Mijn vriendin Leentje heeft een tekkeltje. Ze is stapel met dat hondje, en ik moet toegeven, ik ben er ook gek mee. Het is een zogenaamd Kaninchen, de kleinste soort tekkel die er is. Geloof me, zo’n hondje is een echte hartenbreker. Dit ras houdt namelijk altijd iets van het uiterlijk van de pup: rond koppie, lange oren, lange haren en expressieve, meestal heel aanhankelijk kijkende bruine ogen met grote zwarte pupillen. Ze kan je o zo schalks aankijken. Ja echt, bijna menselijk. Ah, je denkt dat ik me dat maar inbeeld? Niks hoor, ze is een echte verleidster. Leentje heeft haar inmiddels zo’n 15 jaar geleden gekocht bij een fokker in Weert. En je moet niet gering over Fenny denken, want ze is echt een lady met een heuse stamboom. Ze heet officieel “Fenny de Lijsterbes”. Niet dat ze zich kan meten met een ware Freule, maar ze is bepaald geen straathond!
In de 9 jaren dat ik bij Leny thuis kom, hebben we heel wat plezier met Fenny beleefd, maar we hebben met haar ook best wel het een en ander te doen gehad. Ach ja, de laatste jaren is ze ieder jaar onder het mes geweest. Het ergste is dat ze drie jaar geleden een oogje heeft moeten afstaan wegens een niet te genezen boosaardige infectie. Ja inderdaad, de vraag was voor ons ook iedere keer “moeten we haar dit nog aandoen of moeten we haar laten inslapen?”. Dat was telkens weer een moeilijke afweging, vooral omdat we daar alle twee, maar vooral Leny, nogal wat emotie bij hadden. De dierenarts vond iedere keer het risico van een operatie levensgroot, maar liet de keuze aan ons. Voor Leentje was het telkens erg moeilijk om tot een beslissing te komen. Tot nu toe is het goed gegaan, en daar zijn we serieus blij om.
Intussen is Fenny met haar 15 jaar hoogbejaard. Naar menselijke maatstaven zou ze nu dik over de honderd zijn. Toch, geloof het of niet, ze is nog altijd behoorlijk kwiek die paar minuten per dag dan dat ze niet slaapt, en zich er toe kan zetten om op te staan. Dan verheft ze zich parmantig op haar vier vertederend korte pootjes, rekt zich wijd gapend uit, waarbij ze ongegeneerd haar tong uitsteekt, verheft vervolgens haar kontje (geen mannetjestekkel zou dit kunnen weerstaan!), en trippelt als een waar Keetje tippel met soepel verende elegantie naar haar etensbakje. Dat hele gebeuren mogen wij enkele malen per dag meebeleven en gadeslaan.
Het doet ons veel plezier Fenny zo levendig te zien. Als ze zich heeft verwaardigd om op te staan, en bij haar etensbakje is langs geweest, komt ze altijd even met haar balletje naar me toe. Dan wordt van mij verwacht dat ik met haar speel. Ik maak dan een soort pas de deux met haar om te proberen haar op de verkeerde poot te zetten en tracht dan het balletje langs haar heen te schieten. Meestal lukt me dat niet, en vangt ze dat ding behendig op. Mij laat ze telkens met de vraag zitten hoe ik kan voorkomen dat ik haar een blauw oog schiet. Liever niet zeg! We zouden er niet goed van zijn. Het ouder worden heeft sowieso al zijn sporen achtergelaten; daar hoeft niet nog zoiets bij te komen. Ze ziet trouwens al niet zo goed meer met dat ene oog. Ze heeft de typische witte vertroebeling die staar verraadt. Minstens aan één kant is ze ook al aardig doof. Mijn roepen hoort ze niet meer, en ik moet haar aandacht trekken door te fluiten. Telkens als ik fluit kijkt ze met een ruk de verkeerde kant op. Ik kan het niet helpen, maar dat blijft een komisch gezicht.
“Hé Kees”, vraagt Leny die binnen komt, “wat ben je allemaal over mij aan het roddelen?”
“Ha Leny, kom er bij! Nee nee, niks, jij komt een andere keer aan de beurt. Ik ben aan het schrijven over Fenny, weet je wel die keer dat ze zo te keer ging tegen de poes die je gemaakt hebt”.
“Ja, ja, Kees, mijn poes? Mijn kat zul je bedoelen!”
“Goed, goed hoor! Je kat, `t is goed.”
Leny boetseert graag moet je weten, en goed ook, dat zeg ik je. Ze is autodidact, en heeft een behoorlijk nivo bereikt. Meestal maakt ze vrouwenbeeldjes, maar ze heeft ook een keer een kat gemaakt, levensgroot. Aardig gelukt, dat moet ik zeggen. Na het bakken heeft ze de kat geschilderd in “siamese tinten” en het afgewerkte beeldje kreeg een plaatsje in de hal op de grond voor het raam. Zo zit het beest gezellig naar buiten te kijken. Hoe levensecht dat beeld is bleek uit de reactie van Fenny.
Later op die dag werd Leny gealarmeerd door een woedend geblaf van Fenny. Ze haast zich naar binnen om te zien wat er aan de hand is. Daar treft ze Fenny aan, nekharen recht omhoog, staart met de lange haren driftig naar achteren gestoken als was ze een vendelzwaaier, en heftig blaffend tegen een onverstoorbare kat.
“Och Kees, moet je nou toch eens horen, wat ik net met Fenny meegemaakt heb”, vertelt ze me als ik me eveneens gealarmeerd naar binnen heb gehaast. “Fenny stond zich net echt ontzettend boos te maken tegen mijn kat.”
Ze heeft haar troetelbeestje intussen aangehaald en op haar gemak gesteld. Fenny is snel aan het beeld gewend natuurlijk. De driftbui is over. Ze kwispelt uitbundig, blij als ze is met de positieve waardering die ze voor haar waakzaamheid van ons krijgt. Ja, we zijn blij met de pit die er nog in ons beestje blijkt te zitten. Grappig vinden we het natuurlijk ook. Ze kunnen mij nu niet meer wijs maken dat honden geen beelden kunnen herkennen. Nou, mooi wel dus. We hebben het zelf overtuigend genoeg kunnen constateren.
“Hé Leny, je beeldje is wel geslaagd. Je hebt een echte kattekop gemaakt"
“Ja, dat kun je wel zeggen!”
Sinds die dag plaag ik haar als ik binnenkom: “Hé Leentje!”
”Ja, Kees?”
“Er zit een poes voor het raam!”
“Lekker laten zitten Kees!”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten