Ik was geraakt door de desolate pijn op haar gezicht. Weer welt woede in me op. Schaap, waarom heb je je zo mee laten tronen? Was dat verlangen naar religiositeit zo sterk in je? Ben je dan toch een non aan het worden, adept van het woord en het ideaal? Kon je dan niets van spiritualiteit terugvinden in ons leven; iets wat je hoop gaf, troost, kracht! Wat jammer, wat jammerlijk tevergeefs allemaal. Ben je niet het slachtoffer van zinsbegoocheling daar in Bergeijk, waar "het" dan blijkbaar wel te vinden zou zijn, in de stilte, de rust, de eerbied, de liefde, de veiligheid van het vertrouwde zeker weten. Het klinkt prachtig maar is het geen zinsbegoocheling? Je kunt proberen je aandacht te richten op deze aantrekkelijke kanten van de realiteit, om er achter te komen, dat het omgekeerde er ook is, en zich niet weg laat drukken. Is er een andere weg dan het paadje van je eigen leven? Klaprozen en Kamille, pinksterbloemen maar ook brandnetels en distels. Positief of negatief, aantrekkelijk of afstotend, kies maar, het maakt niet uit. De realiteit dient zich nu eenmaal aan in tegenstellingen, als Yin en Yang, en je kunt beter niet kiezen, maar juist midden in het spanningsveld gaan leven. Dat pad van de “pairs of opposites” heeft een mens nu eenmaal te gaan. Ik persoonlijk heb me met mijn eigen paradoxale neigingen een beetje kunnen verzoenen via mijn metafoor van het weefgetouw. De uitersten, de tegenstelling, wordt gevormd door de twee polen van het getouw. De spoel schiet heen en weer, maar verliest daarbij de draad niet uit het oog. Voor de spoel maakt die beweging ook niet uit, maar als mens krijg je daar knap het heen en weer van, en het kan een pijnlijk gebeuren zijn. Ah ja, het zal duidelijk zijn, de twee polen zijn essentieel, en die beweging is onmisbaar wil er een weefsel ontstaan. En wat moeten we zonder weefsels beginnen? De mens bouwt er zijn status mee op. Door zich te omkleden met lappen stof, al dan niet mooi geverfd, markeert hij zichzelf en onderscheidt hij zich van dieren, maar ook van zijn medemensen, en hij onderscheidt er zichzelf mee als een ander het niet doet.
Als ballonnetje los van het zijden draadje; als afgesneden bloem zonder wortel; als besneden lippen van Goldmund, verscheurd, jammerend naar lichaam en geest, ben je, ach, zo verlangend naar een granieten ondergrond, maar zit je zuchtend terneer nu in het los zand dat rest. Vrede? Waar is de vrede, die je zocht en die je hier dacht te vinden; vervreemd ben je nu van je eigenheid, en ben je nu echt thuis gekomen in je veel aanbeden “nada”? Ben je niet net als anderen gestrand in het zicht van de haven? Ben je niet als een dorstende zoutpop en de zee, zeer verwant maar noodgedwongen altijd op afstand. Je zou graag door het water lopen, om erachter te komen dat je wadend door de schuimende uitlopers van de branding meer en meer oplost, voetje voor voetje en beetje bij beetje. Vriend Arie kon het zo mooi voorlezen, dat wijze verhaal: “De zoutpop en de zee.” Het verhaal klink idyllisch, maar is misschien ook wel bedoeld als waarschuwing.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten