Ik ben verdiept in een artikel, als plots met een ruk de deur open vliegt, “Papa,
pap, moet je nóu eens kijken!” Mijn zoon. “Ah, Snotver, kereltje”, schrik ik op
uit mijn concentratie, me naar de jongen toedraaiend. Hé, wat? Ho, ho, hij
heeft kennelijk wat belangrijks en de stuwing van de adrenalinestoot ebt weg.
Dan staat hij naast me, mij met grote wijd open ogen aankijkend, een stukje papier in zijn hand. “Allez, kom jong, rustig, rustig maar, de wereld vergaat niet hoor.", kalmeer ik hem en mezelf. "Je liet me schrikken. Wat is er, jong?” Opgewonden laat hij het stukje papier zien. “Dit heb ik uit de open haard gehaald”, zegt hij, en hij toont me het restant van een envelop, grotendeels verbrand. Alleen de rechter benedenhoek is nog gaaf en steekt scherp af tegen de verkoolde en zwart geblakerde resten die er aan vast zitten. “Wat…”, aarzel ik. Maar Pap, kijk nou toch eens. Moet je zien. Het is helemaal verbrand, behalve dit stukje met de aardbol er op.”
“Hè?,”
ik pak het restje envelop aan, inmiddels attent geworden, trachtend verder
verval van het verbrande stukje papier te voorkomen, en ik kijk. Dan met een
schok begrijp ik zijn opwinding. Op het restje envelop staat een kleurenplaatje
van onze aardbol, teder geborgen tussen twee mensenhanden. Zeker een envelop
van Green Peace, denk ik nog even logisch. Maar het contrast tussen de
toevalstreffer van dit geschroeide restje papier, met zijn indringende impact,
en de realiteit van onze wereld van alle dag, dringt zich onstuitbaar op. Het
aardebolleke tussen twee koesterende handen is op het nippertje van de brand
gespaard gebleven. Een huiver trekt door mijn dagelijkse stoerheid heen en
masseert mijn logica. Mijn zoon, twaalf jaar, heeft zich hier en nu laten zien.
Zo’n opmerkingsgave, zo gevoelig. Van alles is hem verteld over
milieubescherming, maar hier heeft hij werkelijk beleefd dat de aarde niet in
brand raakt, dank zij de bescherming van zijn eigen koesterende mensenhanden.
“Hoe
kan zoiets nou Pap? Dat is toch te gek?”, dringt hij aan, verbijsterd en
verwonderd en tegelijk opgetogen om zijn opmerkelijke vondst en zijn eigen
ingrijpen.
“Kom eens hier jong, kereltje van me. Ja, hoe bestaat het, hè.”, zeg ik vertederd, en geraakt door mijn eigen kippenvel. “Dat weet ik ook niet”. Is het toeval? In elk geval niet helemaal. Want Bas heeft doelbewust ingegrepen.
“Kom eens hier jong, kereltje van me. Ja, hoe bestaat het, hè.”, zeg ik vertederd, en geraakt door mijn eigen kippenvel. “Dat weet ik ook niet”. Is het toeval? In elk geval niet helemaal. Want Bas heeft doelbewust ingegrepen.
“Dit
is machtig en prachtig tegelijk, Bas, en ik hou van je.” Hij heeft genoeg aan
mijn antwoord. Beseft kennelijk zelf al dat zoiets wonderlijks geen verdere
toelichting nodig heeft.
Zijn
vraag blijft in me hangen en houdt me uit mijn concentratie. “Hoe kan zoiets,
nou Pa?” overweeg ik verbaasd en blij tegelijk. Ja, wonderlijk die jongen, mijn
zoon. Meer antwoord hoef ik niet.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten