zaterdag 28 april 2012

los zonder blos

Ik was geraakt door de desolate pijn op haar gezicht. Weer welt woede in me op. Schaap, waarom heb je je zo mee laten tronen? Was dat verlangen naar religiositeit zo sterk in je? Ben je dan toch een non aan het worden, adept van het woord en het ideaal? Kon je dan niets van spiritualiteit terugvinden in ons leven; iets wat je hoop gaf, troost, kracht! Wat jammer, wat jammerlijk tevergeefs allemaal. Ben je niet het slachtoffer van zinsbegoocheling daar in Bergeijk, waar "het" dan blijkbaar wel te vinden zou zijn, in de stilte, de rust, de eerbied, de liefde, de veiligheid van het vertrouwde zeker weten. Het klinkt prachtig maar is het geen zinsbegoocheling? Je kunt proberen je aandacht te richten op deze aantrekkelijke kanten van de realiteit, om er achter te komen, dat het omgekeerde er ook is, en zich niet weg laat drukken. Is er een andere weg dan het paadje van je eigen leven? Klaprozen en Kamille, pinksterbloemen maar ook brandnetels en distels. Positief of negatief, aantrekkelijk of afstotend, kies maar, het maakt niet uit. De realiteit dient zich nu eenmaal aan in tegenstellingen, als Yin en Yang, en je kunt beter niet kiezen, maar juist midden in het spanningsveld gaan leven. Dat pad van de “pairs of opposites” heeft een mens nu eenmaal te gaan. Ik persoonlijk heb me met mijn eigen paradoxale neigingen een beetje kunnen verzoenen via mijn metafoor van het weefgetouw. De uitersten, de tegenstelling, wordt gevormd door de twee polen van het getouw. De spoel schiet heen en weer, maar verliest daarbij de draad niet uit het oog. Voor de spoel maakt die beweging ook niet uit, maar als mens krijg je daar knap het heen en weer van, en het kan een pijnlijk gebeuren zijn. Ah ja, het zal duidelijk zijn, de twee polen zijn essentieel, en die beweging is onmisbaar wil er een weefsel ontstaan. En wat moeten we zonder weefsels beginnen? De mens bouwt er zijn status mee op. Door zich te omkleden met lappen stof, al dan niet mooi geverfd, markeert hij zichzelf en onderscheidt hij zich van dieren, maar ook van zijn medemensen, en hij onderscheidt er zichzelf mee als een ander het niet doet.
Als ballonnetje los van het zijden draadje; als afgesneden bloem zonder wortel; als besneden lippen van Goldmund, verscheurd, jammerend naar lichaam en geest, ben je, ach, zo verlangend naar een granieten ondergrond, maar zit je zuchtend terneer nu in het los zand dat rest. Vrede? Waar is de vrede, die je zocht en die je hier dacht te vinden; vervreemd ben je nu van je eigenheid, en ben je nu echt thuis gekomen in je veel aanbeden “nada”? Ben je niet net als anderen gestrand in het zicht van de haven? Ben je niet als een dorstende zoutpop en de zee, zeer verwant maar noodgedwongen altijd op afstand. Je zou graag door het water lopen, om erachter te komen dat je wadend door de schuimende uitlopers van de branding meer en meer oplost, voetje voor voetje en beetje bij beetje. Vriend Arie kon het zo mooi voorlezen, dat wijze verhaal: “De zoutpop en de zee.” Het verhaal klink idyllisch, maar is misschien ook wel bedoeld als waarschuwing.

donderdag 26 april 2012

lentebericht (haiku)



roodborstje en mees

zingen blij uit den hooge

ik was de auto
.
.

vrouwenvaria

<Ik snak naar een dosis ongecompliceerde levendigheid. Zal ik naar Heibloem gaan, dansen? Een kijkje nemen op het vrijgezellenbal? Misschien een ongecompliceerd lief vrouwtje oppikken? Als dat zou kunnen.>
<Ach man, doe nou niet zo gek en ga maar gewoon naar Baexem, daar ken je een hoop mensen en daar is het zeker zo gezellig.>
Ah, ja hoor, Toon roept me al meteen enthousiast tegemoet: “Ha die Adriaan”. Lambert, Hettie, Annie, ze zijn er allemaal. Natuurlijk ook mijn privé-paragnoste Mia uit Roermond, en haar vriendin; ik wuif ze van over de lengte van de bar toe. Ze lacht, en is blij me te zien. Wat een gezelligheid hier. Mensen die nog gewoon blij kunnen zijn met de open, spontaniteit van iemand als ik; mensen die ook niet alleen op eigen bevrediging uit zijn. Hmm, ik voel me welkom hier. Zo kom ik ook een beetje thuis.
Lekker gedanst zeg. Heerlijk, vrij en blij, los en zonder blos. Ik leer ook meer mensen kennen. Ik krijg nou eenmaal gemakkelijk contact en iedere keer dat ik met een andere dame ga dansen, stel ik ze ook voor aan ons groepje van Brabanders: Toon, Lambert, Hettie, Annie, Wim. Dit groepje breidt zich daarmee ook meer en meer uit. Zo bijvoorbeeld met Agnes. Een extrovert typetje zeg, zoals blijkt bij een stevige tango. “Pas op hè, ik ben een romantisch type.”, zegt ze als mijn rechterbeen ongezocht tussen haar benen schuift. Ah, verrassende zachtheid. Tja, de tango is nu eenmaal kantje-boord erotiek. Best een lekker gevoel trouwens, dat valt niet te loochenen. Verlegen ben ik er niet mee; zij ook niet. Maar hoe dan ook, ik blijf wel respectvol, alhoewel ik ook geniet van de reacties van de dames. Ik schijn met mijn danskunsten nogal op te vallen. Mia zegt het: “De helft van de zaal is verliefd op je aan het worden. Ik zit me dat zo eens aan te kijken, en je valt wel op.”, zegt ze. Nou prima toch. Ik zit daar niet mee; niet er op en evenmin eronder. Ze dansen goed de dames. Met wie heb ik daarnet toch ook weer zo lekker gewalst? Ik weet niet meer hoe ze heet. Och, wat doet het er ook toe.

Ene Marlies heeft gereageerd op mijn telefoonprofiel. Zou zij mijn eerste telefoon-date worden?
“Had je gedacht dat ik je terug zou bellen?”, vraag ik haar.
“Nou nee, eigenlijk niet. Je hebt me wel verrast”. We raken heel vlot in gesprek. Hmm, gezellig. Het mooiste is dat er ook een afspraakje uitrolt; om 21.00u, in De Tram. Ik geloof wel in een gezellig onderonsje na dit openhartige telefoongesprek. We gaan wat leuks doen, neem ik me voor. Wat zal het worden? Vriendschap, maatjes? Maar in elk geval niet als haringen in een te kleine ton. Nee, ruimte moet er blijven. Ik heb een hoop vragen. Zou ze er tegen kunnen dat ik rook? Ik wil het best laten als het moet. Wat zou ze vanavond willen doen? Misschien heeft ze ook wel een plannetje. Ik zou best willen gaan dansen, maar misschien wil ze liever praten. Ik moet wel duidelijk worden. Ze verwacht vast dat ik met een idee kom. Allez, er op af. Zorgen dat ik op tijd ben.
Daar komt ze. Ja, vast en zeker, dat moet ze zijn. Ze loopt rechtstreeks naar de bar en bestelt een glas witte wijn. Ik sta op, blij verrast haar te zien. Wat een leuke meid.
“Ben jij Marlies? Ik ben Adrie. Kom maar, mag ik je jas?” Ik geef haar mijn roos. Ze kijkt me aan, blij verrast zo te zien. Aan de bar kijken ze geamuseerd om. Een afspraakje tussen twee al wat oudere mensen, die elkaar nog nooit gezien hebben. Dat is niet alledaags. We gaan zitten en weer kijken we elkaar aan. Benieuwd, geboeid. Hé, opmerkelijk, er is al meteen een sfeer van vertrouwen. Mooie grote bruine ogen heeft ze zeg, en dan dat spitse wipneusje. Ze kijkt mij aan met een heldere oogopslag en zeker van zichzelf. We praten direct alsof we elkaar al lang kennen.
Ik had haar gevraagd of ik haar mocht komen afhalen aan huis, maar dat wou ze niet:
“Nee, mijn huisje is me heilig.” Ik versta het, en ik ben er blij om.
“Je hebt mooie ogen Marlies,” flap ik eruit. Ze is blij om het vertrouwen dat ik kennelijk uitstraal. Ik ben ook heel rustig en zeker. Hoe is het mogelijk. Dit is te gek om waar te zijn. Zij heeft mij gevonden, en ik haar. We hebben elkaar zo maar opgepikt langs de telefoonlijn. Wat een ongelooflijk toeval. Worden we dan toch geleid? Zij en ik, alle twee deden we dit voor het eerst in een spontane opwelling, op zoek naar iemand om mee te leven.
“Wat doen we Marlies? Naar Maasbracht gaan bijvoorbeeld? Oké. Dan komen we langs mijn huis. Mooi, dan kan ik even mijn fototoestel weg leggen. “Ja, kom maar even mee hè,” zeg ik haar. We zijn gebleven.
Ze kijkt belangstellend rond. “Gezellig hier. God, wat heb jij een apparatuur.”
We zijn in sneltreinvaart bij elkaar thuis aan het komen, meer en meer. Hoe kan dat? Is dit nog te stuiten? We praten en praten. “Zal ik eens een muziekje opzetten? We hebben geen haast hè, Marlies.”
We zitten naast elkaar op de bank. Zij haar been over me heen. God wat is dat lang geleden, wat een lekker gevoel. Ik streel haar, knuffel haar. Is dit allemaal werkelijk? We dansen. Ze geniet en kijkt me aan met haar grote ogen, kennelijk net als ik verbaasd om wat er gebeurt. We geven kusjes, nog zoekend de weg langs die neuzen van ons. Ik til haar op, druk haar tegen me aan; zij in niets ontwijkend. “Twaalf uur al. Jezus, de hond; och, die redt het wel, die slaapt wel door.”
Onze ontdekkingstocht gaat verder. “Wie ben jij toch”. We willen weten, horen, zien. We vertellen. Ik, vertrouw me toe en voel me veilig bij haar kleine uitingen van authenticiteit: gebaren, geluidjes. Ze zegt goede dingen tegen me. Ze is iemand naast me.
“Ik heb een vrouw nodig om mijn ex-vrouw te vergeten Marlies” Ze begrijpt het, maar is ook bezorgd. “Is dit niet te vroeg voor je Adrie? Jij moet ook op de eerste plaats van jezelf houden.”
“Ja, dat is waar, maar ik moet me kunnen uitdrukken; ik heb respons nodig. Ik voel het: ze is echt een vrouw naast me. Ik wil haar leren kennen. Maar het is tijd; ze wil ineens weg. Ik breng haar naar haar auto. Krab de ramen schoon. Ze kust me en ik schrik van haar plotselinge spontane tongkus. Ze voelt het en ze schrikt op haar beurt van mijn reactie. Even vallen we beide stil, maar ik haast me om terug bij haar te komen.
“Adrie, weet je wel zeker dat je dit wil?”, vraagt ze.”
“Marlies zo’n kus heb ik nog nooit gehad.” De volgende morgen bel ik haar op. Zij reageert blij, met weer van die kleine kreetjes. Verrukt hoor ik het aan. Hoe omschrijf je al die kleine uitingen van leven. Dat kun je niet, en dat hoeft ook niet. Maar ik hoor de levensstroom onder ons contact. Ze begint over mijn reactie op haar zoen. “Wou je dat niet?”, vraagt ze. “Marlies, ik stond even perplex ja, het kwam zo plotseling. Dit kende ik helemaal nog niet. Ik ben ook gewend om zelf initiatief te nemen. Maar ho, begrijp me niet verkeerd. Ik vind dat prima hoor. Je verraste me, dat is alles.
Ze is slank, teer, en toch stevig, en ze lijkt heel zeker van zichzelf. Ja, ze staat als een huis, een zelf, een eigen, een ik. Staat ze naast mij? Ze windt me op. Dit is allemaal te gek voor woorden. Ik snap het niet. Dit gaat wel erg snel allemaal. Zijn wij bestemd voor elkaar? We zijn beide tweelingen, wispelturige mensen naar het schijnt. Kunnen wij maatjes worden, dikke intieme vrienden die het leven kansen geven, elkaar tot leven brengen, leven geven, oproepen, uit de grond kijken? Vertrouwend, zonder krampachtig vastgrijpen, zelfs zonder houvast?

Het antwoordapparaat heeft een bericht. Marlies heeft tevergeefs geprobeerd me te bellen. Hoe zou ze zich voelen? Zal ik ze nog even bellen? Nee, nee, dat kan niet, het is al 2 uur. Een beetje teleurgesteld, en vol van Marlies, ga ik de nacht in. De volgende morgen bel ik haar meteen op.
“O, hai, Adrie.” Ze is opgewekt en ik ben blij verrast om haar spontane positieve reactie. We zitten zeker een uur te kletsen. Zij praat over haar dag samen met haar moeder. Ze heeft oude foto’s van haar gekregen.
“Ach, wat ontroerend, is ze misschien afscheid aan het nemen”, vraag ik. Marlies schrikt er van. Ik vertel haar over mijn ervaringen met mijn eigen moeder. We praten door hoe mooi dat geleidelijk afscheid nemen eigenlijk is. Als je zo zoetjes aan met je leven in het reine kunt komen. Als je zo alles lost kunt laten en af kunt geven, net als me die foto’s, is dat niet mooi? Geweldig toch. Ze begrijpt me, maar de schrik blijft een beetje hangen. ‘s Avonds belt zij mij. We praten door alsof we niet zijn opgehouden. Ze geniet ervan en ik ook. Ik vertel haar over mijn zondag: borreltje in het bruin café, mijn fotoreportage van het Sinterklaasfeest. Ik vertel over mijn idee om samen met een boer in het dorp het boerenbedrijf te gaan filmen. Daar gaat heel wat in om, van alles waar de gewone burger tegenwoordig geen weet meer van heeft. Die denkt dat de aardappels aan de bomen groeien. Ik ratel maar door. Heb ik niet teveel gepraat? Ja dus.

Die avond kan ik haar niet te pakken krijgen. Ik heb wel een keer op tien geprobeerd haar aan de lijn te krijgen, maar noppes. Eerst almaar een bezettoon. Ah, ze is dus thuis. Dan ineens gaat de telefoon over. Hé, het gaat dus toch nog lukken? Maar nee, tot mijn teleurstelling neemt ze niet op. Hoe kan dat nu? Ze is of thuis, of in elk geval thuis geweest. Hoe dan ook, ze neemt niet op. Ik heb er de smoor in gekregen, ze kan me wat Marlies. Adriaan, je bent hard op weg om gek van haar te worden. Nee, samen uitgaan zit er nu niet meer in. Ik ben dan tenslotte toch maar alleen gaan dansen, dit keer in Heibloem, in “De Troost”. Ik kom daar eigenlijk nooit. Het zal ook de laatste keer zijn, want er staat me een forse verrassing te wachten.
Ik ben nog steeds geïrriteerd. Ik merk het aan die stomme kerel aan de entree, met zijn gewichtigdoenerij en zijn kaartjes. Lul.
He, verrek, ahh leuk. Kijk nou eens aan, hoe heet ze ook weer? “Ma danseuse” achter de tap. Hier? Zij is echt een vrouw naar mijn hart. Ik ken haar van “de Postkoets”. Tjé, wat heb ik ooit fijn met haar gedanst. Ze begroet me ook met vrolijke herkenning. “Werk jij hier?”, vraag ik haar. Als altijd komt er een direct antwoord, eenvoudig en helder.
Ze heeft wallen onder haar ogen, maar ze is lief, en waarachtig. Mooie benen, hoor ik iemand achter me zeggen. Ja, die zal ze ook wel hebben, denk ik. God, wat een manvolk hier; veel jachtig kijkende kerels. Dan zie ik ineens tot mijn verrassing dat inmiddels overbekende blonde koppie. Nondeju, hoe kan dit nu. Marlies hier? En die vrouw naast haar; vreemd en wat komt die mannelijk over. Eigenaardig, en ze kijkt ook wat angstig, duidelijk niet op haar gemak. Wat vreemd. Is Marlies met dat mens hier? Hoe kan dat nu? Is ze soms lesbisch, bisexueel? Dit is toch werkelijk, ja wat? Duidelijk is in elk geval dat dit haar en mij enorm confronteert. Alle positieve indrukken van ons samenzijn lijken in een klap weggevaagd. Het ergste is, dat ze mijn blik ontwijkt. Ze doet afwerend, wil me niet kennen. Ah, dat doet de deur dicht. Ik ga er op af, ik moet dit onder ogen zien.
“Jij hier Marlies?”, vraag ik haar. Ik heb nog zo geprobeerd je te bereiken, en nou wil je me niet kennen? En wie is dit hier! Heb je iets met haar? Dit vind ik niet leuk. Snotverdegodver.” Ik kijk haar boos aan, haar onthutste compagnon verder negerend. “Dit klopt toch van geen kanten Marlies. Ja, natuurlijk heb je alle rechten aan jezelf. Je bent mij zeker geen verantwoording verschuldigd, maar je had duidelijker en eerlijker kunnen zijn naar mij. Je hebt nu wat met mijn voeten gespeeld.” Ze weet niet wat ze moet zeggen, en draait van me weg. Het is wel duidelijk. Ze zit verlegen met de hele situatie. Ach nee, dit heeft geen zin meer. Ik wil weg van hier. Allemachtig, hoe bestaat het. Hoe kan iemand zo dubbelhartig zijn. Ik trek me terug, onaangenaam getroffen door de situatie. Gelukkig is daar ook nog mijn danseuse. Ze ziet dat ik aangedaan ben. Ze heeft van achter de tap alles gevolgd zegt ze. “Blauwtje gelopen Arie?” Ik waardeer haar, al voel ik me gegeneerd. Dat ze zo bezorgd voor me is, voelt weldadig, maar tegelijk roept het verzet op. Ik voel me verneukt. En waarom heb ik niet de tijd genomen om het rustig op een rijtje te zetten. Waarom moest ik zo explosief doen? De paradox tussen ons samen zijn bij mij thuis en wat hier gebeurt, wringt en lijkt hopeloos bizar. Dat was het dus wel zeker? Wat een klotige ontknoping. Het was ook veel te mooi om waar te zijn. Had Marlies soms duistere plannetjes met me? Hm, nee, dat geloof ik toch niet, maar uitgesloten is het toch ook niet. Ik realiseer me dat het geen zin heeft om er verder nog over na te denken. Het ei is gebroken, het ijs ligt er, en de teleurstelling is compleet. Kijk om je heen Adrie, en leef verder, een ervaring wijzer; dat is de enige manier! En dat doe ik, en wel onmiddellijk.

dinsdag 17 april 2012

keukenhulp

succesformule volgens Dorus

Wie denkt er niet zo af en en toe terug aan die grote kleinkunstmagier Dorus, alias Tom Manders? Mij staat glashelder voor de geest hoe hij met zijn vinding bij de ambtenaar van het octrooiburo zit, om patent aan te vragen op zijn concept: “een niet bestaand muizevalletje”; een patent op iets wat er niet is, voorwaar een vondst. De brave borst aan het loket passeerde bij het niet aanschouwen van de vinding van Dorus eindelijk de grens tussen waan en zin en voltrok de door hem reeds lang gekoesterde wens naar de vrijheid. Hij veranderde in een vrije vogel, die tenslotte dan toch de stap van aan handen en voeten gebonden klerk op een muffig octrooiburo naar de vrijheid van geest had weten te zetten, daarbij op onnavolgbare wijze geholpen door de onverstoorbare Dorus die zelf aan de andere kant van deze grens geboren is.

Na deze uiteenzetting als plaatsbepaling durf ik mijn eigen vinding wel te presenteren. Hij is eveneens van een verbluffende eenvoud, maakt uitsluitend gebruik van afval materiaal, dat anders in de grijze zak verdwenen was, en is uitermate doelmatig en efficient in de toepassing. Ik durf zonder schroom te zeggen dat de gemidddelde huisvrouw hier dankbaar gebruik van zal weten te maken. Ieder die wel eens voedsel in een plastic zakje heeft moeten doen en dat vervolgens moest afsluiten om het in de diepvries te deponeren zal het weldra beamen: hoe schitterend en met welk een begrip voor de noden van de huisvrouw. Zij immers is toch altijd nog degene die met krulspelden in het haar, met een peuter op de rechter heup, proevend van de soep die, gvd, ineens te heet is, “hoe kan dat nou”,en links roerend in het beslag, moet proberen om op tijd klaar te zijn, want manlief komt zo meteen thuis. Elke bijdrage om deze voortdurend op de grens van paniek verkerende situatie wat gesmeerd te kunnen laten verlopen zal dus welkom zijn.

Welaan, kom even mee: het gaat om het met een schroefdopje afsluitbare plastic houdertje dat tegenwoordig boven in elke doos melk, en andere dranken, zit? Juist. Wel, met een kleine kunstgreep is dit om te toveren tot een handig hulpstuk. Neem het integraal van de lege doos af, en verwijder het van het restje karton. Nu komt de truc. Het in te vriezen voedsel zit, mag ik aannemen, inmiddels in een plastic diepvrieszakje. Welnu neem het open einde van de zak bij elkaar en steek dat door het gat in ons plastic houdertje, trek de boel aan terwijl je de lucht eruit knijpt, plooi het uiteinde van de hals van de plastic zak naar buiten om het houdertje heen, schroef het dopje erop en klaar is Kees. En dan, uiteraard hup de diepvries in. Simple comme du pain blanc. Het houdertje is vele malen te hergebruiken uiteraard. Een uiterst charmante applicatie, ahem, al zeg ik het zelf. Maar, je moet het zien en liever zelf doen, pas dan ga je ten volle de verbluffende eenvoud en toepasbaarheid ervan apprecieren.

Natuurlijk je kunt nu opwerpen wat de handel nou aan deze inderdaad wel slimme vondst heeft. Immers als je die dingen zo van een melkdoos kunt halen, zie ik me niet naar Blokker rennen om ze daar op te halen. Ah,ah ah, daar heb ik je. Hoeveel melk drink je per dag? Hoe vaak zou je vergeten om het houdertje van de doos af te halen? Ah, en dan nog, ehh, ja, denk eens na. Is het niet veel gemakkelijker, als je ze zo voor 5 cent per stuk kunt kopen? Geen gemier met gebroken vers gelakte nagels, en natuurlijk net nu je met je man moet aanzitten aan een diner met zijn baas, de bullebak, die op promotie hoopt. Hè? Ja, je man natuurlijk. Hé, psst, je mag dit idee best gebruiken hoor, zo als gangmakertje als het gesprek even stokt. Succes zit hem in het kleine begin, zoals bijvoorbeeld een onschuldige anecdote aan het diner (hé, nee, vooral niet beginnen te lachen voordat je verhaal klaar is!! Dat zou het stomste zijn wat je kunt doen, kluns, want dan kunnen ze met al dat gelach van je juist de clue niet verstaan).

Is dit allemaal nog wat interessanter te maken? Ah, jawel. Kijk, dat is nou het aardige van een slimme vinding, hij is multipurpose. Allez, kom; terug naar de muizeval. Men neme weer een plastic zakje doe er een blokje kaas in, hup, zakje door het houdertje, plooi het zakje terug, elastiekje om het uiteinde en leg dan het geheel ergens neer waar je een muis vermoedt, met de opening naar boven en wat hoger dan de zak. Muis in het zakje, dopje erop klaar. Nee, niet erop stampen, kom zeg, maar buiten loslaten natuurlijk. Hmm, ik zie je achter je oor krabbelen. Je twijfelt? Hmm, ja, ikzelf ook hoor. Maar ja, zo passeren er natuurljk bij het overdenken in het verband van de opdracht allerlei mogelijkheden. De mooiste vond ik de wat gewaagde suggestie van mijn buurvrouw dat het geheel zou kunnen dienen als condoom. Hè, dat jij daar nou mee komt! Ja, serieus. Als je dan de zaak overdenkt, kom je inderdaad best wel een heel eind: plastic zakje, door het ringetje, hup, dinges, ja, Dicky Dik erin. Juist zie je wel, je loopt vast, net als ik, hahahaha. Wat? Ach, ja, natuurlijk dat hulpstukje moet je er ook pas naderhand, na de daad snap je, om het zakje doen! Ja, ehh, wel het juiste zakje uiteraard.Wat, toch geen goed idee? Oké, daar kan ik in mee gaan, maar lollig is het overdenken wel. Het uitproberen nog meer trouwens. En verder, ik blijf erbij, succes begint met het kleine, met het wegdenken van al je ballast. Kijk daar klopt de filosofie van Dorus toch weer wel: “Met het kleine kom je het verste”, toedeloe, Opapake.

zondag 15 april 2012

GV serieminnaar

Studio 100-baas Gert Verhulst heeft nu de blonde K3-zangeres Josje Huisman gestrikt:





Nu wordt Josje even ingewijd
het derde K.tje heeft nog respijt 
het is met veel zin
dat ik haar bemin
Gert vindt zijn blondje wat graag bereid





vrijdag 13 april 2012

jong en oud (haiku)






gras verdort tot hooi 



en ik word langzaamaan oud 


terwijl de zon schijnt


.
.
.


woensdag 11 april 2012

haikoe: ruisende mantel






miriaden belletjes

ruisend als een voorjaarsbries

omkleden mijn lief


omruisende zee

en het gekrijt van meeuwen

verte draagt stilte
.
.
.

dinsdag 10 april 2012

Rondpunt

Alles over mij? Ah nee, ik ga hier zeker niet alles vertellen over mijzelf. Het zal hier op deze site gaan over het stadje Gruitrode, waar ik woon, waar ik leef, wandel, rondkijk, praatjes maak en heb, kijk en bewonder en ook wel eens afkeur; waar ik door de KBC-bank genomen met plezier woon en waar ik alleen en gelukkig ben, al ben ik net als een paar anderen naar me later bleek, nog altijd op zoek naar een vrouwke. Dat zal wel nooit over gaan. Zo'n vrouwke als ik wil is immers niet te vinden.

Maar nu was ik op zoek  naar een appartement, en ik heb de hele regio afgestrietst van Neerpelt, Overpelt in het Noorden tot St Truiden in het zuiden. Op die beslissende dag kwam ik vanuit Lozen via Bree aan in Gruitrode, kwam bij het rondpunt, maakte verrast een rondje rondom het rondpunt, zag de mooie kerk, genoot van de de dorpse gezelligheid alom, parkeerde mijn auto op het plein, maakte een gezellig kletspraatje met iemand van de plantsoenendienst en ik was verkocht. Nu het appartement nog.

Het aangeboden appartement waar ik eigenlijk op af kwam, was op de eerste verdieping, maar ik zag het leegstaande appartement op de begane grond
. Zou dat ook te huur zijn? Het zag er meer dan aantrekkelijk uit. Informatie inwinnen dus. Wel, het is allemaal goed gekomen. Ik kreeg dat appartement op de begane grond, en ik voelde me er prima bij, en ik zal bij leven en welzijn hier nog wel een tijdje blijven wonen. 



Eeuwig geluk is voorbehouden aan het hiernamaals en totale vreugde is meestal beperkt tot hooguit een kwartiertje, dus er kwamen wel wat wratjes op mijn gelukzaligheid. Allez, een Hollander kan relativeren en blijft doorgaan (kijk maar naar Balkenende). Ik ben inmiddels verkocht en tevens verknocht aan Gruitrode, met zijn prachtige natuur en blond bruisende cultuur. De meeste mensen draag ik bovendien een warm hart toe, en vice versa, en die paar anderen die er ook wel zijn, neem ik, om de naastenliefde levendig te houden, er bij en voor lief. Gelukkig is JC er om me af en toe wat bij te sturen. JC? Wie dat is? “Toch niet JC zeker?” Nee. “JoCa van de Paro” dan soms?? Nee. “Ben ik het Heer?” Nee, jij gelukkig ook niet. “Snotver...Ahh, JaCo van de Harmo?” Juist, en ssst nu. De ware ingeweiden hebben aan een half woord al meer dan genoeg.


Aan het werk nu....., tedju..

branding (haiku)







aanrollende branding


het eeuwig vrouwelijke


gewillige  kust
.
.
.

vrijdag 6 april 2012

Is dat Pasen? Weer een ei?


Ja, dat is precies wat ik bedoel: ik geloof in de kiemkracht in en van het kleine, en dat alles wat goed is klein begint of klein begonnen is, als een ei(tje), en met zorg omgeven is. Ja, en dat is Pasen:  dat er leven is over de grens van de dood heen. Ja, dat is Pasen:  de dood niet  individualistisch interpreteren, en niet zien als een persoonlijk debacle. Het gaat ook niet over mijn "dood", maar over het dodende in de gemeenschap, dat wat de mens van zijn toekomst berooft. Daarin zit het kwaad dat overwonnen moet worden: het jezelf afsplitsen van de gemeenschap, en alleen voor jezelf willen zorgen. En: over de vraag of anderen nog leven mogen hebben na "mijn" dood, of moet iedereen mee het graf in, zoals het geval was met keizers van China? 
Zorgen voor de medemens, niet alleen voor je nageslacht, over de grens van je eigen dood heen, en dat bij het besef dat je zult moeten gaan, niet onverschillig of depressief te worden, dat is waarlijk goddelijk. Alle rest is bull shit. Onze gedichtjes en onze verhalen zijn alleen wat waard als ze dat perspectief openen; anders zijn het slechts oefeningen in eenzaamheid.  Dat is het ware geloof: dat je zorg voor anderen over je eigen graf heen het hoogste blijk van liefde is. Hopen dat zo mijn laatste uitstraling mag zijn, en dat die opgevangen wordt,  dat maakt me nu een gelukkig mens. In dat perspectief kan ik nog wel een paar haikoe maken.

ochtendkoelte (haiku)


.


koel is de ochtend

diep zwart prijkt een bomenrij

bij de dageraad
.
.
.

.
.