Ach, kijk nou toch.
Weer ontroert het me om haar zo te zien. Het gaat nu wel in een rap tempo. Hoe
lang zullen we Fenny nog bij ons hebben, en hoe lang zullen we dat vertederende
ronde koppie nog knuffeltjes kunnen geven? Met die hangoren en die eigenwijs opspringende
haarbosjes links en rechts is dat hondje zò vertederend. Hoe lang nog kunnen we
kijken naar dat koppie, dat meer en meer met zilvergrijze borstelhaartjes wordt
getooid? Ze hoort nauwelijks nog en haar gezichtsveld is met haar ene traanoogje,
ook al met de duidelijke tekenen van staar, heel beperkt geworden. Ze vermagert
ook heel erg. Zo nu en dan wankelt ze en ze beeft ook al een beetje. Gelukkig
is ze nog zindelijk, maar bovenal is ze lief.
Ze ligt veel op haar
nestje tegenwoordig en verslaapt het grootste deel van de dag. Nee, inderdaad,
we weten het, zoveel slapen is niet zo best. Ik doe veel moeite om haar actief
te houden. Iedere keer als ik de tuin in ga, neem ik haar mee. Dat vraagt heel
wat geduld hoor. Als ze slaapt moet ik haar eerst wakker zien te krijgen.
Gewoon roepen gaat niet. Ze hoort het niet. Als ik haar zachtjes wakker schud,
draait ze zich genietend op haar rug. Ach gut, daar ligt ze dan met haar korte
pootjes dubbel gevouwen omhoog. Je voelt de uitnodiging, ja, “aai me, zachtjes,
aaien en knuffelen”. En je zwicht onherroepelijk. Als een tekkel met zijn lange
lijf op zijn rug ligt en zich zo slap houdt, mag je hem zeker niet optillen.
Geduld dus maar, en wachten tot ze zich terugdraait.
Ik heb ontdekt dat ze
fluitsignalen nog wel goed hoort. Dat is handig, want ik krijg haar er goed
wakker mee. Ik heb haar aangeleerd dat haar iets goeds te wachten staat als ik
fluit: een knuffel of een stukje kaas of zoiets. Positieve conditionering dus.
Dat had ze snel door. Ik praat tegenwoordig eigenlijk niet meer tegen haar,
maar geef haar als conversatie vriendelijke, lang aangehouden, gevoelige
fluittoontjes. Lokaliseren waar dat fluitje vandaan komt is wel een probleem
voor haar. Als ik mijn fluitjes produceer terwijl ze naar me toe komt lopen,
kijkt ze geheid met een snuk om. De eerste keer dat ik dat zag, was ik er
beduusd van. Hè, wat krijgen we nou! Pas later bracht ik het in verband met
haar doofheid. Maar zou ze aan één kant doof geworden zijn? Ja hoor, ik moet
inderdaad toegeven dat het de eerste paar keren dat ik dat zag, behoorlijk op
mijn lachspieren werkte. Nu, ontroert het
me, zo’n aftakeling in de loop van een paar maanden. In het besef hoe kwiek en
enthousiast ze altijd geweest is
Als ze eenmaal wakker
is, kan ze me
ongelofelijk lodderig, met zo’n half geloken oog, aankijken. “Oh, die komt van
ver”, denk je dan. Tenslotte vermant ze zich op mijn uitnodigende fluittonen,
en uiterst traag komt ze dan vezel voor vezel overeind. Meestal moet ik me
ontfermen over haar rechter oor, dat als bij afspraak dubbel ligt, onzedig de
naakte binnenkant met haar ID-nummer onthullend. En dan maar wenken met brede
gebarentaal “Kom jong! Kom” Als ze dan eenmaal overeind is, duurt het nog wel
even voordat ze de 10 cm hoge hindernis van haar mand naar omlaag heeft genomen.
Maar dan gaan we toch eindelijk richting achterdeur. Het is maar goed dat ik
gepensioneerd ben.
Ik moet in het zicht
blijven en hardnekkig blijven wenken, want ze ligt veel vlotter weer terug in
haar mand dan dat ze eruit is gekomen. Terwijl ze dan slof slof, pootje voor
pootje, met slepende staart en hangoren die hun naam meer dan eer aan doen,
achter me aan komt, kan
ze me zo siep-ogend aankijken met een blik van “Moet dit nou echt? Baasje, laat
me toch slapen.” Ik heb het dan wel eens met haar te doen. “Ach, wat”, denk ik
dan terwijl ik in mijn klompen schiet, “Het is voor haar eigen bestwil”.
Ja werkelijk, we
presteren het om op een drafje langs de periferie van de tuin te lopen; mooi
woord periferie. Ik in een waardige seniorendraf, overigens vol compassie met
Fenny en mezelf, en zij, nu eindelijk wakker, op haar dribbelpootjes zeker
niet minder kwiek dan ikzelf, achter me aan. Lollig is dat. Ik doe zelf ook nog
aardig wat conditie op, en wie gelooft het, een beetje souplesse, want ik moet
regelmatig omkijken (goed voor de heupen en het bekken!). Ter aanmoediging blijf
ik fluittoontjes geven. Ik moet ze zo mee blijven tronen; mij voorbij lopen zal
ze nooit meer doen. Dat was een paar jaar geleden wel even anders, dat zeg ik
je. Nu kan ze
zo afhaken, er de brui aangeven, mij laten lopen, en doodgemoedereerd omkeren
en teruggaan. Ah nee, freule, dat doen we dus mooi niet. Mij een beetje voor
joker laten doordraven. Pfoei. Nu, met dat mooie weer blijft ze echter met
graagte samen met mij een tijdje in de tuin. Lekker met haar kontje in het gras
zitten, zo nu en dan. Toch, als we rond zijn en terug gaan naar binnen,
overbrugt ze op mijn wenken enthousiast dravend de laatste meters, als levende
herinnering aan hoe het vroeger was. Bij het naar binnen gaan is ze me dus wèl
voor.
Nu met dat mooie
voorjaarsweer, spelen we buiten op het gras haar geliefde balspelletje.
Apporteren dus. Vroeger stond ze dolenthousiast, grommend heen en weer te wippen
en springend met hoge gilletjes mij aan te moedigen om nou eindelijk eens dat
balletje weg te gooien. Overijverig, bij het agressieve af en heftig zwaaiend
met haar staart, stoof ze dan achter de bal aan. Tenminste als ik er in
geslaagd was de bal langs haar heen te krijgen. Feest was het, als ze zich met
een overweldigende gromblaf op het balletje had gestort en genietend, knorrend
en kreunend, bijtend en kauwend haar surrogaatprooi overmeesterde. Ach, ja,
“das war einmal”. Nu moet ik mijn uiterste best doen om te zorgen dat het
balletje als ik het gooi in haar gezichtsveld blijft, want anders mist ze de
boot kompleet. Dat kun je een dame niet aandoen. Dus niet rechts, aan de kant
waar ze haar oogje heeft moeten missen, maar links langs haar heen en dan
vooral niet te snel. Ze moet het balletje al rennend in het oog kunnen houden.
Ik probeer het goed te doen, want ik geniet er zelf ook van als zij er in
slaagt om net als vroeger met de overbekende blaf het balletje in het nekvel te
grijpen. Ik vind het helemaal prachtig als ze dan parmantig terug komt lopen,
te kennen gevend: “baasje, zullen we nog maar eens?” Ja Freule Fenny, hoe lang ben
je nog bij ons? Ik mis je nu al.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten