijkers van de Bogenstraat! Achter
mijn rug valse praatjes verkondigen. Wat hebben ze nog meer met je uitgehaald?
Kilte daalt weer neer. Je hebt wat over je af geroepen Rie.
"Weet je dat de HB alles in
Thorn gaat verkopen?", gaat ze verder alsof er niets aan de hand is.
"Natuurlijk, dat heb ik toch
al lang geleden gezegd! Niets hebben ze opgebouwd, Nada. Geen spoor laten ze
na!" Dat ze mèr kapot vallen!, de carnavalsspreuk van 1999 is mij op
het lijf geschreven. Dat geldt ook voor jou lieve schat.
We bestellen soep. Ik zoen haar,
me bewust van wie ik ben, tot leven gekomen met alles op mijn eigen nek. Ik
zoen haar weer. Ongewenste intimiteiten zegt ze zachtjes, maar ze verzet zich
niet. Wat is er nog nodig? Waarom doe ik dit? Zit ik een spelletje met haar te
spoelen?
"Rie ik hoorde een lied van
Whitney Houston." En ik zing
halfluid "And I, I will always love you!"
"Sst, kan het wat
zachter!", fluistert ze paniekerig. Er komt al een ober aangelopen. Maar
de tranen springen haar in de ogen. Ik zie het zonder mededogen.
"Het is goed zo, Rie, al had
ik het liever anders gezien”. Ik moet eerlijk zijn! In mijn eigen belang moet
die betonnen plaat van de liefde af. Zo niet dan verplet ik mezelf en frustreer
alle contacten die me resten”.
"Ik heb haar net een
liefdesverklaring afgelegd", zeg ik tegen de dienster die de soep brengt.
Ze lacht. Luisteroren alom?
We spreken af dat we a.s. maandag
samen een kop koffie drinken na de rechtspraak. Staan we nog wel eerlijk in de
realiteit, of spelen we alletwee nonchalant landjepik met onze gevoelens. Ik
zou er achter komen.
Mevr. Verheggen ligt in coma;
beroerte gehad. Moeilijk voor de man. Ik heb hem naar vermogen gesteund.
Mia groet me vriendelijk.
"En ben je nog uit geweest
met carnaval?"
"Nee, Mia, als ik toch niet
meer met jou mag dansen, dan heb ik er ook geen zin meer in!"
"Dat is zwak". "Nee, dat is
trouw! Ik plaag je maar hoor, Mia. En jij? Ben jij nog uitgeweest?"
"Ja, maandagavond."
"Nou, dan is het maar goed
dat ik je niet tegen gekomen ben!", plaag ik verder. Of misschien was het
juist wel heel goed geweest. Ze zal het toch wel vernemen, het praatje over mij
en Claire!
Er zijn nu drie dames in mijn
leven: Claire, Mia en Rie. Ieder op haar manier houden ze me bezig. Och, het is
een stuk gemakkelijker nu ik geen behoefte heb aan vrouwelijkheid om me heen.
Maar toch, ik kan het ontkennen zoveel als ik wil, ik heb wel degelijk behoefte
aan tederheid en intimiteit, zowel psychisch als lichamelijk.
“Claire, kom binnen meid.
Waar is Fenny?”
“Die is je al voorbij, naar
binnen.”
"Wat zie ik aan jou,
Adrie? Ben je magerder geworden?"
"Oh, nee hoor, nee, dat denk
ik niet. Ik weeg me elke ochtend. Hahaha. Ehh, nee, ik weet niet wanneer ik me
voor het laatst gewogen heb.” Small
talk? Nou, dat zal rap anders worden. Wat is er bij mij niet allemaal
uitgekomen. Angst om alles te verliezen van dat beetje wat ik nog had. Claire
te verliezen dank zij mijn eigen onvermogen en onzekerheid.
Vanmorgen schrok ik van mezelf.
Jezus wat een ogen. Te diep geslapen jongen? Drank? Te veel gerookt! Ik heb
tijd nodig, denk ik; ik moet even op mijn gemak wakker worden. Straks als ik
mijn muziekje gedraaid heb, dan zal ik wel opfleuren.
Niks daarvan, er zit me een hoop
dwars zonder dat ik het me realiseerde. Gedachten dreinen: Ik krijg het niet
voor mekaar. Wat een papierwinkel. Balans maken, ja afmaken. ABP bellen.
Computer installeren. Verrek eerst mijn agenda raadplegen! Ronddwarrelende
gedachten. Was het maar waar; had het op mijn werk maar wat beter uitgepakt met
die laatste publicatie, en dat had ook best gekund. Het was allemaal zo slecht
niet. Verdomd wat een boel, wat een papieren rotzooi. Wat moet ik er allemaal
mee? Eruit? Weg? Rie, wat zei ze ook weer, wat voelde ze eigenlijk? Wat was
haar ontroering toen ik dat lied zong. Ach wat, ik zal haar die stoel en dat
knielbankje maar geven. Moet ik nou ook beslag laten leggen op hun familiehuis?
Waarom laat Vogels niets van zich horen! Zeker niet urgent genoeg.
"Is de koffie bruin?",
Claire, fris als altijd.
“Zeer zeker, en opgeruimd heb ik
ook”, de melk staat klaar; de suiker, waar staat die suikerpot ook alweer.
"Hai Mikkie", leuk dat
je er bij bent jongen.”
“Adrie en zijn vogeltje”, zegt
Claire opgewekt.
“Zal ik koffie inschenken”.
"Wat is er vandaag met
jou?" vraagt ze dan.
“Ik voel hoe er een hoop
treurigheid in me opengetrokken is.” Waar komt dat van? Roept Claire dat op?
Komt het naar buiten juist omdat Claire er is? Ik heb heel mijn gevoelslaag
blootliggen, ik voel het. Gvd wat gaat er gebeuren, wat gaat ze me zeggen.
Adrie, ik heb er nog eens over nagedacht en ik vind dat we …; Oh, goedheid.
"Ik wil naast je zitten
Claire. Ik moet contact me je maken. Ik voel geen contact!". Ze schrikt
op. Mooie ogen heeft ze, wijs, diep, peilloos. Haar vader! Kracht voel ik en
zachtheid. We knuffelen, op haar bank. Rie toch, kale zolder!
"Ik heb Rie gesproken van de
week.", “Oh? En was het goed?"
“Verrek, Claire toch. Voel je zo
met me mee? Ja het was goed. Hard in het begin, zachter daarna. Wat een
verdriet, wat een pijn. Ik had echt pijn om haar pijn. Claire, begrijp jij dat
nou?”
"Allicht heb je het met haar
te doen. Dat heb ik nog wel als ik dit allemaal hoor!" Hѐ? Kan Claire
dat opbrengen? Hoe is het mogelijk.
"Adrie, maak je niet ongerust
om mij; ik zal altijd jouw vriend blijven!" Geraakt, raak, vochtige ogen,
ik word rustiger. Ze meent het.
"Van de week dacht ik, dat je
wel op je knieën terug zou willen naar Rie. Dat zou misschien ook nog wel het
beste voor je zijn!" Ik kijk haar verdwaasd aan. Claire die zo voor mij
aan het denken is. Ze kijkt naar me met haar ogen als meertjes.
"Wat doe jij als Rie bij je
terug wil komen?"
“Rie bij me terug? Maar Claire, dat
kan toch niet meer. We kunnen niet meer terug, en ik wil niet terug. Rie is
verleden tijd, en dat weet je dondersgoed. Goeie genade, dat zou toch niet
werken."
Ongewenste intimiteiten, zei ze.
Ze zal me toch niet aangeven? Dat zou wel de grootste mop zijn." Misschien
houd ik ook nog wel van haar. Ach nee, dat wordt ingegeven door de herinnering
aan het mooie wat er óók geweest is. Het
gevoel daarbij zit in me, en het is authentiek. Het sluit alleen niet
meer aan bij de realiteit van nu.
De liefde moet door kunnen
stromen, al was het alleen voor je kinderen. Je houdt toch ook nog van je werk,
van al die mooie dingen die je hebt mogen zien. Ook dát is herinnering. Het is
geen realiteit meer, geen onderdeel van het nu. Jongen, als je niet een weg
vind waarop het goede verder kan stromen, dan stik je er in. Je kunt een dam
gaan opwerpen, maar die zou je steeds hoger moeten maken want er komt een heel
meer aan gevoelens achter te staan. O wee als zoiets doorbreekt. Er komt net
als in de natuur een modderstroom die je meesleurt.
Ik zie me al spartelen; in modder
kun je niet zwemmen. Nee, je wil in vrede kunnen komen, vriendschap kunnen
leven, elkaar een nieuwe toekomst gunnen. Ik wil leven mogelijk maken. Maar hoe
doe je dat?
“Adrie, ik houd van je, snap je?
Ik wil het beste voor je." Ze raakt me diep met haar meeleven.
“Nondeju, Claire, zou jij terug
gaan staan om der wille van mijn geluk? Dat kan toch niet!”
Wie zei dat ook weer: terug gaan
staan en ruimte geven aan je vriend, terwijl je zijn vriendschap zelf
broodnodig hebt. Ik schiet vol. Wat een vrouw. Dit is eigenlijk niet mogelijk.
Zo veilig heb ik me nog nooit gevoeld. Ik, eeuwige twijfelaar. Altijd diep in
me de angst dat er niet van me gehouden wordt. De arrogante afwijzing die dat
van de weeromstuit in mij oproept, en nu dit. O, wat loop ik te dwalen, en wat
een voortdurende beproeving ben ik zo voor mensen die als maar hun liefde
moeten bewijzen, moeten laten zien dat ze van me houden. Ik heb het Rie ooit
eens gezegd: later als je echt van me houdt, dan pas kan ik het je
vertellen." Maar al had ze weet ik niet wat gedaan, ik kon sowieso niet
zeggen wat mij een voortdurende kwelling was. Mijn zelftwijfel, angst en
onzekerheid. Dat ik nog leef!>
<Het heeft haar natuurlijk diep
geraakt om zo jong nog jou mee te moeten maken ten prooi aan snikkende wanhoop,
en dat je niet kunt vertellen wat je zo obsessief bij de strot gegrepen had.
Die belachelijke retorische vraag. “Als ik maar geen homo ben.” Belachelijke
gedachte nu ja, ridicuul, maar toen niet.>
<Pas veel later kreeg ik meer
zicht op het functioneren van het brein: gedachten, ze komen naar believen. Zie
er maar eens vanaf te komen als zo’n schrikbeeld je brein binnenvalt, en zich
vastzuigt aan de walgende ouderlijke afwijzing van dat, foei, foei, hele vieze,
verachtelijke, minderwaardige fenomeen, uitgedrukt in dat ene bijzinnetje: “das
ene viezerik”.>
<Er speelt op de achtergrond
heel wat mee aan zelftwijfel, gebrek aan veiligheid en geborgenheid, wijze
ouderlijke begeleiding. Ja, die goeie Rie moet zelf soms ook de wanhoop ten
prooi zijn geweest; ze wilde jou natuurlijk helpen, maar hoe, want ze kreeg op
dat punt geen toegang bij je. En dan ook nog dat compensatiegedrag van jou met
die overtrokken gestreste mannelijkheid.>
<Goeiendag, zeg, ik moet proberen
dat te laten rusten. Dat moet kunnen, die fase ligt achter me. Gelukkig heb ik bij Claire de zekerheid, en
ik geloof haar, dat ze altijd mijn vriend zal blijven, dat ze van me houdt. Ze
zegt het toch! En Claire ziet de dingen helder.>
<En, kun je nu wel van jezelf
houden? Kun je nu spontaan de liefde van anderen accepteren zonder
buitensporige eisen? Kun je nu eindelijk de rancune laten varen, harmonie
krijgen tussen je verlangen en je afwijzen.>
Claire’s levenspad is niet over
rozen gegaan. Teruggekomen uit Australië mochten ze voor tijdelijk bij haar
tante komen inwonen. Ze hadden toen geen andere keus, er was niet zomaar een
woning, maar ze kwamen er al snel achter dat ze het niet getroffen hadden met
dat mens. Ze wilde het huis verkopen en daarom moesten ze er zo snel mogelijk
weer uit. Ze begon het hen moeilijk te maken, en het mens probeerde serieus hen
weg te pesten met draconische maatregelen. Claire was in verwachting, maar even
goed werd ze door het vrekkige kreng afgesloten van water en elektra, en
behoeften moest ze doen in de kou, in de tuin!
“Hè? Mijn God, Claire, het is toch
niet voor te stellen dat iemand als jij dit overkomt. Jij, die zo graag tegen
alles en iedereen inging, desnoods zelfs op de vuist ging?”
“Wacht, Kees, ik was in
verwachting en ik was een heel ander mens.”
“En Hans dan? Deed die niks?”
“Hans was er niet, en ik wou hem
er niet mee lastig vallen”
“Goeie genade! Had het mens bij de
strot gegrepen.” Maar nee, ze kon het niet. Haar wezen stond op nu een ander
programma: leven geven, niet afbreken. Gelukkig konden ze tenslotte met
urgentie een flat krijgen. Het kreng, haar tante, de vleesgeworden Scaramouche,
scheurt aan het eind van haar leven, dat genadiglijk niet zo lang daarna kwam,
uit pure vrekkigheid haar stapeltjes bankbiljetten kapot en spoelt ze door de
WC, om ze maar vooral niet af te hoeven geven! Rust in onvrede bitch.
Ongelofelijk, Claire heeft toch
wel af moeten zien in haar leven. En wat een teleurstellingen.” Naar Australië
vertrekken met je man, een avontuurlijke toekomst tegemoet, en dan na twee jaar
van strijd met hem tot de conclusie moeten komen dat hij heimwee heeft en wel
terug zou willen zwemmen! Weg avontuur, weg hoop, weg toekomst. En het hield
niet op, jaar in jaar uit in allerlei varianten, steeds hetzelfde laffe thema:
veel mooie ideeën, je vrouw enthousiast maken, tot je eigen schrik moeten
ervaren dat je meer dan serieus wordt genomen en dan met een dun gevoel in de
broek terugkrabbelen. En dan uiteraard allerlei smoesjes verzinnen om fluks het
zelfverwijt in te pakken en het als venijnig cadeautje vol ergernis weer bij
haar op het bord te leggen. En kon hij anders? Had hij gewoon teveel
impulsieve, wispelturige fantasie, en zij te veel driftige dadendrang? Kwamen
bij hem spontaan en ongeremd gedachten op van wat hij wel/niet allemaal zou
kunnen en willen zijn en willen doen. Overmoedig, nonchalant om de
consequenties niet behoeven te overzien; genieten van je eigen grootspraak. Ja,
en als je dan aan je woorden gehouden wordt, en je voorbij wordt gelopen door
je eigen vrouw, die tot je schrik alles meteen aanpakt, en jou daarmee uit je
droom helpt, wat dan? Wat doe je dan, als blijkt dat ze je in jouw kaartspel
overtroeft, en je er uit speelt? Het doet je wat als man, als je onverwacht in een
dans verwikkeld raakt waar je tot je ontsteltenis niet meer uit weg kunt. Dat
wordt een Danse
macabre.
<Wat? Of ik er iets in herken?
Ja, ik denk het wel, maar bij mij heeft het meer met mijn hele leven te maken.
Ik ben met Rie in een voor mij vreemd soort levensspel terecht gekomen, waarin
ik eerst dacht een hoofdrol te hebben als een kroonprins, gewaardeerd,
gerespecteerd. Ja, ze hield zeker van me en ik van haar. Maar bij alle fraaie
entourage bleek alras dat ik na een idyllisch begin niet langer de hoofdstroom
was van haar leven. Ik heb onder ogen moeten zien dat zij in feite minstens in
sociaal opzicht de levensstroom was en dat ik daar op ben meegedreven.>
<Ja Adrie, je dacht in het
begin dat jij de bruisende en ruisende bergstroom was en zij een beetje de
saaie oever waar jij minnekozend langs stroomde. God, dacht je, wat is ze
afwachtend, wat zit er weinig beweging in? Je wilt haar mee laten stromen,
driftig spoel je langs en over haar heen. En dan wordt je bang want het lukt
niet om haar mee te krijgen, bovendien de oever is overal. Je wilt dan het
liefste een dam opwerpen tegen je eigen geweld, om er tenslotte achter te komen
dat daarmee de overstroming compleet wordt.
Moerassig en drassig wordt alles.
Tot je teleurstelling kom je erachter dat je met al je levensdrift met de oever
ook haar weggespoeld hebt. Een dam dacht je op te werpen? Arme jongen, wat een
ontgoocheling te moeten merken dat jouw moeras al weer begon op te drogen, en
dat er ondertussen ergens anders een nieuwe stroom op gang is gekomen; helder
water dat zich een weg zoekt.>
< Ben ik dat ook, vraag je je
af? Nee, dat ben je niet. Als je dat onder ogen moet zien Adrie, ben je pas
echt de klos! Dan moet je wel inzien dat er van al je onstuimigheid alleen nog
drab over is, en dat je eigenlijk nooit de stroom bent geweest, maar minstens
voor een deel de rotsooi die er op meegedreven is. Bereik je dan nu nog de
oceaan waar je had willen komen, die je misschien wel had willen worden?>
Ik ga Rie bellen. Voor de derde
keer het antwoordapparaat. Haar stem. "Dan kunt U na de piep
inspreken." Rie, ben je weer aan het verharden? Wat gaat dat worden
morgen? Elkaar weer negeren? "Ongewenste intimiteiten!", dat zei ze!
Je bent ver van me weg, als je zoiets kunt zeggen. Heeft ze door dat ik de vorige
keer dat we elkaar ontmoetten, half en half een verleidingsspelletje gespeeld
heb? Wat zal ik doen? Mijn gevoel volgen en haar alvast haar stoel geven? Hoe
moet dat verder met de boedelscheiding? Moet ik nu ook beslag laten leggen op
haar ouderlijk huis? Tot nu toe is zij de eisende partij geweest! Moet ik niet
in de aanval gaan? Stoppen met afwachten? Wat gaat mijn advocaat doen?
Godverdomme, wat kan ik doen? Wat moet ik doen om mezelf te beschermen, want ik
heb met een koele vrouw te maken, die keihard voor haar eigenbelang vecht,
tegen mij. En ik zit hier een beetje halfzacht te doen? Maar kan ik anders?
Vroeger was ze een gezellige
lachebek, een beetje naïef misschien ook wel, maar ze zat vol van spontane
levenslust. Hield dat op toen ze de consequenties van de relatie met mij begon
te ervaren? De confrontaties tussen ons, met de tegenstelling tussen milieus
als achtergrond: zij middenstandsdochter en ik arbeiderszoon. Zij met de
grondzekerheid van de oudste dochter van de Chef; ik met de arrogante zelfzekerheid
van een te scherp intellect. Ook zij was arrogant vanuit haar zelfzekere
positie. Het maakte haar tevens doelwit.
"Ja, maar wij werken er voor,
en wij verschaffen hun werk! Het risico is wel mooi voor ons.”, was de
voorgekauwde redenering. En: “Maar voor arbeiders, onze werknemers, moeten we
goed zijn, ook al hebben ze het beter dan wij! Die hadden eerder een televisie
dan wij hoor!"
Wat heeft Vaderlief haar
aangepraat met zijn beschouwingen over arbeiders èn arbeidersvrouwen. Zijn
mensenkennis had hij voornamelijk opgedaan bij het ophalen van de vuile
onderbroeken op de bakfiets. Wat voor bril had haar vader, deze man uit de
Betuwe, op als hij, met ogen op steeltjes en de oortjes gespitst, `smorgens in alle
vroegte de was moest gaan ophalen? “Ze moesten volgens hem echt wel verkeerde
bedoelingen hebben hoor die vrouwen, anders zouden ze toch niet 'smorgens de deur opendoen. En zeker niet als
ze nog niet aangekleed waren en kwamen opendoen in zo’n dunne halfdoorzichtige
nachtjapon. In zijn ogen was dat allemaal berekening.” Dat sommigen onder hen
best wat wilden dolden met die wat hitsige, nieuwsgierige levenslustige
wasophaler aan de deur, is nooit bij hem opgekomen. Maar deze wat
bevooroordeelde postpuber heeft naar zijn verhalen te horen heel wat gezien aan
de voordeur.
Eindeloze verhalen had hij later,
als hij aangeschoten thuiskwam en ma al naar bed was. En maar praten tegen zijn
dochter, die een gewillig en liefhebbend maar ook leergierig oor was. Ja
natuurlijk was ze ook nieuwsgierig naar zijn levenswijsheden. Wat heeft zij zo
aan mensbeeld en aan vrouwbeeld ingegoten gekregen? Ze was toch niet meer dan
een mal voor hem met zijn oververhitte fantasiebrons. Kon hij zijn hart
eindelijk eens veilig uitstorten tegen een jonge vrouw, zijn eigen dochter nota
bene, die alles voor zoete koek aannam. Hij heeft haar eigenhandig een
psychologische maagdengordel aangedaan. "Zal ik hem opgraven Claire? Zal
ik hem alsnog door mekaar rammelen om al dat gezwets?" Ik zie hem nog
praten, heel verlekkerd, Betuwe-zelfvoldaan, babbelend over de coryfeeën van
zijn levensverhaal: JozefvB uit de Korenbloemstraat, bijvoorbeeld. Opvallend
hoe beweeglijk los zijn hoofd dan op zijn romp staat. Het rolt genietend van
links naar rechts en vice versa om al die aandacht die hij toch maar weer
krijgt. "Pas op Rie, laat je niet gaan! Houd jezelf en niet zijn penis in
de hand! Jij als vrouw moet de controle houden. Mannen kunnen dat niet! Pas op,
anders roep je verkeerde impulsen op bij mannen en bij jezelf misschien ook!”
Hè, kan dat ook dan? Zou hij dat hebben durven zeggen? Heeft hij haar peilend
aangekeken?
"Neem nou je moeder. Ik ging op de fiets,
hoor je, op de fiets ging ik naar Dongen, en er mocht niets van haar, ja, een
kusje mocht ik haar geven! Die wou niets tot ze getrouwd was.”
Moeder was een trotse vrouw; kuis,
eerlijk, recht door zee, betrouwbaar! Altijd aanwezig als er iemand in de
familie in nood zat. Maar ook koel en moeilijk tevreden te stellen. Ze had ook
nog een paar druppetjes adel in haar bloed. Oude Adel van de kant van de
Kortenbachs, ergens in Duitsland. En Vader? Had hij opdringerige fantasieën op
de terugweg naar huis? Het was toch maar een ongemakkelijke zit op dat harde
zadel met een welgevulde prostaat. Gauw de kroeg in, waar altijd wel een paar
meer wulpse dames rondhingen, met volwassen extroverte levensvreugde. Nog meer
vulling in de prostaat natuurlijk, want die waren altijd in voor een geintje.
Daar had hij trouwens evenmin iets te halen. Hij kon er wel mee gekscheren,
maar, och, die waren toch te min voor hem. Heel geschikt overigens om de
overtuiging levend te houden, dat hij het met zijn eigen maagd toch maar heel
goed getroffen had. Daar hoefde hij tenminste niet over in te zitten!
Rie heeft nooit uit eigen
beweging, spontaan aangegeven dat ze zin had om te vrijen. Altijd had ik het
gevoel dat ik haar met mijn passie overrompelde. Wel was ze altijd gewillig,
tot de laatste paar jaar dan. Ze heeft voor zover ik weet ten minste 1 keer een
orgasme gehad. Ik stond er verbaasd van, zij ook trouwens. “Hé, wat gebeurt me
nou”, hoor ik haar op een goeie dag tot mijn verrassing zeggen. “Ja, Rie,
vertel, wat gebeurt er je?” Heel veel als ik de verhalen in de vrouwenblade
moet geloven. Soms denk ik dat een orgasme voor een vrouw eerder een soort fata
morgana is; meer fictie dan werkelijkheid, met een droge dorst die niet te
lessen is. Ik stel me achter het geheimzinnige vrouwelijke orgasme werkelijk
vraagtekens. Bestaat dat wel? of zouden de vrouwen willen dat het bestaat. Het
zou wel eens een ware mystificatie kunnen zijn. Ik denk aan mijn eigen
ervaringen hoor. Ik heb een tijdlang omgang gehad met Marita, een fantastisch
mooie vrouw, en echt overrompelend zwoel. Bij onze eerste vrijage had ze naar
haar zeggen voordat ik zelf zo ver was, al 6 keer een orgasme gehad. Ik heb
haar verbaasd en geïmponeerd aangekeken. Ikzelf was in een keer zo klaar als
een klontje en ik was totaal uitgeput. Maar Marietje ging vrolijk door. Kijk,
dat was het moment waarop me duidelijk werd dat als dat vrouwelijke, orgasme al
bestond, het waarschijnlijk net zo kleintjes was als het kietelorgaantje dat
daar zorg voor moest dragen. Maar who cares?
“Adrie! Adriaan, we hebben de
wekker niet gehoord!"
"Verrek! De rechtbank!” Nog
nooit heb ik met zoveel aandrang geprobeerd om de cijfers van mijn horloge
scherp in beeld te krijgen.
"Verdomme, Claire, ik moet
als een haas weg!" Eruit, even door het gezicht, oksels ook maar,
aankleden. "Och het lukt nog wel, als de auto geen problemen geeft
tenminste." Een paar slokken koffie. Verdomme, wat ben ik winderig, en wat
hebben we vannacht lekker gevreeën! Ik ben wakker geweest, een paar keer zelfs.
"Och, tijd zat", en ik ben weer tegen Claire aangeschoven! Verdomme,
verdomme. Als de auto het maar doet. Gelukkig, het vertrouwde geronk van mijn dieseltje,
braaf beestje, brave jong. Op naar het Gerechtshof in Roermond.
Rie zit er al. Wat, lacht ze! Ze
lacht? Ik geef haar een hand, en dan ook een ongewenste intimiteit. Geen afweer
deze keer. Gretig? Haverkoek arriveert ook.
"We zullen wel even moeten
praten." Nou, maar goed ook. Zucht, wat ingewikkeld allemaal. Vogels!
Ietsje slordiger gekleed deze keer jongen? Doorgezakt gisterenavond zeker. Wat
een gedoe.
Naar binnen. Hé, een andere
rechter, een man dit keer. Er is geen continuïteit dus. Haverhoek spreekt
namens Rie. Ah, ze laat haar aanspraken op de woning vallen? Dat is mooi. Maar
wat wil ze als compensatie? Is dit bedoeld als sfeermaker? Voor de rest gaat
het allemaal over financiën, geld, geld, geld.
De vrouw heeft niks en kan niks,
en de man moet dus afschuiven. Daar komt het op neer.” Och dat wil ik ook wel,
als het nodig is. Ik zit te bibberen merk ik. He, wat zegt dat mens nu? Ik,
manisch depressief? Rie, mijn hemel, wat doe je nu weer. Dat meen je toch niet.
Dat is zo vals als de pest. Rie, Rie, godverdomme, trut dat je bent! Je hebt
ook echt geen respect voor mijn persoon. Zij, heeft met haar college-jaaruur
psychologie eens even de diagnose gesteld dat ik manisch depressief zou zijn.
Wat een hoogmoed. Mij zo leugenachtig te kleineren om haar eigenbelang te
adstrueren. Ze wil dus door mij zò neer te zetten, kennelijk beargumenteren hoe
moeilijk ze het gehad heeft? Hoe ze zich heeft opgeofferd? Wat? Geestelijke
wreedheid? Die Haverhoek probeert keihard het onderste uit de kan te halen, maar
schiet gelukkig zo door dat het zich wel tegen haar moet keren. Ze wil de
rechtbank na dit alles ook nog eens een gedeelte uit mijn goedbedoelde brief
overleggen. Vogels protesteert terecht. Hij heeft een makkie. Er is van
medische kant geen enkel argument voor haar bewering over een psychische
aandoening. Dit kan worden gekwalificeerd als kwaadwilligheid en karaktermoord,
een infamie. Verder wat zijn brief betreft, de man heeft uit de goedheid van
zijn hart gesproken, maar heeft zich niet gerealiseerd wat de konsekwenties
zouden kunnen zijn, zoals nu blijkt. Die brief is in een emotionele toestand
geschreven en kan zo geen rol spelen. In elk geval kan er niet zo maar een
gedeelte uit gelicht worden! Vogels heeft de brief niet zo gauw tevoorschijn,
en excuseert zich voor zijn geblader. Ik kan hem ook zo gauw niet vinden. Ik
fluister Vogels in dat de brief vol staat met onvervulde voorwaarden. Vogels:
“Inderdaad, maakt U zich maar niet ongerust.” Maar ik maakte me wel ongerust,
en dat blijkt nodig ook. Verdomd Vogels, ik had je nog zo gewaarschuwd om de
onvervulde randvoorwaarden scherp te
adstrueren. En nu dreigt de uitspraak
gebaseerd te worden op een, niet bestaande, wilsovereenstemming.
Ik ben direct na de zitting
vertrokken, de buik vol. Nee Rie, deze “manisch depressieve jongen” hoeft nu
echt geen kopje koffie meer met je te drinken. En dan, mijn GSM, Libertel,
"bericht voor U". Hoe werkt dit in verdomde ding in Jezus naam. Nog
meer kutgedoe. Een bericht. Hè, wat, van Rie? Dit is toch niet mogelijk; nu sta
ik werkelijk perplex. Dat ze mij nu nog durft te bellen. Ja hoor, ze heeft me
nog gezocht. Hoe bestaat het! Ze is zelfs nog naar de Oranjerie geweest in de
verwachting dat ik daar zat. Vooruit Adrie, houd de boel open, en bel ze maar
terug. “Manisch depressief” zei ze. Beseft ze eigenlijk wel wat ze zo ook haar
kinderen aandoet? Met deze flagrante mistekening zadelt ze haar kinderen op met
het vermoeden van een ernstige erfelijke belasting. Dank je wel ma.
Godverdegodver. Vier pogingen, geen reactie. "Rie, je kunt me wat, bekijk
het ook maar!" Het is ook beter zo. Het was toch op een vervelende
confrontatie uitgedraaid.
Eerst naar Albert. Ha, gelukkig,
hij wil me helpen. Ik moet zo snel mogelijk mijn computersysteem aan de praat
krijgen! Ik zie het wel zitten met deze jongen. Misschien kunnen we samen iets
goeds gaan doen. Hij ziet dat ook best zitten. God, ik ben moe. Ik tol af en
toe. Heb ik wat onder de leden? Manisch depressief!? Godverdomme, hoe waagt ze
het. Dat is dus toch het beeld dat ze met zich mee draagt. Wat een eigenwijze
kuttekop. Van medische kant is dat nooit gezegd. Psycholoog Bremer, waar ik in
therapie ben geweest heeft eens ooit die mogelijkheid geopperd. De man was
daarvoor noch bevoegd noch gekwalificeerd. Hij is trouwens later uit zijn vak
gezet wegens wanpraktijken. Bijvak psychologie; nondeju, wat een eigenwijze
waan. Stenisch is ze; heeft er zich bij haar
eenmaal een mening postgevat, dan is die er met geen hersenspoeling uit
te krijgen, en vooral niet als die mening in haar kraam te pas komt.
"We
couldn`t wait for night to come!" zingt het op
de CD. Dansen, dansen. Heerlijk de beweging te voelen op "the blanket on the ground!". Mikkie op mijn schouder doet
enthousiast mee. Geweldig Mikkie. Val er maar niet af. Leven! Leef Kees.
“Verrek, Math, ha, ben je daar
eindelijk? Ik heb naar je uitgekeken”. Met hem is er stokoude vriendschap!
Claire, dit is nou de vriend uit mijn studententijd. Math, jong, kom zitten,
wat wil je! Een pils! Dat wordt dan dus een Palm! Aarrgh, ken je die niet! Mama
mia, Math die een Limburgs bier niet kent!” We zijn meteen in gesprek. Als
vanouds, zitten we midden in de hot topics van de samenleving. Hij vertelt over
zijn broer, de huisarts, die op zijn donder geslagen is door een boze klant.
Hoopt Math op begrip, zo van “God, god, het is me wat?” Hij krijgt het
omgekeerde. Dat had hij kunnen weten ook. We zijn altijd scherp, openhartig en
confronterend naar elkaar geweest, zoals dat alleen tussen vrienden kan.
"Kennelijk geen professionele
houding bij je broer Math: misschien was er te weinig beschikbaarheid en te
veel autoriteit? Als je broer werkelijk de hulpvraag ten volle had verstaan,
dan was dit toch nooit gebeurd." Dit is een onverwachte reactie voor Math.
"Kijk Math, ik ben er tot
mijn scha en schande zelf ook achter moeten komen hoezeer ik autoritair
overkom, zonder het te beseffen! Dat ik daar werkelijk soms ook agressie mee
oproep. Misschien roep ik zelfs nu op dit moment wel agressie bij jou op?"
Het stemt Math tot nadenken. Hij vertelt over klachten van ouders die, heel
shockerend, in tranen, namens hun kinderen, hun beklag kwamen doen. Het praatje
ging rond: "Ach, laat toch, bij die Dassen, daar kun je toch niet terecht.
Die is zo hautain en uit de hoogte! Die luistert immers alleen naar zichzelf!"
Ik vertel Math over mijn indruk over ons bezoek aan zijn thuis tijdens de
floracursus in onze biologiestudie:
"Math, het viel me toen zo op
hoe jij je vader een burgermannetje vond, autoritair en ontoegankelijk. Word
jij nu ook zo? Zo vader zo zoon, terwijl je dat juist niet wil!” Math is
geraakt. Ik vertel hem hoe ik met precies hetzelfde worstel, maar dan wel in
omgekeerde zin." Ik ben een rebel, nog steeds opstandig tegen elke
vaderfiguur!"
Claire snapt me goed op dat punt.
We hebben daar trouwens alle twee het nodige mee te stellen gehad, en nog. We
roepen onbedoeld en onbewust reacties op, en krijgen het op ons brood. Bloed,
aarde en schande. Het verbreken van die oude incestueuze banden vereist
misschien wel levenslange strijd. Pijn, pijn van oude herinneringen. Liefde en
begrip, en de vaste wil om het bewust anders te doen; dat is de enige remedie.
Houd ik daarom zo veel van die
oude mensen op het bejaardenhuis?. Ben ik soms op zoek naar de goede
vaderfiguur? Zie ik daarom ook zo scherp hoe Rie aan haar vader vast hangt.
Daar zal ik dan ook wel in overreageren vermoedelijk. Rie en haar god de vader.
Ik heb haar zeker wel pijn gedaan met mijn felle reacties naar hem. Maar ze
weet ook dat ik hem op een bepaalde manier ook bewonder.
Mijn verjaardag. Nee, ik ga niet
naar de Zonnewijzer. Ik heb eens geen zin. Ik blijf rustig mijn volkskrantje
lezen. Ik geef de volgende keer wel een rondje. Daar wachten ze nu op, dat weet
ik. Claire komt straks. Ze blijft bij me eten. Dat wordt dus koken. Ik heb er zin
in: aardappelen, boontjes, sla, en een varkenshaasje. Ik ga haar eens een
lekker dinertje bereiden.
Daar zit ze dan weer, aan een
tafeltje: Rie. Ze ziet er goed uit. God, wat is ze me vertrouwd. Ik kijk haar
aan, en ik weet het, diep in me zal er altijd iets voor haar blijven gloeien,
maar ze is geen vrouw meer voor me; de
vulkaan is vrijwel uitgedoofd.
Koffie?"
"Ja en met een
cognacje!" Zij wil geen drankje, ze kan er niet meer tegen, zegt ze. Er
zijn van die momenten dat je al je charmes van een 55 jarige in de strijd
gooit. Dit is zo'n moment. Ik ben weer eens mijn eigen vrouw aan het versieren.
Hè? Ze lijkt wel jaloers op de jonge meid die ons komt bedienen.
"Ja graag, een lekker broodje
met kaas van je!" Rie wordt er niet goed van. Net als de vorige keer komen
de traantjes. Het mag van me. Ik heb begrip voor haar pijn. Ik sta er dan toch
ook nog versteld van dat het maritaal beslag wel degelijk op haar verzoek heeft
plaatsgevonden.
"Rie, ik ga echt uit van wat
de deurwaarder heeft beschreven!" Jij krijgt je portie pijn ook meid, daar
is niets aan te doen.”
"Die Veldhuizenstoel, die we
hebben laten bekleden?"
"Die is weg. Afgegeven en ze
waren er heel blij mee.”
"Maar, dat was de stoel van
het begin."
“Ja, maar dat begin bleef niet
duren Rie.”
“En,die…”.
"Ja, ook weg, dat was rommel,
niets van ons zelf! Ja, inderdaad, ik heb het een en ander weggegooid, ouwe
rotzooi! Maar de commode, waar Stan en Maud op gelegen hebben, is er natuurlijk
nog! Ja en die mag je hebben. Ik wil hem nog wel voor je opknappen ook!"
Grootspraak? Nee. Ze krijgt het te kwaad. Rie hecht aan de symboolwaarde en ik
ook.
We nemen mijn lijst door.
"Nee, die stoelen houd ik. Die heb ik met mijn eigen handen opgeknapt.
Alles waar mijn creativiteit in zit, dat houd ik! Dat gaat de deur niet uit. No
way!"
"Maar die heb ik uitgekozen!
Die zijn nog afkomstig van Grad!" Nou trapt ze me echt op mijn staart!
Verdomme van Grad? Wat kan mij die oetlul schelen! Die flutfranciscaan, die
hobbyist, die zo mooi kan fluiten en zo begeesterd de mis kan voordragen? Ja
prachtig vindt ie het dat ik die afgedankte stoelen heb opgeknapt, en hoe.
Prachtig vindt ie het, dat hij daar bij ons in mocht zitten! Weet je hoeveel
uren ik er in heb zitten om ze te restaureren?” Weer woedt de kritiek op de Hooge
Berkt. Dimmen Adrie.
"Dat alles zegt me totaal
niets meer meidje; het wekt eerder mijn agressie op. Ik ben blij dat ze
vertrekken uit Thorn. Ik word niet goed van die lui, die maar blijven
doorlachen alsof er niets aan de hand is. Man, denk ik dan, trek je smoel af en
realiseer je je aandeel in onze kleine ellende! " Nee, dit zijn harteloze,
mensen zonder tederheid, zonder intimiteit, met al hun uiterlijk vertoon en al
hun inzet, zijn het tenslotte liefdeloze holle vaten." Net als jij, denk
ik er bij.
We nemen afscheid, en de oude
vertrouwdheid van haar lichaam roept reacties op. Daar sta ik dan. Ik druk haar
tegen me aan. Ze wil wel en niet, ik voel het. Mijn penis schiet aangenaam
stijf door de gulp van mijn onderbroek naar de buitenlucht. O jee! Nee, mijn
gulp staat niet open gelukkig! Merkt ze het? Zal wel, dat moet wel. Ze heeft
het maar al te vaak mee gemaakt. Ik heb wel eens uitgerekend hoe vaak. Nou daar
schrik je van. We zien elkaar volgende week weer. Zou ze nog met me naar bed
willen? Wat zou ze doen, als ik er op aan zou sturen? Kamertje huren? "Men can't help acting on
impulse!", heet het. Zou ze weer de sterke maagd uithangen? Ze is dan wel zoetjes vergiftigd, door
de schone verhalen over de rol van de vrouw als draagster van wijsheid, maar tegen
de natuur is ook zij niet bestand. Die wijze Salomo wordt in de HB ook alleen
aangehaald, als het in hun kraam te pas komt. Sheba valt trouwens in het niet
bij Ester. Nee Rie, bekijk het! Ik ga Claire bellen. Die komt vanmiddag thee
drinken. Ai, ik kom wel in tijdnood. Ik heb mijn internetles van morgen nog
voor te bereiden. Ontspannen blijven, Claire komt helemaal voor mij hier heen!
Ze heeft met me meegevoeld natuurlijk.
Potverdorie. Weer hetzelfde
gelazer. De helft van de computers geeft de melding dat de a: drive geen
toegang heeft. Waar ligt dat nou toch aan? Jos Penders bellen! Waar is die
handleiding van hem? Jezus wat een rotsooi overal. En die zaal, fed up met computers. Ik vond het
vorige week zo imposant, maar nu? Overvol en rommelig. Paniekerig word ik en
boos. Gelukkig doet de on line
computer het wel. Naar beneden, drie verdiepingen! Verdraaid, ben ik ruim op
tijd hier, en nou krijg ik de zaak niet aan de praat. Mopperig terug naar
boven. Niks wijzer geworden. Dan maar centraal. He, ik ben nu al vermoeid.
De helft van de cursisten is niet
komen opdagen. Hebben ze er al genoeg van? Werken ze liever thuis? Ik kan ze
geen ongelijk geven. Een beetje intelligent zelfstandig denkend mens kan het
met de handleiding ook best zelf af. Maar dat is uiteraard niet echt de
bedoeling. Geen lessen, geen inkomsten. Die man daar zit me trouwens opvallend
aan te kijken. Weet hij er al heel wat van, of denkt hij dat maar? Ik zal hem
in de gaten houden. Misschien is het weer zo'n overkritisch figuur? Rustig Adrie.
Hmm, het valt mee. Hij is gewoon snel, slim en zelfstandig. Ja, dat is er zo
een; die kan het inderdaad best zelf. Vriendelijk blijven jongen! Ik heb in
Weert ook al eens te snel uitgehaald met "Dat is ouwe lullen praat!",
gepikeerd om een opmerking van een cursist. Ik ben afhankelijk van hun
reacties. Ze bellen zo de directie op. Nee, liever niet nog eens zo'n toestand
als bij Kneepkens. Als docent leg je het in de commerce zo af. De klant is
koning. Bizar, maar ik moet het Gilde te vriend zien te houden.
Ja, lief zeg, Claire heeft chili con
carne
klaargemaakt. Ik mag toch blij zijn dat ik nog zo'n vrouw heb ontmoet. Zij is
echt iemand naast me. Ach en Fenny, wat is ze blij als ik kom. Minder leuk is
dat ze naast me komt liggen, gelukkig op en niet in het bed. Verrek weer
wakker! Probeert ze in bed te kruipen?
Gedachten, ze komen en gaan. Dat
moet je ook maar gewoon laten gebeuren, en ze niet vasthouden: Tantra, les
nummer één. Vroeger kon er van schrikken, van zo’n losse gedachte die zomaar
ongevraagd binnen kwam dwarrelen. Wat! Ik kon er totaal van ondersteboven
raken. Je geest kan rare streken met je uithalen, zeker als je je identificeert
met de gedachten die je krijgt. Ja, gedachten krijg je. Ze zijn niet van jou.
Jij bent slechts de antenne die ze opvangt. Gedachten komen ongevraagd je geest
binnen dwarrelen, en ze gaan ook weer. Niet bezitterig doen en ze niet
vasthouden dus. Dat alles heb ik van Bhagwan geleerd. Ja, ik heb veel aan die
man te danken. Ademloos, als gekluisterd, heb ik zijn boek Tantra gelezen, en ik ben er
werkelijk heel veel wijzer van geworden. Dat boek heeft me echt door een
moeilijke periode heen geholpen. Ik heb door hem eindelijk begrepen hoe de
menselijke geest aan onrust ten prooi kan vallen. “Gedachten komen en gaan.
Houd ze niet vast, laat ze gaan”, zegt hij in de geest van Tantra. Ze zijn niet van jou, dus
identificeer je er ook niet mee. Ja, dat is in een notendop de diepe
levenswijsheid van Tantra! In dat opzicht hebben de westerse religies voor mij
eigenlijk maar bar weinig te bieden gehad. Maar wat wil je, de Wijzen kwamen volgens de bijbel ook
uit het Oosten, vanuit de oergrond van het Boeddhisme. Wat kan het Christendom
daar tegenover stellen? De dorpspastoor, de oudste zoon van het boerke van
buuten.
Die gekke Niek was tenslotte ook
laaiend enthousiast geworden voor deze filosoof uit India. Ja, hij was zelfs
griezelig in de ban van hem geraakt, net als Jan Foudraine. Hij werd dan ook
bezorgd in de gaten gehouden. Niek was gegrepen door het creatieve elan en de
levenslust bij Bhagwan die kennelijk opwellen uit een diep gevoelde liefde voor
mens en wereld, los van formules en los van woordenbrei. Niek begon te voelen
wat het is, verliefd te zijn op het leven zelf. Hij vertoonde in zijn houding
en kijken alle symptomen van de verliefde staat. Als hij niet geduldig was vast
gehouden door zijn huisgenoten, dan was hij vast en zeker ook naar India
toegegaan en zou net als Foudraine in een cultuurshock ten onder zijn gegaan!
Ik zie hem al zitten, in een kring, waarin openlijk vrije sex wordt bedreven,
zoals Foudraine beschrijft in zijn boek. God, daar zou hij wat meegemaakt
hebben.
Ik was gepikeerd en ronduit
teleurgesteld, toen hij opeens zo enthousiast begon te doen. Ik had zelf al
enkele keren de loftrompet over Bhagwan gestoken, want ik was echt vol van de
man. Ik kon echter praten wat ik wou, ik kreeg absoluut geen gehoor, maar ik
werd om mijn gedreven vertellen zelfs wat argwanend bekeken. Maar, ik was dan
ook geen voorganger, geen leider, Niek wel. Hem verging het anders! Naar hem
werd door zijn HB- supportersclub bewonderend opgekeken, als ware hij bevangen
door de heilige geest. Voor mij te meer verbluffend, omdat hij inhoudelijk niet
veel te vertellen had, en niet veel verder kwam dan een soort kritiekloze
adoratie voor de persoon van Bhagwan. Kortom hij was stomweg in de ban geraakt
van zijn uitstraling, in de ban van die liefhebbende blik in zijn ogen. Het had
er veel van weg, dat “ijzeren Hein” Niek verliefd was geworden op de liefde. Ik
stond paf van het volgzame gedoe dat zich na zijn eerste ontboezemingen in alle
geledingen voordeed. Eerst steels toekijken en afwachten hoe "het
gezag" tegen de merkwaardige metamorfose van Niek aankeek, nog eens
kijken, en oh, ja, is het goedgekeurd?: allez, dan
haastig vooruit met de geit.
Hoe kan die rationele, beheerste
Niek met zijn perkamenten emotionaliteit ineens zo in de versnelling schieten?
Had hij dan misschien toch iets van mijn enthousiasme opgepikt? Heeft hij
misschien ook Tantra gelezen? Waarschijnlijker is dat hij een interview met
Bhagwan gezien heeft. Bij mij is de geboeidheid gekomen via zijn boek Tantra,
een soort bijbel. Ik moest vervolgens erg wennen aan zijn voorkomen, zijn bolle
ogen en zijn manier van doen. Al trof me ook wel de rust en de harmonie in de ogen
van deze man toen ik hem op televisie zag. En wat een levenswijsheid bracht
hij. Ik ontving de filosofische, spirituele inzichten van deze hoogleraar in de
filosofie precies op het goede moment, namelijk toen ik ze hard nodig had en er
open voor stond. Wat had Br Niek in deze onthechtte, welbespraakte,
liefhebbende filosoof zo geraakt? Was het de peilloze rust in die grote bruine
ogen of zijn onverwoestbare glimlach waar hij zijn toehoorders mee omhelsde?
Niek had zich bij het zien van dit alles kennelijk plotseling een galmend
bekken gevoeld, en had gevoeld dat hij
nog nooit aan de ware liefde toegekomen was. Inderdaad, dat is een schokkende
en zelfs wat griezelige ervaring. Bhagwan was een krachtige persoonlijkheid,
maar ook een Brekel om met
Maarten Toonder te spreken. Iemand die je beroept op waarachtigheid en die als
je onecht bent, je belevingswereld totaal ondersteboven zal gooien. Je moet
daarna zelf maar zien hoe je er mee klaar komt. Niets voor zwakke mensen dus.
Bhagwan! Hij was naar westerse
maatstaven een kwibus, maar wat heeft ie mij en talloze anderen veel te zeggen
gehad; mij dus op de eerste plaats met zijn boek Tantra. Jammer dat het zo
beroerd met hem moest aflopen. Hij is tenslotte toch bezweken onder de enorme
druk van de publieke opinie, waaronder veel aanhangers en meelopers, maar ook
vele vijanden. Wat een teloorgang. Zwaar gefrustreerd en vol angstige ergernis,
zo loopt ie tenslotte voorbij op het scherm, belaagd door nieuwsjagers,
tenslotte toch uit zijn evenwicht gebracht. Maar wie is op den duur bestand
tegen de westerse publiciteitskolos met zijn geile protagonisten die maar op
een ding uit zijn, sensatie creëren en je zo voor het voetlicht brengen. Zijn
eigen leerlingen hebben hem gecorrumpeerd met die belachelijke verzameling
RollsRoys wagens, wat moet een mens daarmee, en zo is ie hij tenslotte van zijn
graat afgedropen. Hij had eigenlijk vermoord moeten worden net als de andere
groten der aarde.
Maar dan Rie, een levende Madonna,
een maagdekijn, volkomen op haar plaats in de communauté. Zit ik hier echt mijn
best te doen om haar te verleiden? Ik zit wel raar in elkaar hoor! "Nee
Rie, het kan me niet schelen of ik er morgen nog ben! Voor mijn part! Oh, ik
heb er best plezier in hoor, maar ik zie meer dan ooit mijn betrekkelijkheid”.
Het moest er een keer van komen.
Je kunt niet cultuurminnend zijn zonder ooit een opera gezien te hebben. Dus daar gaan we dan naar Brussel, naar Puccini, La Traviata. God, wat is mijn leven veranderd. Het alleen
zijn is best uit te houden. Maar zonder een intieme ankerplaats waar je je
gevoel kunt uiten, waar je respons krijgt, waar je gewekt wordt, zou het leven
verstillen en verkillen, en uiteindelijk alleen nog gedachte zijn zonder
“substantia”. Daar zou ik gek van worden. Dat is wat iemand als Claire voor me
doet, ze houdt me in leven. Ze is mijn redding. Hm, alweer een psalm.
God wat zingen die mensen, wat een
stemmen, wat een overtuigingskracht. Er werd heel wat gehoest in de derde acte.
Je moet dat begrijpen, anders ga je je mateloos irriteren aan al dat zogenaamde
"cultuurloze plebs" dat maar beter thuis had kunnen blijven De
kriebelhoest; het komt door de emotie. Ja hoor, Claire heeft haar bril ook al
af, en ze zit driftig in haar ogen te wrijven. Aanzwellende golven van applaus,
en een staande ovatie voor de sopraan! Dat was dan mijn eerste opera. Ik was
ook geraakt en gekraakt.. Ik heb eigenlijk altijd gedacht dat opera niets voor
mij is. Te theatraal? Ik ben er toch wel anders over gaan denken. En ballet
dan, dat verwijfde gedoe met die zakophouders. Dat is toch allemaal
gesublimeerde seks! En maar kijken naar die stemvork. Dat altijd boeiende en
nooit vervelende kruispunt, waar zoveel interessants verborgen zit. En maar
kijken naar die potsierlijke mannen met hun ingepakte boerenjongens. Dat mogen
ze van mij houden. Het zal wel aan mij liggen maar mijn ogen blijven er steeds
maar naar toe dwalen. Misschien heb ik te weinig cultuur om me daar van los te
kunnen maken? Maar, modern ballet ben ik echt gaan waarderen. Tja, mag het?
Zijn we niet allemaal goden in onze gedachten? In gedachten wel ja, maar niet
in onze daden. Om de hoogte van de Olympus te beklimmen is heel wat meer nodig
dan denken: natuurtalent, veel studie en een meester die je voorgegaan is. Ik
heb wat cultuur van mijn Pa mee gekregen. Hij zong tenor in een koor, en hij
zat elke zondagmiddag als liefhebber aan de radio gekluisterd om te luisteren
naar Bel Canto. Ik heb van hem een zekere muzikale gevoeligheid meegekregen,
het vermogen om te genieten van muziek. Maar er zat meer in mijn Pa, hij
schreef ook gedichten en heeft daar zelfs twee keer een prijs mee gewonnen.
Rie is met haar vader ook eens
naar de opera geweest. Hij wilde van alles voor zijn dochter, maar kon het voor
zichzelf niet waar maken. Hij zat in de kortste keren te snurken. Hij heeft
haar in van alles ingewijd, behalve in de liefde, zoals in sommige culturen ook
nog de gewoonte schijnt te zijn. Is dat de reden waarom ik met Rie niet naar
een opera wilde? Was voor mij de ontdekking er al af? Vermaledeide kerel! Met
zijn vrouw ging hij nooit uit!
Nondeju, wat was ik ineens onvast
ter been. Ik had het gevoel dat ik zo onderuit kon gaan. Te weinig gegeten, te
lage bloedsuikerspiegel? "Misschien heb je wel ouderdomssuiker", zei
Claire. Wie weet! Het was in elk geval bepaald onaangenaam. Een mens kan van
alles krijgen. Maar als het je zo ineens overvalt, dan schrik je toch wel even,
en besef je hoe vergankelijk alles is. Zoals bij dat oude dametje dat ginds op
een bankje zit. "Zeker een flauwte gekregen!" Er zijn al enkele
zorgzame mensen bij gelukkig.
“Het wijntje was heerlijk Claire,
de chili ook. Zo'n magnetron is toch maar heel gemakkelijk. Ik ga dat ook doen,
porties invriezen. Ik moet toch eens wat beter voor mezelf gaan zorgen. Jawel,
ik moet uitkijken dat ik niet te onregelmatig ga eten. Warm eten schiet er bij
al die avondlessen al te gemakkelijk bij in. Het is dan maar wat gemakkelijk
als je simpelweg een portie uit de diepvries kunt halen.”
We gaan naar Utrecht, mijn camera
ophalen. Muis blijft thuis. "Arme muis!", met je parmantige gatje.
Kan ze straks weer blij zijn als we terug thuis komen, “Hè, muis”.
Ik krijg nou dus eindelijk mijn GV-D300
video-player. Ik heb f.2000,- bij de inruil van de Canon EX1 moeten bij
betalen. Redelijke deal. Nou heb ik alles. Nou alleen nog leren monteren met
Adobe premiere en uiteraard een goed project!
"Hoe stel jij je onze
toekomst voor, Adrie?", vraagt Clair.
Hè, die vraag had ik niet
verwacht. "Ik vroeg jou pas wat je plannen zijn voor de toekomst” vervolgt
Clair, “en ik kwam er helemaal niet in voor." God ben ik echt zo zakelijk
lomp geweest?
"Claire, je moest eens weten
hoe vaak je in mijn gedachten bent, en positief ja. Ik kan me niet voorstellen
dat wij nog ooit van mekaar los komen. Onze levens zijn zich zo in elkaar aan
het weven. We worden samen nog eens één mooi tapijt."
“Adrie, mooie woorden, maar ik vraag het niet
voor niks. Ik heb een aanzoek gehad, van een aannemer wegenbouw. En ik moet
kiezen.”
“Ah, aannemer wegenbouw?”, ik kan
er niks aan doen, maar het werkt onbedaarlijk op mijn lachspieren.
“Uit het Midden Oosten zeker? Ah,
en ja, natuurlijk, hij is zeker ook miljonair? En alles bij elkaar gesprokkeld
in de beton?” Ik loop hier een beetje te badineren, maar er zit wel een reële
ervaring onder. Het gezin van Rie had een knaap geadopteerd, Hans, die als
vriend van broer Jan het ouderlijk huis frekwenteerde. Hij kwam mede door de
opvoedkundige kwaliteiten van Vader nog goed terecht; hij ging naar de HTS,
specialiseerde zich in de beton, ging in de bouw in het Midden Oosten waar hij
ook nog een slimme uitvinding deed, iets om stenen te kraken, en kwam als
miljonair terug. Het kan dus. Ik zal er maar niet bij vertellen dat de man een
gevoelloze beul was voor zijn vrouw, die desondanks bij hem bleef. Ze stond cultureel mijlenver boven
hem, en hij wist het. Hij heeft het haar nooit vergeven en heeft haar dat naar
verluidt meer dan eens stevig
ingepeperd. Nee, niet alleen verbaal.
“Je moet het niet aan Adrie vertellen had
Carla gezegd. Maar dat doe ik dus wel! Adrie, ik heb moeten kiezen tussen mijn
verstand en mijn hart. En ik heb gekozen om mijn hart te volgen. Hij heeft me
alles aangeboden” gaat ze verder.
“Ho, ho wacht eens, dit is
serieuze praat aan het worden.”
“Ja, ik kon alles van hem
krijgen, een cruise, een mobilhome, een huis in Spanje, wat ik maar wou! Hij is
ook hier geweest; die bloemen daar achter je zijn van hem”. Alles krijgen, hart
volgen? Ik kijk verbijsterd naar de volvette bos rozen op de eettafel. Verrek,
het begint tot me door te dringen wat hier eigenlijk gebeurd is, maar nog niet
wat ze eigenlijk wil zeggen. Zit ik op
de wip? Oh ja, godver, nou ja, dan is het maar zo. Voor mij geen ritje over een
weg van beton.
“Ik heb hier geslapen, we hebben
gevreeën, en zit er nu ineens een vent op mijn lip Clair? Ik weet het niet,
maar moet ik nou schrikken of wa?” Maar wat raar, ik voel helemaal geen
spanning bij haar. Wat wil ze me nou eigenlijk zeggen? Had Carla misschien
gelijk, en had ze dit beter voor zich kunnen houden? Waarom zou ik dat ook moeten
weten? Waar is dat goed voor? Dan snap ik het. Ze houdt van me, verdraaid, dat
is haar boodschap. Ze zegt me, dat ze voor
mij kiest en wat ze daarmee allemaal laat varen! Heel wat dus:
geborgenheid, rijkdom, zekerheid, zon en warmte, veiligheid. Wat kan ik daar
tegenover stellen? Liefde? Tederheid? Ja, dat op de eerste plaats en veel meer
heb ik ook niet te bieden, al lijkt me dat eigenlijk ook wel het belangrijkste.
Ik ben niet super handig, ik heb geen dikke
knuisten en ik heb zeker geen tiet met geld. “God, Claire. Hoe ik onze toekomst
zie. Ah, wel, wat kan ik zeggen”; gewoon mezelf maar zijn nu:
“Wel, ik zie dat de intimiteit en
de liefde tussen ons zal groeien in ons leven. Onze levens zullen inderdaad
meer en meer in elkaar geweven worden, dat zie ik. We zullen in de druk van de
nabijheid regelmatig vechten, maar nog vaker ook liefhebben. Heb je die musical
Anatevka gezien? Nee? Dan gaan we daar een keer naar toe. Het gaat over een
joods gezin in het armetierige Joodse dorp Anatevka, waar iedereen iedereen
kent en waar de traditie heilig is.. “Hou je van me?”, zingt de huisvader heel
teder tegen zijn vrouw, opgewarmd door de liefde die zijn vijf dochters van hun
vriend ondervinden en tentoonspreiden. En zij antwoordt:" Al die jaren heb
ik voor je gezorgd, je sokken gestopt, je kinderen gegeven, en jij durft nog
zoiets te vragen?" Maar hij wil het horen: “Hou je van me?” Ze heeft
gelijk, hun leven is het antwoord; maar ook hij heeft gelijk. Het moet af en
toe ook eens gezegd worden. Houden van is elkaar vast blijven houden, in woord
en daad, en niet los laten. "Ik ben heel erg blij en ontroerd met je
beslissing Claire, en ik ben heel gelukkig dat je van me houdt”, zeg ik
ontroerd en blij.
“En ik, ikkik hou van jou",
fluister ik, terwijl ik tegen haar aan kruip. En Claire? Zij lacht zachtjes.