Posts tonen met het label hond. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hond. Alle posts tonen

zondag 25 maart 2012

Freule Fenny 2


Ach, kijk nou toch. Weer ontroert het me om haar zo te zien. Het gaat nu wel in een rap tempo. Hoe lang zullen we Fenny nog bij ons hebben, en hoe lang zullen we dat vertederende ronde koppie nog knuffeltjes kunnen geven? Met die hangoren en die eigenwijs opspringende haarbosjes links en rechts is dat hondje zò vertederend. Hoe lang nog kunnen we kijken naar dat koppie, dat meer en meer met zilvergrijze borstelhaartjes wordt getooid? Ze hoort nauwelijks nog en haar gezichtsveld is met haar ene traanoogje, ook al met de duidelijke tekenen van staar, heel beperkt geworden. Ze vermagert ook heel erg. Zo nu en dan wankelt ze en ze beeft ook al een beetje. Gelukkig is ze nog zindelijk, maar bovenal is ze lief.

Ze ligt veel op haar nestje tegenwoordig en verslaapt het grootste deel van de dag. Nee, inderdaad, we weten het, zoveel slapen is niet zo best. Ik doe veel moeite om haar actief te houden. Iedere keer als ik de tuin in ga, neem ik haar mee. Dat vraagt heel wat geduld hoor. Als ze slaapt moet ik haar eerst wakker zien te krijgen. Gewoon roepen gaat niet. Ze hoort het niet. Als ik haar zachtjes wakker schud, draait ze zich genietend op haar rug. Ach gut, daar ligt ze dan met haar korte pootjes dubbel gevouwen omhoog. Je voelt de uitnodiging, ja, “aai me, zachtjes, aaien en knuffelen”. En je zwicht onherroepelijk. Als een tekkel met zijn lange lijf op zijn rug ligt en zich zo slap houdt, mag je hem zeker niet optillen. Geduld dus maar, en wachten tot ze zich terugdraait. 


Ik heb ontdekt dat ze fluitsignalen nog wel goed hoort. Dat is handig, want ik krijg haar er goed wakker mee. Ik heb haar aangeleerd dat haar iets goeds te wachten staat als ik fluit: een knuffel of een stukje kaas of zoiets. Positieve conditionering dus. Dat had ze snel door. Ik praat tegenwoordig eigenlijk niet meer tegen haar, maar geef haar als conversatie vriendelijke, lang aangehouden, gevoelige fluittoontjes. Lokaliseren waar dat fluitje vandaan komt is wel een probleem voor haar. Als ik mijn fluitjes produceer terwijl ze naar me toe komt lopen, kijkt ze geheid met een snuk om. De eerste keer dat ik dat zag, was ik er beduusd van. Hè, wat krijgen we nou! Pas later bracht ik het in verband met haar doofheid. Maar zou ze aan één kant doof geworden zijn? Ja hoor, ik moet inderdaad toegeven dat het de eerste paar keren dat ik dat zag, behoorlijk op mijn lachspieren werkte.  Nu, ontroert het me, zo’n aftakeling in de loop van een paar maanden. In het besef hoe kwiek en enthousiast ze altijd geweest is

Als ze eenmaal wakker is, kan ze me ongelofelijk lodderig, met zo’n half geloken oog, aankijken. “Oh, die komt van ver”, denk je dan. Tenslotte vermant ze zich op mijn uitnodigende fluittonen, en uiterst traag komt ze dan vezel voor vezel overeind. Meestal moet ik me ontfermen over haar rechter oor, dat als bij afspraak dubbel ligt, onzedig de naakte binnenkant met haar ID-nummer onthullend. En dan maar wenken met brede gebarentaal “Kom jong! Kom” Als ze dan eenmaal overeind is, duurt het nog wel even voordat ze de 10 cm hoge hindernis van haar mand naar omlaag heeft genomen. Maar dan gaan we toch eindelijk richting achterdeur. Het is maar goed dat ik gepensioneerd ben.
Ik moet in het zicht blijven en hardnekkig blijven wenken, want ze ligt veel vlotter weer terug in haar mand dan dat ze eruit is gekomen. Terwijl ze dan slof slof, pootje voor pootje, met slepende staart en hangoren die hun naam meer dan eer aan doen, achter me aan komt, kan ze me zo siep-ogend aankijken met een blik van “Moet dit nou echt? Baasje, laat me toch slapen.” Ik heb het dan wel eens met haar te doen. “Ach, wat”, denk ik dan terwijl ik in mijn klompen schiet, “Het is voor haar eigen bestwil”.

Ja werkelijk, we presteren het om op een drafje langs de periferie van de tuin te lopen; mooi woord periferie. Ik in een waardige seniorendraf, overigens vol compassie met Fenny en mezelf, en zij, nu eindelijk wakker, op haar dribbel­pootjes zeker niet minder kwiek dan ikzelf, achter me aan. Lollig is dat. Ik doe zelf ook nog aardig wat conditie op, en wie gelooft het, een beetje souplesse, want ik moet regelmatig omkijken (goed voor de heupen en het bekken!). Ter aanmoediging blijf ik fluittoontjes geven. Ik moet ze zo mee blijven tronen; mij voorbij lopen zal ze nooit meer doen. Dat was een paar jaar geleden wel even anders, dat zeg ik je. Nu kan ze zo afhaken, er de brui aangeven, mij laten lopen, en doodgemoedereerd omkeren en teruggaan. Ah nee, freule, dat doen we dus mooi niet. Mij een beetje voor joker laten doordraven. Pfoei. Nu, met dat mooie weer blijft ze echter met graagte samen met mij een tijdje in de tuin. Lekker met haar kontje in het gras zitten, zo nu en dan. Toch, als we rond zijn en terug gaan naar binnen, overbrugt ze op mijn wenken enthousiast dravend de laatste meters, als levende herinnering aan hoe het vroeger was. Bij het naar binnen gaan is ze me dus wèl voor.
Nu met dat mooie voorjaarsweer, spelen we buiten op het gras haar geliefde balspelletje. Apporteren dus. Vroeger stond ze dolenthousiast, grommend heen en weer te wippen en springend met hoge gilletjes mij aan te moedigen om nou eindelijk eens dat balletje weg te gooien. Overijverig, bij het agressieve af en heftig zwaaiend met haar staart, stoof ze dan achter de bal aan. Tenminste als ik er in geslaagd was de bal langs haar heen te krijgen. Feest was het, als ze zich met een overweldigende gromblaf op het balletje had gestort en genietend, knorrend en kreunend, bijtend en kauwend haar surrogaatprooi overmeesterde. Ach, ja, “das war einmal”. Nu moet ik mijn uiterste best doen om te zorgen dat het balletje als ik het gooi in haar gezichtsveld blijft, want anders mist ze de boot kompleet. Dat kun je een dame niet aandoen. Dus niet rechts, aan de kant waar ze haar oogje heeft moeten missen, maar links langs haar heen en dan vooral niet te snel. Ze moet het balletje al rennend in het oog kunnen houden. Ik probeer het goed te doen, want ik geniet er zelf ook van als zij er in slaagt om net als vroeger met de overbekende blaf het balletje in het nekvel te grijpen. Ik vind het helemaal prachtig als ze dan parmantig terug komt lopen, te kennen gevend: “baasje, zullen we nog maar eens?” Ja Freule Fenny, hoe lang ben je nog bij ons? Ik mis je nu al.



dinsdag 20 maart 2012

Freule Fenny 1

freule Fenny 1

Mijn vriendin Leentje heeft een tekkeltje. Ze is stapel met dat hondje, en ik moet toegeven, ik ben er ook gek mee. Het is een zogenaamd Kaninchen, de kleinste soort tekkel die er is. Geloof me, zo’n hondje is een echte hartenbreker. Dit ras houdt namelijk altijd iets van het uiterlijk van de pup: rond koppie, lange oren, lange haren en expressieve, meestal heel aanhankelijk kijkende bruine ogen met grote zwarte pupillen. Ze kan je o zo schalks aankijken. Ja echt, bijna menselijk. Ah, je denkt dat ik me dat maar inbeeld? Niks hoor, ze is een echte verleidster. Leentje heeft haar inmiddels zo’n 15 jaar geleden gekocht bij een fokker in Weert. En je moet niet gering over Fenny denken, want ze is echt een lady met een heuse stamboom. Ze heet officieel “Fenny de Lijsterbes”. Niet dat ze zich kan meten met een ware Freule, maar ze is bepaald geen straathond!
In de 9 jaren dat ik bij Leny thuis kom, hebben we heel wat plezier met Fenny beleefd, maar we hebben met haar ook best wel het een en ander te doen gehad. Ach ja, de laatste jaren is ze ieder jaar onder het mes geweest. Het ergste is dat ze drie jaar geleden een oogje heeft moeten afstaan wegens een niet te genezen boosaardige infectie. Ja inderdaad, de vraag was voor ons ook iedere keer “moeten we haar dit nog aandoen of moeten we haar laten inslapen?”. Dat was telkens weer een moeilijke afweging, vooral omdat we daar alle twee, maar vooral Leny, nogal wat emotie bij hadden. De dierenarts vond iedere keer het risico van een operatie levensgroot, maar liet de keuze aan ons. Voor Leentje was het telkens erg moeilijk om tot een beslissing te komen. Tot nu toe is het goed gegaan, en daar zijn we serieus blij om.
Intussen is Fenny met haar 15 jaar hoogbejaard. Naar menselijke maatstaven zou ze nu dik over de honderd zijn. Toch, geloof het of niet, ze is nog altijd behoorlijk kwiek die paar minuten per dag dan dat ze niet slaapt, en zich er toe kan zetten om op te staan. Dan verheft ze zich parmantig op haar vier vertederend korte pootjes, rekt zich wijd gapend uit, waarbij ze ongegeneerd haar tong uitsteekt, verheft vervolgens haar kontje (geen manne­tjestekkel zou dit kunnen weerstaan!), en trippelt als een waar Keetje tippel met soepel verende elegantie naar haar etensbakje. Dat hele gebeuren mogen wij enkele malen per dag meebeleven en gadeslaan. 




Het doet ons veel plezier Fenny zo levendig te zien. Als ze zich heeft verwaardigd om op te staan, en bij haar etensbakje is langs geweest, komt ze altijd even met haar balletje naar me toe. Dan wordt van mij verwacht dat ik met haar speel. Ik maak dan een soort pas de deux met haar om te proberen haar op de verkeerde poot te zetten en tracht dan het balletje langs haar heen te schieten. Meestal lukt 
me dat niet, en vangt ze dat ding behendig op. Mij laat ze telkens met de vraag zitten hoe ik kan voorkomen dat ik haar een blauw oog schiet. Liever niet zeg! We zouden er niet goed van zijn. Het ouder worden heeft sowieso al zijn sporen achtergelaten; daar hoeft niet nog zoiets bij te komen. Ze ziet trouwens al niet zo goed meer met dat ene oog. Ze heeft de typische witte vertroebeling die staar verraadt. Minstens aan één kant is ze ook al aardig doof. Mijn roepen hoort ze niet meer, en ik moet haar aandacht trekken door te fluiten. Telkens als ik fluit kijkt ze met een ruk de verkeerde kant op. Ik kan het niet helpen, maar dat blijft een komisch gezicht.

“Hé Kees”, vraagt Leny die binnen komt, “wat ben je allemaal over mij aan het roddelen?”
“Ha Leny, kom er bij! Nee nee, niks, jij komt een andere keer aan de beurt. Ik ben aan het schrijven over Fenny, weet je wel die keer dat ze zo te keer ging tegen de poes die je gemaakt hebt”.
“Ja, ja, Kees, mijn poes? Mijn kat zul je bedoelen!”
“Goed, goed hoor! Je kat, `t is goed.”
Leny boetseert graag moet je weten, en goed ook, dat zeg ik je. Ze is autodidact, en heeft een behoorlijk nivo bereikt. Meestal maakt ze vrouwenbeeldjes, maar ze heeft ook een keer een kat gemaakt, levensgroot. Aardig gelukt, dat moet ik zeggen. Na het bakken heeft ze de kat geschilderd in “siamese tinten” en het afgewerkte beeldje kreeg een plaatsje in de hal op de grond voor het raam. Zo zit het beest gezellig naar buiten te kijken. Hoe levensecht dat beeld is bleek uit de reactie van Fenny.



Later op die dag werd Leny gealarmeerd door een woedend geblaf van Fenny. Ze haast zich naar binnen om te zien wat er aan de hand is. Daar treft ze Fenny aan, nekharen recht omhoog, staart met de lange haren driftig naar achteren gestoken als was ze een vendelzwaaier, en heftig blaffend tegen een onverstoorbare kat.
“Och Kees, moet je nou toch eens horen, wat ik net met Fenny meegemaakt heb”, vertelt ze me als ik me eveneens gealarmeerd naar binnen heb gehaast. “Fenny stond zich net echt ontzettend boos te maken tegen mijn kat.”
Ze heeft haar troetelbeestje intussen aangehaald en op haar gemak gesteld. Fenny is snel aan het beeld gewend natuurlijk. De driftbui is over. Ze kwispelt uitbundig, blij als ze is met de positieve waardering die ze voor haar waakzaamheid van ons krijgt. Ja, we zijn blij met de pit die er nog in ons beestje blijkt te zitten. Grappig vinden we het natuurlijk ook. Ze kunnen mij nu niet meer wijs maken dat honden geen beelden kunnen herkennen. Nou, mooi wel dus. We hebben het zelf overtuigend genoeg kunnen constateren.

“Hé Leny, je beeldje is wel geslaagd. Je hebt een echte kattekop gemaakt"
“Ja, dat kun je wel zeggen!”
Sinds die dag plaag ik haar als ik binnenkom: “Hé Leentje!”
”Ja, Kees?”
“Er zit een poes voor het raam!”
“Lekker laten zitten Kees!”